thumb|300px|Twee synagoges in Amsterdam in 1861, schilderij van Willem Hekking. thumb|300px|Jodenverbranding tijdens de pestepidemie van 1349 thumb|300px|Interieur van de Portugees-Israëlitische Synagoge (Snoga) in Amsterdam. Schilderij van Emanuel de Witte, circa 1680, collectie Rijksmuseum, Amsterdam. De geschiedenis van de Joden in Nederland begint in de tweede helft van de middeleeuwen.
Middeleeuwen Het is waarschijnlijk dat de eerste Joden aankwamen in de 'Lage Landen', het hedendaagse België en Nederland, tijdens de Romeinse verovering van het gebied aan het begin van de jaartelling. Er is weinig over bekend, behalve dat ze waarschijnlijk niet met erg veel waren. Voor een tijdje bestond de joodse aanwezigheid uit hoogstens enkele kleine geïsoleerde gemeenschappen en verspreide families. Betrouwbaar bewijsmateriaal dateert pas vanaf de 11e eeuw (toen Nederland deel uitmaakte van het Heilige Roomse Rijk) en dit materiaal geeft aan dat gedurende en na die tijd de Joden regelmatig vervolgd en verdreven werden. Vroege bronnen uit de 11e eeuw en 12e eeuw vermelden verder officiële debatten, of geschillen, tussen christenen en joden, waarin pogingen werden gedaan om de joden van de waarheid van het christendom te overtuigen en te proberen te bekeren.
Vanaf de 13e eeuw zijn er bronnen die aangeven dat Joden in Brabant en Limburg leefden, vooral in grotere steden als Brussel, Leuven, Tienen en Maastricht. Bronnen uit de 14e eeuw vermelden ook Joodse bewoners in de steden Antwerpen en Mechelen en in het noordelijke deel van het hertogdom Gelre. De Maastrichtse Jodenstraat (Limburgs: Jäöstraot) uit 1295 geldt als een ander oud bewijs van hun bestaan.
Tijdens de pestepidemie die woedde vanaf de 14e eeuw tussen 1347 en 1349 werden Joden ervan beschuldigd de openbare waterbronnen vergiftigd te hebben. Men dacht dit omdat veel minder Joden de pest kregen dan anderen en joden maakten vanwege hun geloof geen gebruik van deze waterbronnen. Later zou blijken dat er minder joden aan de pest stierven vanwege de joodse reinigingswetten. Toentertijd wist men nog niet dat pest onder andere werd veroorzaakt en verspreid door slechte hygiëne. Joden werden tijdens de pestperiode als zondebokken vermoord of verdreven. In 1349 werden in diverse IJsselsteden zoals Zutphen alsook in Arnhem, Nijmegen en Utrecht alle daar woonachtige joden levend verbrand.
Joden vielen in het Duitse Rijk rechtstreeks onder de Duitse keizer. Deze kon lager geplaatste hoogwaardigheidsbekleders het recht geven om joden onder hun hoede te nemen. Een hertog of graaf kon dan bijvoorbeeld een zakelijk beroep op de diensten van joden doen. Joden werden door deze grootgrondbezitters ingezet om belasting te innen, wat ze niet bepaald geliefd maakte bij de burgers. In de 15e eeuw ging de positie van joden er (weer) wat op vooruit. Er werden Jodenbrieven uitgegeven die joden in staat stelden zich (opnieuw) in het kredietwezen te begeven; de rentes die ze daarbij in rekening brachten konden oplopen tot over de veertig procent per jaar.
Al met al waren het tamelijk kleine aantallen joden die toentertijd in Nederland leefden. In tegenstelling tot in andere Europese landen, hoefden joden in Nederland niet in aparte (ommuurde) stadswijken, getto's, te wonen. Ook hoefden ze geen merkteken te dragen. Wel waren verreweg de meeste beroepen verboden voor joden, mochten Joden absoluut geen opmerkingen maken over het christendom en mochten ze alleen in eigen kring trouwen..
