Het wereldkampioenschap wegrace seizoen 1978 was het 30e in de geschiedenis van het door de FIM georganiseerde wereldkampioenschap wegrace.
Algemeen FIM Het invullen van de kalender bleef problematisch, vooral nu de Formule 750 ook een officieel wereldkampioenschap was. De F-750 races van België en de Verenigde Staten vielen zelfs gelijk met de GP's van Tsjecho-Slowakije en Joegoslavië, waardoor Kenny Roberts, die hoog genoteerd stond in drie klassen, in elk geval één wereldtitel moest laten schieten. In januari 1978 werd bekend dat de FIM eindelijk een veiligheidscommissie zou gaan krijgen. Als sinds het begin van de jaren zeventig hadden coureurs van alles geprobeerd om veiligheid op de agenda van de FIM en organisatoren te krijgen, maar nu werd eindelijk een commissie in het leven geroepen die zou bestaan uit coureurs uit allerlei takken van motorsport, medici en technici. Een vergadering later in januari met een aantal coureurs, fabrikanten en organisatoren leverde een voorstel op om de GP's te beperken tot 125-, 250- en 500cc-wegraces en de zijspanklasse. De coureurs wilden graag het reduceren van het aantal tellende resultaten, zodat ze een aantal GP's konden laten schieten en uitvallen minder zware gevolgen zou hebben. Tijdens een vergadering in februari 1978 werd al gediscussieerd over het veranderen van het aantal klassen. De teneur was toen: behouden van de 50cc-klasse maar afschaffen van de Formule 750 en de 350cc-klasse. De Formule 750 motoren leken veel op de 500cc-motoren, waren ook niet echt sneller maar er waren wel grote problemen met de banden, die het vermogen niet aan konden. De 350cc-motoren leken erg veel op de 250cc-motoren en daar was de technische ontwikkeling niet mee gediend. Tijdens het najaarscongres werd besloten dat de Formule 750 en de 350 cc in 1979 voor het laatst zouden rijden. Voor wat het waard was, want de 350cc-klasse bleef tot en met 1982 bestaan. Na de Grand Prix des Nations kreeg de FIM te maken met een storm van protesten van de zijspancoureurs tegen de nieuwe BEO van Rolf Biland. Dit was feitelijk een auto zonder linker voorwiel: beide achterwielen zaten op één lijn en waren aangedreven en de bakkenist was nu passagier geworden. Hij kon rustig in zijn stoeltje het einde van de race afwachten. Binnen de bestaande reglementen kon de FIM echter niets doen. De combinatie had slechts twee sporen (het rechter achterwiel zat achter het voorwiel) en voldeed daarmee aan de eisen.
Merken/Teams Voor het derde jaar op rij was Bultaco niet klaar voor het begin van het seizoen. Het merk nam dan ook steeds meer hooi op haar vork: naast de 50- en 125cc-racers moesten Jan Thiel en Martin Mijwaart ook nog werken aan een serie 50cc-productieracers én nieuwe 250cc-racers. Harley-Davidson besteedde haar race-activiteiten uit aan een nieuw team, gesponsord door helmenfabrikant Nolan. Dat kreeg alle fabrieksracers en een aantal productieracers. Voor Walter Villa, die het helemaal niet meer zag zitten bij Harley-Davidson, betekende dit echter goed nieuws. Binnen het nieuwe team wilde hij wel met de Harley's blijven rijden. Zijn teamgenoot werd Claudio Lusuardi. In mei was de nieuwe Harley-Davidson RR 250 met roterende inlaten klaar, maar kort daarna werd bekend dat AMF-Harley-Davidson het contract met de voormalige Aermacchi-fabriek niet zou verlengen en de Italiaanse Harley-Davidson-vestiging zou worden verkocht. Walter Villa stapte daarna over op een MBA. Al begin 1978 werd bekend dat Honda terug zou komen in de wegraces. Giacomo Agostini bezocht de fabriek zelfs in de hoop op steun, maar Honda maakte bekend dat men in 1979 zou beginnen en men