Het wereldkampioenschap wegrace seizoen 1980 was het 32e in de geschiedenis van het door de FIM georganiseerde wereldkampioenschap wegrace.
FIM Op 5 januari tekenden 15 coureurs, waaronder Kenny Roberts, Barry Sheene, Virginio Ferrari, Franco Uncini, Graziano Rossi, Christian Sarron, Randy Mamola, Boet van Dulmen en Jack Middelburg, een contract voor de officiële oprichting van de Professional Riders Association. Daarmee verbonden ze zich aan Roberts en Barry Coleman en hun "World Series of Motorcycle Racing". Ze mochten niet meer deelnemen aan Grands Prix van de FIM op straffe van een boete van 100.000 dollar per evenement. Belangrijke "weigeraars" waren Johnny Cecotto en Wil Hartog, die wel in de WK-GP's wilden starten. Omdat er echter nog geen enkel contract met een circuit of een organisator was, werd de zaak een week later al genuanceerd: men mocht in FIM-races starten, behalve in de GP van Venezuela (hoge reiskosten), de GP van Duitsland (te gevaarlijk), de GP van België als die op het Circuit Spa-Francorchamps zou plaatsvinden (te glad asfalt), de GP van Zweden (te weinig publiek), de GP van Finland (te gevaarlijk en door het wegvallen van Zweden ook te hoge reiskosten) en de GP van Tsjecho-Slowakije (te gevaarlijk). De rijders die dat wilden mochten wel in hun thuis-Grand Prix starten. Overigens "vergat" Jan Muis, de manager van Boet van Dulmen en Jack Middelburg, de contracten naar Coleman terug te sturen. Dat bespaarde hen veel problemen toen de fabrieken zich achter de FIM schaarden en de PRA-coureurs hun "World Series" zonder motorfietsen moesten aanvangen. Intussen werd Wil Hartog, die een vergadering van de PRA kwaad verliet, door Roberts als "wegloper" bestempeld. Tijdens een vergadering tussen vertegenwoordigers van de PRA en de FIM nam de FIM-voorzitter Rodil del Valle een hard standpunt in. Hij droeg de nationale bonden op de banden met de World-Series-leden te verbreken, waardoor de coureurs nu definitief aan de FIM vastzaten. WS-rijders die met toestemming van de PRA aan lucratieve Grands Prix wilden deelnemen kregen geen FIM-startlicentie en konden daar dus niet starten. Wel leverde het gesprek een paar positieve zaken op: start- en prijzengelden werden drastisch verhoogd en de Belgische Grand Prix verhuisde naar het circuit van Zolder. De 350cc-klasse stond aan het einde van de jaren zeventig al ter discussie, maar de FIM had tijdens haar najaarscongres besloten de klasse voorlopig te behouden. Door het wegvallen van de GP van Venezuela en de GP van Oostenrijk en het schrappen van de klasse in de GP van Spanje en de GP van Finland bleven er in 1980 nog maar zes 350cc-races over.
