thumb|Ierland Geschiedenis van Ierland behandelt de geschiedenis van het West-Europese eiland Ierland. De eeuwenlange strijd tussen de Keltische inwoners, die ooit ook kolonisten waren, en latere binnenkomers als Noormannen, Anglo-Normandiërs en Schotse protestanten heeft diepe sporen nagelaten. Het land is bezaaid met ruïnes en gedenktekens. De opdeling van het eiland in een Iers en een Brits deel kan alleen uit de geschiedenis begrepen worden

Prehistorie

De eerste menselijke bewoning van Ierland dateert van na de laatste ijstijd. Destijds waren Groot-Brittannië en Ierland nog verbonden met het Europese vasteland. Na het smelten van het vele ijs steeg de waterspiegel en werd Ierland een eiland. Vooral vanuit Engeland kwamen nieuwe bewoners - per boot - naar het eiland. De oudste archeologische vondsten zijn een prehistorisch fort en een kamp bij Mount Sandel.

Vanuit het Middellandse Zeegebied ontstonden volksverhuizingen die zich langzamerhand in westelijke richting uitbreidden om meer vruchtbare grond te zoeken. Rond 3000 v.Chr. bereikten de eerste neolithische bevolkingsgroepen Ierland.

De Bronstijd begon in Ierland rond 2000 v.Chr. De eerste metalen voorwerpen waren nog van goud en koper, maar al snel leerde men brons te maken van een legering van koper en tin. Veel bronzen voorwerpen werden door heel Europa vanuit Ierland verspreid. Een nieuwe bevolkingsgroep arriveerde in Ierland: het klokbekervolk, genoemd naar de vorm van de bekers die ze maakten. Ze deden aan mijnbouw en brachten nieuwe religieuze gebruiken mee.

600 v.Chr-400 n.Chr: Kelten left|thumb|150px|Een van de vele historische restanten

Ondertussen was op het Europese vasteland de ijzertijd al begonnen en de La Tène cultuur verspreidde zich over een groot deel van Europa. Vanaf circa 600 v.Chr. kwamen de Kelten (volgens Lebor Gabála Érenn vanuit Spanje; volgens andere opvattingen vanuit Frankrijk, België en Zuid-Duitsland) Ierland binnen. Volgens de 'Celtic invasion theory' wisten ze tussen 100 v.Chr. en 100 na Chr. o.a. door hun ijzeren wapens en hun paarden de oorspronkelijke bevolking aan zich te onderwerpen en in korte tijd het hele land te veroveren. Tegenwoordig wordt er echter van uitgegaan dat het meer om een geleidelijke culturele invloed ging. Er zijn veel legenden over de Kelten en de Ieren zijn nog steeds trots op hun Keltische oorsprong. De Kelten spraken een Indo-Europese taal, de basis voor het Oudiers waaruit het Iers of Gaelisch is voortgekomen.

De Kelten leefden volgens het clansysteem in tuatha. Deze volken sloten zich rond het begin van onze jaartelling in los-vaste verbanden aaneen. Het Keltische volk was verdeeld in drie klassen: de áes dána (o.a. druïden, muzikanten, priesters en dichters), de vrijen en de onvrijen of slaven.

Er is een overvloed aan sagen die in deze tijd gesitueerd zijn. De Runderroof van Cooley, in het Iers Táin Bó Cuailnge, is te zien als de Ierse variant van de Ilias. Het verhaal over de legendarische strijder Cú Chulainn maakt in ieder geval duidelijk dat belangrijke centra van de Ierse cultuur in deze periode lagen in de provincies Ulster en Connacht. Een belangrijke plaats uit de latere pre-Normandische periode, Tara, lag in Leinster.

Het land was opgedeeld in vele kleine koninkrijkjes, de tuatha. Daarboven waren nog hogere koningen, maar er was nimmer sprake van één koning over heel Ierland.

400-795: vroege christendom right|thumb|150px|standbeeld van St. Patrick op de Hill of Tara.

In 430 zond de paus de eerste christelijke missionaris, genaamd Palladius, naar Ierland. Zijn opvolger was de legendarische heilige Patricius of Saint Patrick (Padraig). St. Patrick werd bisschop van Ierland en zou later, als gevolg van het vele zendingswerk dat hij verrichtte, uitgroeien tot de nationale heilige van het land.