noemde Marco Lucchinelli als gegadigde. Het fabrieksteam van Kawasaki bestond in 1978 uit Mick Grant en Kork Ballington, maar ook Toni Mang kreeg via de Duitse importeur een fabrieks-Kawasaki KR 250 en een Kawasaki KR 350 en Gregg Hansford, zelf Kawasaki-dealer in Australië, kreeg de machines uit 1977 via de Australische importeur. Chefmonteur Giancarlo Bonaventura van het team van Morbidelli verdween eind 1977.Van Giancarlo Bonaventura werd nooit meer iets vernomen. Zijn auto werd teruggevonden op de Colle San Bartolo. Zelfs politie-onderzoek kon hem niet traceren. Het bracht Giancarlo Morbidelli enigszins in de problemen, want hij had constructeur Jorg Möller een jaar eerder de deur gewezen. Tegen het einde van het seizoen ontstond er onenigheid met coureur Mario Lega, die men niet goed genoeg scheen te vinden. Lega verklaarde daarop dat Morbidelli zijn machines dan maar aan iemand anders moest geven. Dat gebeurde ook: Jon Ekerold kreeg Morbidelli's én een aanbieding voor 1979 maar hij bedankte. Net als Mario Lega vond hij de machines vreselijk slecht. Motobécane trok zich al na één slecht verlopen seizoen terug uit de racerij, maar de twee oude fabrieksracers werden ter beschikking gesteld aan Thierry Espié. Die kon er in 1977 geen indruk mee maken, maar in 1978, nadat hij in de winter samen met zijn monteur aan de machines gesleuteld had, ging het juist zonder fabriekssteun veel beter. Jean Bidalot sleutelde dan ook aan de Motobécane, en Jean had in de 50cc-klasse ook al een goede machine, de "Association Bidalot Fourès" van Patrick Plisson. In de 50cc-klasse presenteerde het NGK-Sparta-team zich in 1978, met ex-wereldkampioen Henk van Kessel als rijder. Suzuki Britain (Texaco-Heron Suzuki) kromp haar 500cc-team in tot twee man. Na het ontslag van Steve Parrish bleven alleen Barry Sheene en Pat Hennen over. Via het Italiaanse Nava-Olio Fiat team van Roberto Gallina kreeg Steve Baker de oude fabrieks-Suzuki's van Barry Sheene, maar tijdens het seizoen kreeg hij ook de nieuwe RG 500 met getrapte cilinderblokken. Na het ongeval van Pat Hennen op het eiland Man kreeg Wil Hartog zijn machine en vanaf de Belgische GP kreeg ook Michel Rougerie, met het oog op het halen van de constructeurstitel, een fabrieks-Suzuki, de reservemotor van Barry Sheene. Aan het einde van het seizoen waren de verhoudingen ten opzichte van Sheene behoorlijk bekoeld; zijn monteurs weigerden in Finland zelfs een krukaslager te vervangen waardoor Sheene uitviel. De monteurs van Pat Hennen werkten daarentegen met veel plezier samen met Willy van Wanrooy, de monteur van Wil Hartog. Nu Herbert Rittberger gestopt was kreeg Eugenio Lazzarini de beschikking over diens Van Veen-Kreidler. Daarnaast werd Stefan Dörflinger semi-fabrieksrijder voor Van Veen om Lazzarini te ondersteunen. In tegenstelling tot Suzuki breidde Yamaha haar fabrieksteam juist uit, maar officieel was Johnny Cecotto de enige fabriekscoureur, Steve Baker werd vervangen door Kenny Roberts die door Yamaha USA van materiaal werd voorzien en Takazumi Katayama kreeg zijn machines via Yamaha Europa. Yamaha had voor de YZR 500 het nieuwe Yamaha Power Valve System ontwikkeld. Dat zou alleen gebruikt worden door Johnny Cecotto en fabriekstester Ikujiro Takai, maar bij de GP van Spanje bleek men ook aangepaste cilinders voor Takazumi Katayama en Kenny Roberts te hebben meegebracht. De drie verschillende teams leverden wel een probleem op: Toen Roberts na Silverstone voorzichtig polste of hij hulp van Katayama en Cecotto kon verwachten was dat niet mogelijk omdat beide andere coureurs bij andere teams hoorden en Yamaha niet durfde te bemiddelen.