Nieuwe tijd Pas aan het einde van de 16de eeuw, kwamen er grotere groepen joden naar Nederland. De eerste groep, Sefardische Joden, was afkomstig uit Spanje en Portugal. Deze joden waren op de vlucht voor de inquisitie, die hen voor de keuze stelde: zich bekeren tot het katholicisme of vertrekken. Vele joden vertrokken naar Noord-Afrika of het Ottomaanse Rijk. Een kleinere groep trok naar het noorden, in aanvang vooral naar Antwerpen. Aan het begin van de 17e eeuw zochten ze ook een heenkomen in Holland. In 1604 had de Alkmaarse vroedschap als eerste stadsbestuur in Holland officieel ingestemd met de komst van joden, en wel door het vaststellen van een "jodenreglement": mits ze zich behoorlijk gedroegen, konden ze in alle vrijheid hun geloof beleven. Wel was het hen verboden te trouwen met christenen, of christenen te bekeren tot het jodendom. Soortgelijke verdraagzame reglementen werden ook door Haarlem (1605) en Rotterdam (1610) vastgesteld. Vanuit het streng calvinistische Amsterdam kwam hierop scherpe kritiek in de Staten van Holland. Johan van Oldenbarnevelt, de raadspensionaris, vroeg daarop aan Hugo de Groot, de pensionaris van Rotterdam en opsteller van het Rotterdamse jodenreglement, en aan Adriaan Pauw, afgevaardigde van Amsterdam en zoon van de rechtlijnige burgemeester Reinier Pauw, om tezamen een jodenreglement op te stellen voor heel Holland. Deze poging mislukte echter, waarop Amsterdam in 1616 een eigen reglement uitvaardigde. Hierin werd het in stilte belijden van de joodse godsdienst gedoogd, maar werd elke uiting van dat geloof verboden. Na enige tijd werd deze bepaling echter soepel gehandhaafd.W.J.M. van EYSINGA, De Groots Jodenreglement. Amsterdam, 1950
Met 10.000 joden had Amsterdam rond 1700 de grootste joodse gemeenschap in West-Europa. De Sefardische joden zijn tot op heden te herkennen aan achternamen zoals Pereira, Jessurun Lobo, Franco Mendez, Cardozo, del Castilho, Nunes, De Pinto, Texeira de Mattos of Vas Dias. Vele Sefardische joden waren al in goeden doen toen ze in Nederland terechtkwamen. Uit hun land van oorsprong -Portugal of Spanje- namen ze handelscontacten mee. Spanje en Portugal waren toen immers grote spelers op het wereldtoneel en ook sterk vertegenwoordigd in de handel. Sefarden financierden onder andere reizen van de Oost-Indische Compagnie en traden ook op als huisbankiers van de Oranjes. In de 18e eeuw speelden ze een belangrijke rol in het culturele leven. Ook in Nederland kwamen de Sefarden veelal in de handel terecht (een groot aantal beroepen was nog steeds verboden voor Joden). Sefarden hadden een belangrijk aandeel in de Hollandse Gouden Eeuw, een tijd waarin handelaren nog rijker en machtiger werden.
In de 17e eeuw woedde de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) bij onze oosterburen, tijdens die oorlog nam ook de vervolging van joden toe. Hoogduitse en Oost-Europese joden weken uit naar Nederland. Ze worden Asjkenazische joden genoemd en komen uit landen als Duitsland, Polen en Rusland. Aan hun achternamen is deze afstamming nog te zien, bijvoorbeeld Polak, Hamburger, Bremer, Moszkowicz en Van Praag. De Asjkenazische joden kozen later ook vaak namen van dieren of vruchten tot achternaam zoals: De Hond, De Haan, Schaap, Appel en Citroen. In tegenstelling tot veel Sefardische joden waren de Asjkenazische joden bepaald niet rijk, ze vonden hun werk op het platteland (als dagloner of turfsteker), in de ambulante handel of als slager, veehandelaar en kleine neringdoenden vooral op markten.
Beide groepen leefden jarenlang geïsoleerd van elkaar, en hadden in Amsterdam elk hun eigen synagoge.
Discriminatie Joden mochten in de overwegend protestantse Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden oorspronkelijk geen lid worden van een gilde en dus vrijwel geen enkel beroep uitoefenen. Sommigen zochten hun heil in het kredietwezen of de handel, verreweg de meesten probeerden echter als venter, marskramer of los-vaste arbeider wat te verdienen. De gilden verzetten zich in 1748 tegen de levendige straathandel. Handhaving van de strenge regels leverde rellen op en kritiek van de invloedrijke Isaac de Pinto.