St. Patrick introduceerde de bisschoppelijke kerkhiërarchie in Ierland, waarbij de bisschop de belangrijkste kerkelijke functie bekleedde. Daarnaast stichtte hij vele kloosters en dat werden er zoveel dat de macht langzamerhand van de bisschop naar de kloosters verschoof. Kloosters (Monasterboice, Clonmacnoise, Glendalough) werden de belangrijkste centra van geloof en opvoeding en er ontstond een uniek Iers systeem waarin monniken de macht hadden over de kerk. Steden, in de moderne zin van het woord, waren er in die tijd nauwelijks. St. Patrick's Day (17 maart) is nu de nationale feestdag van Ierland. De klaver met drie bladeren (de Shamrock), aan de hand waarvan hij het mysterie van de Goddelijke Drie-eenheid heeft uitgelegd, is een van de nationale symbolen van Ierland. In de 5e eeuw werden de eerste Ierse documenten geschreven door St. Patrick. Door het werk van St. Patrick werd Ierland een bolwerk van de Latijns-christelijke beschaving, het betrad tevens een gouden eeuw. Ierland ontwikkelde zich tot een 'eiland van heiligen en geleerden'.

Uit deze kloostertijd dateren ook een aantal zeer fraaie Evangeliehandschriften. De bekendste daarvan, het Book of Kells, is te zien in Trinity College in Dublin. De kloosters waren ook een opleidingsplaats voor de vele Ierse missionarissen die een grote bijdrage hebben geleverd aan de verbreiding van het christendom in West-Europa. De bekendste van die monnik-missionarissen zijn Sint-Brandaan en Sint-Columba. Die laatste is bekend als de eerste missionaris van Schotland.

De Angelsaks Egbert, abt van het Ierse klooster Rathmelsigi (townland van Clonmelsh, County Carlow) wist zelf niet Frisia te bereiken om er de Frisii te bekeren. De kloosterling Wigbert predikte er twee jaar tevergeefs. Broeder Adelbert werd een heilige van Egmond en broeder Willibrord bracht het tot 'Aartsbisschop der Friezen'. Volgens de Batavia Sacra was het vooral de Angelsaks Egbert, die verantwoordelijk was voor de evangelieverkondiging in Frisia.Otten, D. (2014), Hoe God verscheen in Friesland, Deventer Universitaire Pers, p. 52

Na de snelle verspreiding van het christendom en de stichting van de vele kloosters in Ierland en zelfs daarbuiten, brak een rustige periode aan van voorspoed die ook wel het Gouden Tijdperk wordt genoemd. De Ieren waren redelijk welvarend en het land was sinds het Stenen Tijdperk niet meer binnengevallen of geplunderd. Door de problemen op het vasteland van Europa (o.a. de volksverhuizing) vluchtten vele geleerden en kloosterordes naar Ierland, waardoor kunsten en wetenschap opbloeiden. De kunst van het schrijven en het illustreren bereikte een zeer hoog niveau. Doordat vanaf dat moment meer op schrift is gesteld, weten we vanaf deze tijd meer over de geschiedenis van Ierland.

Tegen het einde van de 8e eeuw was Ierland verenigd in taal, cultuur, religie en wetten. Toch was het land nog steeds verdeeld in vele kleine koninkrijken. Tijdens het Gouden Tijdperk waren er weinig conflicten tussen de verschillende koninkrijkjes. Er was een machtsevenwicht. Niet een van de machthebbers was in staat heel Ierland te overheersen of te verdedigen.

795-900: Vikingtijdperk Aan de betrekkelijke rust en voorspoed van de Golden Age kwam een einde door de invallen van de Vikingen. Het Vikingtijdperk brak aan met de eerste invallen van Noorse schepen op het eiland Lambay (voor de kust van Dublin) rond het jaar 795. De volgende 40 jaar werden vrijwel alle kloosters langs de kust van Ierland geplunderd en vernield, maar de invallen bleven aanvankelijk beperkt tot de kuststreken. De kloosterlingen voelden zich bedreigd door deze Vikingen en bouwden bij de kloosters hoge torens met een ingang die ver boven de grond lag. De torens werden gebruikt als klokkentoren en als uitkijkpost.

