| thumb|Sint-Columbakerk |- | thumb|Gedenkbeeld Pieter Jan Renier aan de Sint-Columbakerk |- | thumb|Gedenkbeeld René De Clercq aan de Sint-Columbakerk |- | thumb|Buste Hugo Verriest aan de Sint-Columbakerk |- | thumb|Kerk van Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen te Sint-Lodewijk |} Deerlijk is een plaats en gemeente in de Belgische provincie West-Vlaanderen. Ze telt ruim 12.000 inwoners.

De gemeente wordt doorkruist door de spoorweg Denderleeuw-Kortrijk, de autosnelweg E17 (traject Gent-Kortrijk) en de gewestweg N36. Twee grote beken lopen door de gemeente: de Gaverbeek en de Slijpbeek.

Toponymie Over de verklaring van de naam Deerlijk zijn de naamkundigen het niet eens. Volgens de meest gezaghebbende onder hen, Maurits Gysseling, is de naam Deerlijk een Gallo-Romeinse nederzettingsnaam, namelijk Thrasiliacas, afgeleid van de Germaanse persoonsnaam Thrasilo, gecombineerd met het Latijnse achtervoegsel -iacas. Deerlijk zou dan betekenen "nederzetting toebehorend aan Thrasilo".Maurits Gysseling, Toponymisch Woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (vóór 1226), Tongeren, 1960 en op het internet: https://bouwstoffen.kantl.be/tw/

Volgens Albert Carnoy hebben de overgrote meerderheid van de Vlaamse plaatsnamen een Germaanse oorsprong en zijn ze Frankisch fabricaat, zo ook Deerlijk: Deerlijk in het Zuiden van West-Vlaanderen was Terlecha in 1177, Terleche in 1190 (4). Het bestaan van vormen met t nevens anderen met d is een normaal verschijnsel als het Germaansche benamingen geldt: (Tronchiennes: Drongen - Termonde: Dendermonde - Tournai: Doornijk, enz.). De naam kan met redelijk veel zekerheid herleid worden tot terraliacum ‘huis bij een terrale ‘aardewerk, dijk, gracht’ (5). Uit: De plaatsnamen met -acum in het Vlaamsche land Door Prof. Dr. Alb. Carnoy in: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, Gent 1933, p. 17-27 en zoals te vinden op internet: https://www.dbnl.org/tekst/_ver025193301_01/_ver025193301_01_0003.php#032 In het citaat vermelde voetnoten: (4) Eugène De Seyn: Dictionnaire historique et géographique des communes belges (2 vol.), 1924; 1933-1934, p. 257 en (5) Ducange, s.v.

Lang heeft men vastgehouden aan de verklaring dat Terlecha zou voortgekomen zijn van het Latijnse lacus: poel, stilstaand water (denk aan de schatplichtige woorden lac, lake, leke), daarbij verwijzend naar de in de gemeente gelegen lage broeklanden aan de Gaverbeek die gemakkelijk overstroomden. Vandaag gelden beide toelichtingen echter als verouderd en/of ongegrond: zie Frans Debrabandere e.a. in: De Vlaamse gemeentenamen - verklarend woordenboek, Davidsfonds, Leuven, 2010, blz. 9. De oudste schrijfwijzen die men in de documenten aantreft, zijn Derlike (1070) en Tresleca (1111).Karel De Flou, Woordenboek der Toponymie van Westelijk Vlaanderen..., Gent-Brugge, 1914-1938, 18 boekdelen. Andere varianten op de schrijfwijze zijn volgens De Flou: Trelleke (1191), Derleke (1234), Deerlyck (1419), Deerlick (1441) om in 1820 Deerlijk te worden. Hij geeft ook nog Derlecque, Derrelecque en Terleche op.

Volgens Leon Defraeye komt de naam van Deerlijk voor het eerst voor in het jaar 1063, bij de stichting van het Kapittel van Harelbeke. De kerk van Deerlijk wordt in een document vermeld als “ecclesia de Trellengehem”. Leon Defraeye vermeldt voorts: Terlecha (1177 en 1190), Derleke (1281), Deerlicke (1402), Derlycke (1502), Deerlycke (1623) en Deerlyck (1666). Vanaf dat moment - tot in de negentiende eeuw - wordt regelmatig de benaming D’Eerlyck aangetroffen in geschriften. In de negentiende eeuw is ook nog de benaming Deerlyk in gebruik. Onroerend Erfgoed heeft het naast Terlecha nog over: Treleche (1190) en Terlecca (1207). https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/geheel/22111 Zie ook 'Deerlijk' in: Frans Debrabandere e.a. in: De Vlaamse gemeentenamen - verklarend woordenboek, Davidsfonds, Leuven, 2010, blz. 60. De oorsprong van de naam Tresleca is mogelijk terug te brengen naar ‘tres leca’, drie Gallische mijl, de afstand van de Romeinse nederzetting Cortoriacum (het huidige Kortrijk) tot Deerlijk. Later, in de 17de, de 18de en de 19de eeuw treft men ook zeer frequent de benaming D'Eerlyck aan in zowel krantenartikels en pamfletten als in officiële teksten zoals verslagen van de rechtbank (de vierschaar).Martijn Vandenbroucke, Vijf schellingen en een leren broek - Diefte en vagabonderij in 1736, Derlike, tijdschrift van de heemkring Dorp en Toren, jaargang XXXII, 1 (2009), pp. 20-25.

Geschiedenis Vroegste sporen van bewoning De oudste sporen van menselijke nederzettingen werden aangetroffen in het waterrijke gebied van de Gavervlakte. Zowel in Deerlijk als in Harelbeke zijn stenen werktuigen gevonden van jager-verzamelaars uit het laat-paleolithicum, meer bepaald uit de zogenaamde Tjongercultuur (ca. 9000 v.Chr.). Verschillende vondsten, zoals een fragment van een gepolijste bijl en pijlpunten, wijzen ook op menselijke bewoning tijdens het neolithicum (ca. 3000-2000 v.Chr.). Voorlopig ontbreken op Deerlijks grondgebied sporen uit de bronstijd en de ijzertijd, alhoewel er vermoedelijk ook in die tijd bewoning was. De vele vondsten in de omliggende gemeenten wijzen in die richting.

Romeinse nederzetting In het centrum van Deerlijk, tussen de kerk en de kapel ter Ruste, heeft er een Gallo-Romeinse nederzetting bestaan (2de-3de eeuw). Opgravingen op de terreinen van de Rijksbasisschool (1974), aan de Sint-Columbakerk (1977), aan het rustoord (1978) en op de terreinen van de voormalige ververij Ovelacq (1997) leverden voldoende bewijsmateriaal, zoals dakpannen, aardewerk en fragmenten van handmaalstenen en vuurbokken. Een schat van ca. 45 munten, in 1848 gevonden in de wijk Belgiek, kan wijzen op het bestaan van een laat-Romeinse of Merovingische nederzetting (4de eeuw). Door de invallen van Germaanse stammen zijn vondsten uit deze periode in België vrij zeldzaam.

Middeleeuwen: het ontstaan van Deerlijk Twee grote bossen, gescheiden door de Gavermoerassen, bedekten Deerlijk. In het noorden, vanaf de Hoog-en Waregemstraat over Beveren-Leie en Desselgem, lag het dichte Methela- of Medelewoud en ten zuiden van de Gavermoerassen het kleinere Feretwoud. In de 10e eeuw schonk Arnulf de Grote, graaf van Vlaanderen, aan de Gentse Sint-Pietersabdij grote gebieden uit zijn domein, waaronder het Medelewoud. De abdij liet dat woud in de volgende eeuwen systematisch ontginnen en in cultuur brengen. Dat gaf ontstaan aan heel wat omwalde hoeven, van waaruit de ontginning doeltreffend werd georganiseerd. Vermelden we de nu nog bestaande hoeven het Goed Scaecx te Bruyelstraete (Desselgemstraat 141) en het Goed ten Bruyele (Desselgemstraat 44). Op de zandrug tussen het Medelewoud en de Gavers liep de aloude weg van Kortrijk naar Waregem, dat is de huidige Kortrijkse Heerweg en de Hoog- en Waregemstraat. Op de hoger gelegen droge kouters rond deze weg is ten laatste in de 10e eeuw de nederzetting Derlike ontstaan. Deze kleine en op zichzelf niet zo belangrijke heerlijkheid had echter de kerk op haar grondgebied, zodat ze uitgroeide tot dorpsheerlijkheid en parochie.

In 1119 was voor het eerst in geschriften sprake van een kerk. Het ging toen wellicht om een houten bedehuisje. In de tweede helft van de 12de eeuw werd het gebouw vervangen door een romaanse driebeukige kruiskerk, vervaardigd uit Doornikse blauwsteen.