Merken/teams Takazumi Katayama berichtte in zijn columns regelmatig over de testritten met de Honda NR 500. Honda had ook Mick Grant gecontracteerd voor het seizoen 1980, maar annuleerde in april alle boekingen (circuit en hotel) voor de tests op de Salzburgring, waarmee duidelijk was dat het merk zich een nieuwe afgang wilde besparen. Katayama en Grant waren tijdens trainingen geblesseerd geraakt en Grant was tijdens de Transatlantic Trophy een keer elfde en twee keer laatste geworden. Uiteindelijk bestelden Katayama (Suzuki RG 500), Grant (Suzuki RG 500) en derde testrijder Ron Haslam (Yamaha TZ 500) alle drie een productieracer voor het seizoen 1980. Ze verwachtten niet dat Honda in dat jaar nog aan de start zou komen. Honda bracht de NR 500 naar Finland, waar na de training twee motorblokken onbruikbaar waren en naar Silverstone, waar Katayama de race als vijftiende afsloot. Mike Krauser zette een groot raceteam op, met Toni Mang in de 250- en 350cc-klassen en Rolf Biland, Werner Schwärzel en Hermann Huber in de zijspanklasse. Aan de 250- en 350cc-machines hoefde Krauser niets te doen: Mang bracht ze onder zijn naam uit omdat hij onenigheid met Kawasaki had gekregen. Minarelli trok op verzoek van Ángel Nieto de Nederlandse constructeurs Jan Thiel en Martin Mijwaart aan, maar tot een wereldtitel leidde dat niet. Morbidelli bouwde een nieuwe 500cc-racer voor Graziano Rossi, maar de ontwikkeling duurde te lang en Rossi werd opgenomen in het Suzuki-fabrieksteam van Roberto Gallina, waar hij de plaats van Virginio Ferrari innam. Suzuki trad aan met nieuwe fabrieksrijders: Graziano Rossi en Marco Lucchinelli (Gallina-Suzuki), Randy Mamola en Graeme Crosby (Suzuki GB) en Wil Hartog (Riemersma-Suzuki). Na de tegenvallende resultaten in de eerste race in Italië kwamen Japanse monteurs over met andere krukaslagers en met drie nieuwe frames met monoshock achtervering. Ze waren bestemd voor Rossi, Mamola en Hartog. Het team van Van Veen kreeg halverwege het seizoen een probleem. Ricardo Tormo was door de Spaanse bond voor 60.000 gulden (ongeveer 28.000 Euro) ingekocht in het team, maar Stefan Dörflinger stond er in het kampioenschap veel beter voor. Die had echter stalorders om Tormo te helpen. Het was al snel duidelijk dat het Yamaha International Team van Kenny Roberts het meest professioneel was. Kenny had drie monteurs, geleid door Kel Carruthers en een "bandenman" van Goodyear die zich uitsluitend om hem hoefde te bekommeren. Bovendien maakte Goodyear speciale kwalificatiebanden, ook uitsluitend voor Kenny Roberts. Yamaha haalde zich in Silverstone de woede van veel privérijders op de hals, toen Barry Sheene, die nog niets had gepresteerd, een fabrieksmotor kreeg. Deze motor had net als die van Roberts elektronische powervalves. Toen het niet werkte kreeg hij ook nog een Harris-frame. Vooral Boet van Dulmen en Jack Middelburg begrepen er niets van. Middelburg had zelfs al een Grand Prix gewonnen. Bij het team van de Belgisch/Italiaanse sponsor Serge Zago ging het van kwaad tot erger. Nog voor aanvang van het seizoen vertrok Virginio Ferrari. Tijdens de GP des Nations legde de politie beslag op de motorfietsen van het team, waardoor vervanger Skip Aksland niet kon starten. Aksland brak in Spanje een knieschijf en besloot zijn carrière te beëindigen. Enige tijd later besloot ook de andere coureur, Richard Hubin, het team te verlaten.
Coureurs Kawasaki presenteerde in januari haar 500cc-racer, de KR 500, die zou worden ingezet door Kork Ballington. Ballington moest echter een darmoperatie ondergaan waardoor de testen vertraagd werden. Hij kon ook zijn 250- en 350cc-wereldtitels niet verdedigen. Gregg Hansford was op zijn minst ongelukkig met het handelen van Kenny Roberts. Toen het er nog op leek dat Roberts zijn "World Series" als concurrent van het wereldkampioenschap wilde doorzetten, werd hij door Yamaha benaderd om Roberts' plaats in te nemen. Uit solidariteit besloot Hansford dat niet te doen. In plaats daarvan tekende hij bij Kawasaki, om tenminste een inkomen te hebben. Dit contract bond hem echter aan races in Australië, terwijl Hansford veel liever in het WK was uitgekomen. Hij was dan ook woedend toen uitgerekend Kenny Roberts uiteindelijk bij Yamaha tekende