In 837 arriveerden grote konvooien Noorse schepen en de Vikingen richtten permanente woonplaatsen in en handelsposten. Vanuit deze uitvalsposten werden nu ook die delen van Ierland geplunderd die tot dan gevrijwaard waren. Over de rivieren en meren drongen ze diep Ierland binnen. De Vikingen waren de stichters van de eerste steden in Ierland. Begonnen als handelshavens, kregen ze al gauw een grote invloed op de Ierse economie. Handel werd steeds belangrijker en voor het eerst werd er geld gebruikt in Ierland. Dublin werd de rijkste stad van de Vikingen en een belangrijk handelscentrum. In 870 maakte Olaf de Witte, een Noorse legerleider, van Dublin de hoofdstad van zijn kolonie.

900-1171: hoge koningen Na verloop van tijd vermengden de Vikingen zich met de Ierse bevolking en waren ze even Iers als de Kelten. Ierland was op dat moment verdeeld in 7 provincies (Munster, Leinster, Connacht, Meath, Ailech, Airgialla en Ulster) en in ongeveer 100 tot 200 kleine koninkrijkjes die nogal in grootte en macht verschilden. Het land bereikte een soort van eenheid onder een hoge koning (Iers: Ard Rí) die theoretisch de macht had over de andere provinciale koningen. Er was sprake van steeds wisselende coalities tussen inheemse koningen en Vikingen. In 1002 zag koning Brian Boru, koning van Munster, zijn kans schoon om als 'opperkoning' over bijna het hele eiland te heersen. In tegenstelling tot zijn voorgangers was hij een politiek opperhoofd die leek op de feodale koningen zoals die zich op het Europese vasteland begonnen te manifesteren. Hij bouwde scholen, wegen en bruggen en zorgde voor rechtspraak.

In de Slag bij Clontarf in 1014 versloeg koning Brian Boru de Vikingen. Brian Boru kwam in deze slag zelf om het leven. Deze slag maakte een einde aan de invloed van de Vikingen maar het wegvallen van koning Brian Boru had tot gevolg dat het land steeds meer verdeeld raakte en ten prooi viel aan onderlinge twisten. De provinciale koningen twistten om het hoge koningschap en bestreden elkaar uit vrees hun macht te verliezen.

Paus Gregorius VII zette een hervorming in gang. Dit hield de stichting van aartsbisdommen in, waaraan de Ierse kloosters, die tot dan toe een grote mate van zelfstandigheid hadden genoten, zich moesten onderwerpen. In 1152 kreeg de Ierse kerk tijdens de synode in het Schotse Kells haar eerste constitutie. Het eiland werd verdeeld in vier bisdommen. De aartsbisschop van Armagh werd de primaat. Deze situatie duurt voort tot op de dag van vandaag.

In 1155 droeg paus Adrianus IV, de enige Engelse paus ooit, het oppergezag in Ierland over aan koning Hendrik II van Engeland. Volgens deze pauselijke bul was de Engelse koning voor Ierland de plaatsvervanger van de paus (“Lord of Ireland”).

In werkelijkheid werd het oppergezag in Ierland nog steeds betwist door rivaliserende provinciale koningen en was er nog steeds een hoge koning.

Toen een van de laatste hoge koningen, Muirchertach MacLochlainn, nadat hij een eed had gebroken, vermoord en opgevolgd werd door Ruaidrí Ua Conchobair (Rory O'Connor), had dit tot gevolg dat zijn bondgenoot Diarmait Mac Murchada (Dermot McMurrough), koning van Leinster, zijn koninkrijk verloor aan Ua Conchobair. Mac Murchada vluchtte hierop naar Engeland en vroeg Hendrik II om hulp om zijn koninkrijk te heroveren. Hij kreeg toestemming van Hendrik om Normandische en Welshe troepen te rekruteren. In 1169 landde hij met Normandische, Vlaamse en Welshe troepen in Wexford en wist al snel zijn koninkrijk te heroveren. Met hulp van Richard de Clare, graaf van Pembroke, veroverde hij ook Dublin en Waterford. De Clare, bijgenaamd "Strongbow", trouwde met de dochter van Mac Murchada en werd diens erfgenaam.

1171-1541: Anglo-Normandiërs en de heerlijkheid Ierland

Hendrik II, vrezend voor een rivaliserend Normandisch koninkrijk in Ierland, nam het heft in eigen hand en viel in 1171, gesteund door de autoriteit van de bul Laudabiliter, het land binnen. Hendrik gaf zijn Ierse bezittingen, de Heerlijkheid Ierland, waaronder The Pale, aan zijn jongste zoon, Jan zonder Land. Toen deze onverwacht koning van Engeland werd viel de heerlijkheid direct onder de Engelse kroon.