Ancien régime Tot op het einde van het ancien régime was Deerlijk in handen van diverse heren of families, zoals de families de Costere, de Lamotte en de Cassina. Jan – een telg van de familie de Costere – liet vermoedelijk rond 1535 een retabel maken. Het kunstwerk kwam in de Sint-Columbakapel die voor het eerst vermeld werd in 1440. miniatuur|Het Sint-Columbaretabel

Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) kreeg Deerlijk het zwaar te verduren. Rondtrekkende troepen eisten voorraden op en brachten vernielingen aan. Als gevolg hiervan liep het inwonersaantal sterk terug en zaailanden werden amper bewerkt. Door het Twaalfjarig Bestand vanaf 1609 werd de gemeente weer opgebouwd. Waarschijnlijk werd bij deze gelegenheid de kerk verkleind tot een tweebeukige kerk.

In 1641 stichtte men de kapelanie van Onze-Lieve-Vrouw ter Ruste (kapel ter Ruste) en in 1666 die van de Pladijshoek (kapel ter ere van Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen, indertijd omschreven als de ‘’Capelle te Keyselberge’’).

De Negenjarige Oorlog (1688-1697) bracht weer rampspoed. Opnieuw verwoestten rondtrekkende en muitende troepen oogsten en hoeven.

Gedurende het Oostenrijkse bewind (1715-1792/94) kende Deerlijk een periode van herstel en relatieve welvaart. De bloei van de vlasnijverheid leidde tot de oprichting van diverse spin- en leerscholen. In 1739 telde de gemeente bijna 200 thuiswevers. Er werd vooral grof linnen geproduceerd. De verhoogde welvaart resulteerde onder meer in een verhoogde bouwactiviteit: in 1755 kwam er een pastorie in de Pontstraat en tussen 1774 en 1776 werd de huidige classicistische Sint-Columbakerk opgetrokken onder leiding van de vermaarde architect Laurent-Benoît Dewez. Bij deze werken werd de ernaast gelegen Sint-Columbakapel afgebroken en het retabel overgebracht naar de nieuwe kerk.

In 1731 werd langs de Harelbekestraat herberg “De Croone” geopend, het latere gemeentehuis. Door de verbreding van de straat in 1893 werd het gebouw afgebroken en verscheen er een nieuw in de plaats.

De herberg Het Damberd kwam er in 1790 en was het geboortehuis van dichter en schrijver René De Clercq.

Pieter Jan Renier, dichter en befaamd om zijn kostschool, werd in Deerlijk geboren in 1795.

Nieuwste Tijd Door de Franse Revolutie en de Franse bezetting van onze gewesten (1794-1815) werden de adellijke titels en feodale rechten afgeschaft. De bestuurlijke bevoegdheden gingen over naar een college van burgemeester en schepenen. Eugène De Vlaminck, voorheen nog baljuw en meier, was de eerste burgemeester van Deerlijk.

Kasselrijen en heerlijkheden verdwenen eveneens. Kerken en kapellen werden gesloten of kregen een gewijzigde bestemming. De Sint-Columbakerk, de kapel ter Ruste en de kapel op de Pladijshoek (heden Sint-Lodewijk) gingen dicht. Na het Concordaat van 1801 werden de kerk en de kapel op de Pladijshoek opnieuw geopend. De kapel ter Ruste bleef dicht. In 1804 werd deze laatste ingericht als paardenstalling (voor militair gebruik) en in 1819 kwam er een spinschool. miniatuur|links|Kapel Onze-Lieve-Vrouw ter Ruste

Door afnemende afzetmarkten en goedkoper machinaal geweven textiel uit Engeland kende de linnennijverheid tijdens de Nederlandse periode (1815-1830) een grote neergang. Tussen 1840 en 1850 kwam deze crisis tot een hoogtepunt. Daarenboven werd de gemeente getroffen door een hongersnood door mislukte aardappel- en graanoogsten. Tot overmaat van ramp kwam hier nog een tyfusepidemie bovenop (in 1847 was in de kapel ter Ruste een hospitaal voor tyfuslijders). Door het oprichten van leerscholen probeerde de overheid de economie te stimuleren.Er werd hiervoor door het gemeentebestuur een Commissie voor het bestuur van de leerwerkhuizen in het leven geroepen. Pieter Jan Renier – intussen schepen – leverde in deze commissie heel verdienstelijk werk. In 1848 openden industriëlen het eerste leerwerkhuis voor wevers in de kapel ter Ruste. De leerlingen kregen les in de modernste weeftechnieken en het mechanisch garen werd er geïntroduceerd. Eens “afgestudeerd” werkten de wevers thuis als loonarbeiders voor een onderaannemer en op bestelling, een nieuwe methode. Door het succes werd in 1853 in de Harelbekestraat nog een leerwerkschool geopend. Ferdinand – vader van de industrieel en politicus Astère Vercruysse de Solart – schonk hiervoor een stuk grond.