Franse tijd Begin 1795 maakte een inval van het Franse leger een eind aan het bestaan van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Dit werd het begin van de Franse tijd. De Fransen namen de macht over van de regentenaristocratie en legden daarmee de basis voor de Bataafse Republiek en de eenheidsstaat zoals die er nu uitziet. Niet lang na de komst van de Fransen richtte een kleine groep Joden onder leiding van Mozes Asser in Amsterdam een patriottenclub op. Onder de naam Felix Libertate (Gelukkig door Vrijheid) hielden zij in een lokaal aan de Nes hun eerste openbare vergadering met de bedoeling zich actief in te zetten voor gelijke rechten voor alle Joodse burgers in Nederland. De tijd was rijp voor dit streven, omdat het nieuwe bewind met tal van gevestigde tradities wilde breken. Het was de tijd van de Verlichting, een tijd van nieuw elan. Om zich van aandacht verzekerd te weten, richtten de Libertate-leden zich onophoudelijk met rekesten tot de leden van de Nationale Vergadering.
De Nationale vergadering van de Bataafse Republiek (de toenmalige regering) stelde de Joden op 2 september 1796 volledig gelijk aan de leden van andere (religieuze) gezindten. Per die datum werd een besluit afgekondigd dat geen Jood zal worden uitgeslooten van eenige rechten of voordeelen die aan het Bataafsch Burgerregt verknocht zyn. Dat de Vergadering met het gelijkheidsideaal instemde was niet zo verwonderlijk tegen de achtergrond van het tijdens de Franse Revolutie gehanteerde adagium van 'Vrijheid, gelijkheid en broederschap'. In hetzelfde jaar (1796) werd de uitsluiting van Joden van het lidmaatschap van gilden ongedaan gemaakt. Met het aannemen van het decreet werd weliswaar een belangrijke stap gezet in het emancipatieproces van de Nederlandse Joden, maar voltooid was dat allerminst. Na 1796 drongen zij slechts langzaam door tot andere beroepen. De burgerlijke gelijkstelling was vooral van toepassing op mannen die het maatschappelijk al hadden gemaakt. Aan vrouwen, kleine zelfstandigen en zeker voor de grote massa van het zogenoemde lompenproletariaat gingen de positieve effecten van het inburgeringsdecreet voorbij. Voor de wet waren Joden nu weliswaar gelijk aan andere Nederlanders, maar in de praktijk was dat nog lang niet het geval. In Amsterdam, de enige West-Europese stad die voor de Franse Revolutie op geen enkele wijze de immigratie van Joden had beperkt, was de rechtsongelijkheid nog steeds sterk merkbaar. Zeker zestig procent van de Joden leefde geheel of gedeeltelijk van de bedeling. Het tij keerde, toen zich rond 1850, op de golven van de economische vooruitgang, een Joodse middenklasse profileerde. Een voorbeeld van deze ontwikkeling is de Joodse ondernemer Abraham Tuschinski.
De Franse koning Lodewijk Napoleon rekende de Joden tot de “Hollandse natie” en dus niet meer tot een aparte gemeenschap. De Joodse gemeenten bundelde hij door instelling van het Opperconsistorie (1808). Koning Willem I maakte van dit consistorie in 1814 de 'Hoofdcommissie tot de Zaken der Israëlieten'. Het consistorie werd later onderverdeeld in een apart Nederlands-Israëlitisch (voor de Asjkenazische Joden) en een Portugees-Israëlitisch kerkgenootschap (voor de Sefardische Joden). Hoewel er nog steeds een scheiding was tussen Asjkenazim en Sefarden waren de inkomensverschillen tussen beide groepen Joden afgenomen. Na de Gouden Eeuw waren de Sefarden armer geworden en de Asjkenazim iets rijker. In de 19e eeuw behoorden de meeste Joden tot de onderste tree van de economie. Sefardische en Asjkenazische Joden gingen meer met elkaar om en begonnen ook meer onderling te trouwen.
Achternamen Bij de invoering van de Burgerlijke Stand eiste Napoleon in 1811 dat ook Joden een achternaam zouden aannemen, waarbij het gebruik van namen van steden uit het beloofde land verboden werd. Bovendien werd gewerkt aan een nieuwe Bijbelvertaling, die zowel voor joden als christenen aanvaardbaar zou zijn. Het gebruik van het Jiddisch werd ontmoedigd om de emancipatie te bevorderen.
Iedereen was verder vrij om zelf een naam te bedenken en aan te nemen. De meeste in Nederland aangenomen Joodse achternamen zijn te verdelen in enkele categorieën: plaats van herkomst, patroniemen en beroep. Daarnaast kwamen de traditionele namen Cohen en Levi veel voor Voorbeelden van namen in deze categorieën zijn: