Het vroege christendom of de geschiedenis van de eerste christenen is de eerste fase van de geschiedenis van het christendom en wordt gewoonlijk gerekend vanaf het eerste pinksterfeest (30 of 33) tot aan het Eerste Concilie van Nicea (325). Deze periode wordt meestal verdeeld in de apostolische periode (ca. 30 - 100) en de ante-niceense periode (ca. 100 - 325).P. Schaff (1998) [1858–1890]: History of the Christian Church. 2: Ante-Nicene Christianity. A.D. 100–325, Christian Classics Ethereal Library,

Afbakening Er is geen eenduidige definitie van de periode die we vroege christendom kunnen noemen. Soms wordt het openbaar optreden van Jezus er reeds toe gerekend. Meestal wordt het pinksterfeest in het jaar van de kruisiging van Jezus als startpunt gekozen.

Ook over het eindpunt is geen consensus. Meestal wordt het Eerste Concilie van Nicea (325) gehanteerd, anderen rekenen tot aan de afkondiging van godsdienstvrijheid door keizer Constantijn de Grote met het Edict van Milaan (313) of (minder vaak) tot aan de wijding van paus Gregorius I op 3 september 590. Binnen restaurationistische stromingen eindigt het vroege christendom met de dood van de laatste apostel, Johannes, tegen het einde van de eerste eeuw, en begon toen de Grote afval.Douglas Allen Foster en Anthony L. Dunnavant (2004): The Encyclopedia of the Stone-Campbell Movement: Christian Church (Disciples of Christ), Christian Churches/Churches of Christ, Churches of Christ, Wm. B. Eerdmans Publishing, , , sectie over "Restoration, Historical Models of"Gerard Mannion en Lewis S. Mudge (2008): The Routledge companion to the Christian church, Routledge, , Samuel S. Hill, Charles H. Lippy, Charles Reagan Wilson (2005): Encyclopedia of Religion in the South, pag. 665, : "An Anabaptist, Servetus believed what has always been basic to restorationism: ... the true, apostolic church .... Restorationists in the South include three churches of the STONE-CAMPBELL TRADITION."

Context Het ontstaan van het christendom vond plaats in de context van veel bredere en langduriger sociale en religieuze conflicten onder Joden en gingen terug tot aan de Babylonische ballingschap en werden versterkt door de verovering van Judea door de Romeinen. De belangrijkste onderwerpen van dit conflict waren: Hellenisme: Een brandende kwestie was of helleniseren geoorloofd was of niet. Een voorbeeld van de aard van dergelijke conflicten (niet noodzakelijk tussen de farizeeën en sadduceeën) is het verzoek van Joden aan Antiochus IV Epiphanes voor toestemming "de levenswijze van de heidenen in te voeren" (1 Makkabeeën 1:11-13, Willibrordvertaling). Zij bouwden een gymnasion in de Griekse stijl, waarin jonge mannen naakt oefeningen deden (1 Makkabeeën 1:14). Dit bracht een cruciaal verschil tussen Joden en Grieken aan het licht: Joodse mannen waren besneden, en besnijdenis was het belangrijkste externe bewijs van het verbond tussen God en Abraham en zijn afstammelingen (Genesis 17). De Grieken geloofden in Mens sana in corpore sano en beschouwden besnijdenis als een barbaarse verminking. Jonge mannen die in de hellenistische cultuur wilden opgaan, "lieten zich weer een voorhuid maken" door een operatie. Volgens velen "braken [zij daardoor] met het heilig verbond" (1 Makkabeeën 1:14). Dit conflict leidde tot bloedvergieten. Uiteindelijk verbood Antiochus IV bepaalde Joodse gebruiken en eiste van de Joden zelfs "dat ze altaren, tempels en kapellen moesten oprichten voor afgoden, en varkens en andere onreine dieren moesten offeren; dat ze hun zonen niet meer mochten besnijden" (1 Makkabeeën 1:47-48). Wet: Het verwerpen van hellenisme betekende voornamelijk dat de Joden in Palestina volgens de wet van Mozes zouden leven. Hoe strikt zij de wet moesten volgen en hoe deze tot in de details moest worden geïnterpreteerd inzake (on)reinheid, voedselwetten, tienden en andere onderwerpen, leidde tot grote meningsverschillen. Hogepriesterschap: De status van het ambt van de hogepriester en de opvattingen van de hogepriester waren voor velen een uiterst belangrijk onderwerp. Stond hij open voor hellenisme of niet? Ook zijn afstammingslijn was zeer belangrijk, voor sommige nog belangrijker dan zijn opvattingen (1 Makkabeeën 7:12-16). In de periode van 520 tot 175 v.Chr. was de hogepriester een afstammeling van Sadok (of werd aangenomen dat hij dat was). Velen bleven loyaal aan de afstammelingen van Sadok en verwierpen andere hogepriesters. Militaire controle: Na de Babylonische ballingschap, onder het hogepriesterschap van Sadokieten, kende het Judaïsme een lange periode van relatief vreedzame theocratie. Gedurende deze periode maakte Palestina altijd deel uit van een groter rijk - Perzië, het rijk van Alexander de Grote, de Ptolemaeën, de Seleuciden - maar nooit militair autonoom. De plaatselijke leider was de hogepriester, die zijn macht vanuit Jeruzalem uitoefende. Hij bepaalde wat daar gebeurde en had invloed en macht over heel Judaea. Het beperkte succes van Judas Makkabeüs in 164 v.Chr. herstelde daarom ten dele de situatie die sinds het einde van de zesde eeuw v.Chr. had geduurd: de hogepriester bestuurde de tempel en Jeruzalem, een koning op grote afstand regelde de grotere aangelegenheden. Velen wilden een eind maken aan de opstand en vrede sluiten met Syrië nadat de tempel opnieuw was gewijd. De Perzische en Hellenistische perioden waren in hun ogen niet zo slecht geweest en sommigen wilden graag terugkeren naar de situatie voor de controverse over het hellenisme en de opstand.