Coureurs Rolf Biland oogstte veel kritiek toen hij met zijn revolutionaire "raceauto met drie wielen", de BEO 77 A op de circuits verscheen. Hij bewees het ongelijk van zijn tegenstanders ook enkele keren, want hij won de Grand Prix van Spanje én een internationale race in Mettet met de "normale", door Ernst Trachsel gebouwde TTM-Yamaha. Toch viel zelfs zijn eigen bakkenist Kenny Williams hem af. Er gingen al langer geruchten dat Wil Hartog voor de TT van Assen en de GP van België een "oude" fabrieks-Suzuki zou krijgen, maar door het zware ongeval van Pat Hennen tijdens de Isle of Man TT kwam nu een 1978'er Heron-Suzuki ter beschikking. Op voorspraak van Barry Sheene kreeg hij de machine ook in België, omdat Sheene de steun van Hennen moest ontberen. Hartog won de Belgische Grand Prix, niet geheel naar de zin van Sheene. Pat Hennen werd opgenomen in het fabrieksteam van Suzuki (Texaco-Heron Suzuki GB) en deed het beter dan zijn teamgenoot Barry Sheene, maar tijdens de Senior TT raakte hij ernstig gewond (schedelbreuk) bij een valpartij ter hoogte van Bishopscourt. Op het moment van het ongeval was hij op de baan in gevecht met Tom Herron, die echter 20 seconden later gestart was en dus eigenlijk een voorsprong op Hennen had. Herron probeerde met handsignalen te waarschuwen dat Hennen het rustiger aan moest doen, maar die verbrak zelfs het ronderecord, tot het bij Bishopscourt fout ging. Uiteindelijk lag Pat Hennen twee maanden in coma. Teuvo Länsivuori zou van het Life Team in 1977 omgerekend 25.000 gulden ontvangen, maar in werkelijkheid moest hij enkele duizenden guldens bijleggen. Hij begon het seizoen 1978 zonder machines omdat zijn persoonlijke sponsor, een van de gebroeders Castiglioni, nog geen motorfiets voor hem had. Het ging in 1978 erg slecht met de 125cc-Bultaco's en fabrieksrijder Ángel Nieto vroeg en kreeg na de TT van Assen toestemming om het seizoen met een Minarelli af te maken. Hij reed dan wel in dienst van Pier Paolo Bianchi. George O'Dell, wereldkampioen in de zijspanklasse in 1977, bestelde in 1978 ook een BEO-combinatie in Zwitserland, omdat dat de enige mogelijkheid zou zijn om Rolf Biland te verslaan. Zijn bakkenist Cliff Holland dreigde daarop zijn carrière te beëindigen, omdat hij niet als passagier in het stoeltje wilde gaan zitten. Het probleem loste zichzelf op een vervelende manier op: In mei raakte eerst Cliff Holland ernstig gewond tijdens een race op Brands Hatch en O'Dell crashte tijdens de trainingen voor de Sidecar TT waarbij hij een been brak. Steve Parrish werd in 1978 overtollig bij het Heron Suzuki GB-team en zocht naar een andere sponsor. Die vond hij in ex-Beatle George Harrison, een persoonlijke vriend van Barry Sheene. Kenny Roberts had vooral in het begin van het seizoen meer ellende dan plezier van zijn contract met bandenfabrikant Goodyear. Terwijl die nog zocht naar een bruikbare compound voor Roberts banden kostten ze hem overwinningen in de 200 mijl van Imola en de Grand Prix van Spanje. Barry Sheene presteerde in het begin van het seizoen ver onder de maat. Hij verklaarde dat door een virusinfectie die hij had opgelopen tijdens de Grand Prix van Venezuela. Franco Uncini kreeg van Harley Davidson een aanbod om een privéteam op te zetten met twee monteurs van de fabriek. Hij koos echter voor een contract met Venemotos, de Venezolaanse Yamaha-import van Andres Ippolito. Bij Venemotos was de plaats van de verongelukte Aldo Nannini vrijgekomen.
Races