en gewoon in het WK startte. Ook Randy Mamola haalde bakzeil. Hij had al contracten met Yamaha en Suzuki afgewezen om in de World Series te kunnen starten, maar toen dat in januari niet bleek te kunnen tekende hij alsnog een contract met Suzuki GB. Maurizio Massimiani kwam in de 500cc-klasse uit met een Yamaha TZ 500, maar wist geen enkel punt te scoren. Voor de laatste GP's huurde Minarelli hem in om te helpen de constructeurstitel in de 125cc-klasse zeker te stellen. Dat lukte: Massimiani scoorde een tweede en een vierde plaats en eindigde het wereldkampioenschap zelfs in de top tien. Zijspancoureur Alain Michel ging in zee met Helmut Fath, wiens nieuwe motor 30 kg lichter was dan die van een Yamaha TZ 500, maar na een aantal races schafte hij toch een Yamaha-motor aan. Voor Kenny Roberts eindigde het seizoen met een wereldtitel in de 500cc-klasse, maar het begon met bakzeil halen. Zijn "Professional Riders Association" en "World Series of Motorcycle Racing" waren door de FIM van tafel geveegd en hoewel hij had gezworen niet in Imatra en op de Nürburgring te rijden, dwongen Yamaha en Goodyear hem zich aan zijn contractuele verplichtingen te houden. Christian Sarron brak bij een val tijdens de training van de GP van Spanje zijn arm zodanig dat hij de rest van het seizoen niet meer kon racen. Hij werd bij het Sonauto-Yamaha-team vervangen door Raymond Roche. Hans Spaan debuteerde in 1980 bij het Van Veen-Kreidler-team in de TT van Assen, maar hij reed ook in België en Duitsland. Overleden Boy Brouwer, de bakkenist van Cees Smit, besloot na het uitvallen in de Joegoslavische GP te stoppen. Daar kwam hij op terug toen Egbert Streuer zijn hulp nodig had door een blessure van Johan van der Kaap. Uiteindelijk ging Brouwer zelf ook weer racen, maar hij verongelukte op 31 augustus tijdens een internationale race in Sint-Joris ten Distel. Olivier Chevallier verongelukte op 6 april tijdens de Moto Journal 200 op het Circuit Paul Ricard. Zijspancoureur Mal White verongelukte op 10 augustus tijdens de Britse Grand Prix Patrick Pons overleed op 12 augustus aan de gevolgen van een crash tijdens de Britse Grand Prix. Gestopt Skip Aksland brak tijdens de Spaanse GP een knieschijf en besloot zijn carrière te beëindigen. Voor Cees van Dongen, inmiddels 48 jaar oud, was de TT van Assen van 1980 een mooi moment om te stoppen met racen. Rolf Steinhausen crashte in de Belgische Grand Prix en besloot daarna zijn carrière te beëindigen, maar hij kwam daar later op terug en racete tot in 1989. Giampaolo Marchetti brak een been bij een verkeersongeval in Italië en kwam in Silverstone niet aan de start. Later bleek dat hij zijn carrière beëindigd had. Johnny Cecotto beëindigde na de Duitse Grand Prix zijn motorcarrière en in verder in de autosport. Na het dodelijke ongeval van zijn voormalige bakkenist Boy Brouwer besloot Cees Smit onmiddellijk te stoppen met zijspanracen. Eind september maakten na de internationale races in Schwanenstadt Harald Bartol en Max Wiener bekend te stoppen met racen. Races Venezuela, San Carlos Op 5 februari maakte de Venezolaanse bond FMV bekend dat de GP van Venezuela (gepland op 23 maart) niet door zou gaan wegens financiële problemen. Dit tot opluchting van velen: de organisatie was altijd slecht geweest, de temperaturen en de reiskosten hoog, terwijl er slechts ongeveer 5.000 toeschouwers waren. Zweden, Karlskoga Eind februari werd ook bekend dat de Zweedse GP zou worden afgelast wegens geldgebrek. Indirect bracht dat ook de GP van Finland in gevaar, omdat veel coureurs de reiskosten naar Scandinavië niet wilden maken voor slechts één Grand Prix. Oostenrijk, Salzburgring De Salzburgring was in het voorjaar van 1980 voor veel geld (bijna 500.000 gulden) verbeterd. Er was zelfs een deel van een bergwand afgegraven. Suzuki had het circuit voor maandag 21 april gehuurd voor tests maar toen begon de eerste sneeuw al te vallen en de tests konden niet doorgaan. In de rest van de week viel er steeds meer sneeuw en op vrijdag 25 april lag er een meter sneeuw op het circuit. Teams die de beslissing van de sportcommissie van de FIM niet wilden afwachten waren al naar huis, zij die dat wel gedaan hadden stonden ingesneeuwd in het rennerskwartier. Nations GP, Misano