Apostolische periode Bronnen De oudste en belangrijkste bron over de eerste jaren van het christendom is het Nieuwe Testament, waarvan alle werken werden voltooid in de tweede helft van de 1e eeuw. Ook de geschriften van de Apostolische Vaders uit het begin van de 2e eeuw, zoals de brieven van Clemens en de Didachè, zijn belangrijke bronnen.

De Joodse historicus Flavius Josephus noemde in zijn Oude geschiedenis van de Joden (voltooid ca. 94) Jezus en zijn broer Jakobus. Er is twijfel over de authenticiteit van de passage van Flavius Josephus over Jezus.

Jezus Het bestaan van een historische Jezus wordt door vrijwel alle deskundigen geaccepteerd. Vaak wordt een verschil gemaakt tussen de historische Jezus en Jezus als Christus; het handelt in feite om twee verhalen.Graham Stanton (2002): The Gospels and Jesus (2e ed.), Oxford University Press, pag. xxiii

Hoewel veel verhalen over Jezus als legendarisch worden beschouwd, is er consensus dat Jezus zijn openbaar optreden begon na zijn doop door Johannes de Doper, hij eerst vooral in de streek Galilea verkondigde en dat zijn latere bediening in en rondom Jeruzalem eindigde nadat hij tijdens een proces onder Pilatus werd veroordeeld tot kruisiging en hij een smadelijke dood onderging (het Passieverhaal).

Voor Jezus' leerlingen was zijn dood niet het einde. De verhalen over de opstanding van Jezus vertellen over een lege graftombe en verschijningen van de opgestane Jezus aan zeker 500 leerlingen (1 Korintiërs 15:5-6).

Uit de verhalen over Jezus' opstanding en vooral de verschillen ertussen kan worden opgemaakt dat Jezus zijn discipelen niet had voorbereid op zijn dood en hieraan pas na zijn dood (theologische) betekenis werd gegeven (vergelijk Lucas 24:1-8 met 13-27). In de evangeliën en Handelingen staat Jezus' boodschap over het Koninkrijk theologisch centraal en is er sprake van een concrete eschatologische verwachting - dat wil zeggen: de verwachting dat God ieder moment zou kunnen ingrijpen om Zijn Koninkrijk op aarde te stichten. Vanaf Paulus staat Jezus' dood en opstanding theologisch centraal en raakte het eschatologische aspect op de achtergrond en werd minder concreet (zie bijvoorbeeld 1 Tessalonicenzen 4:13-18, 1 Korintiërs 15:51-57 en Romeinen 14:9).

Ontstaan van de Kerk thumb|De "bovenzaal" (Cenaculum) op de berg Zion. Zo genoemd, omdat sommigen dit houden voor de ruimte waar het Laatste Avondmaal werd gehouden (Marcus 14:15) en de Heilige Geest werd uitgestort (Handelingen 1:13-15) Voor een beeld over het allereerste begin van de christelijke Kerk zijn we afhankelijk van de verhalen in Handelingen, een werk dat traditioneel wordt toegeschreven aan Lucas en waarvan wordt aangenomen dat het rond 90 is ontstaan. Lucas blikt in dit werk terug op de eerste decennia van de christelijke zending maar het is een geïdealiseerd verslag.

In Handelingen wordt gesproken van ongeveer 120 leerlingen die in de dagen na Jezus' hemelvaart bij elkaar verbleven in een bovenvertrek in Jeruzalem (Handelingen 1:13-15). Na de aanwas van leerlingen vanaf Pinksteren wordt voor het eerst gesproken over een "gemeenschap" (Handelingen 2:41-42). Dit wordt over het algemeen gezien als het begin van de Kerk. De leden kwamen dagelijks bijeen in de Joodse tempel, gebruikten gezamenlijke maaltijden bij elkaar thuis en de leden ervan deelden alle bezit. Wie onroerend goed bezat, verkocht het en bracht de opbrengst naar de apostelen. Het geld werd vervolgens naar behoefte verdeeld onder de gelovigen (Handelingen 2:44-46; 4:32-35).

In eerste instantie werd de jonge christelijke Kerk beschouwd als een joodse sekte (Handelingen 24:14). Incidenteel werden ze aangeduid als "De Weg" (Handelingen 9:2, 19:9, 23, 22:4, 24:14,22), maar in Antiochië werden zij voor het eerst "christenen" genoemd (Handelingen 11:26).

Handelingen spreekt over een toename van vele duizenden leerlingen vanaf Pinksteren. Dit is waarschijnlijk een overdrijving (of heeft een symbolische lading). Historici gaan uit van tussen 7.000 en 10.000 christenen rond 100. Voor het eind van de tweede/begin derde eeuw is de aanname rond 200.000 christenen.Keith Hopkins (1999): A World full of Gods, The Free PressKeith Hopkins (1998): Christian Number and Its Implications, Journal of early Christian StudiesRodney Stark (1996): The Rise of Christianity: a Sociologist Reconsiders History, Princeton University Press

Leiderschap Uit de brieven van Paulus kan worden opgemaakt dat de kerk in Jeruzalem "een centrale rol had binnen alle kerken".L. Hurtado (2005): Lord Jesus Christ: Devotion to Jesus in Earliest Christianity, Eerdmans, pag. 160 Handelingen en Paulus geven aanwijzingen dat Petrus, Johannes (de apostel) en Jakobus (de broer van Jezus) een leidende rol hadden in de vroege kerk (Galaten 2:9; Handelingen 1:13-14). In eerste instantie was Petrus de belangrijkste apostel, maar hij werd al snel overschaduwd door Jakobus.E. Pagels (2005): De Gnostische Evangelien (The Gnostic Gospels), Servire, pag. 45-46G. Lüdemann, A. Özen (1996): De opstanding van Jezus. Een historische benadering, The Have, pag. 116-17 Het kan een gevolg zijn van de positie die beiden innamen in de discussie over de noodzaak voor niet-Joodse bekeerlingen om zich aan de wet van Mozes te houden (vergelijk Galaten 2:11-14) (zie ook verderop) of het gevolg van Petrus' werk in de zending.M.N.A. Bockmuehl (2001): The Cambridge Companion to Jesus, pag. 52 Mogelijk speelde ook Jakobus' verwantschap aan Jezus mee.J.E. Taylor (1993): Christians and the Holy Places: The Myth of Jewish-Christian Origins, Oxford University Press, pag. 224

Paulus Paulus was een gehelleniseerde Jood uit Tarsus, farizeeër van origine (Handelingen 23:6). Na eerst de jonge kerk op gewelddadige wijze te hebben vervolgd, werd hij bekeerd door een visioen van de opgestane Jezus (Galaten 1:13-23).