Het wereldkampioenschap wegrace seizoen 1984 was het 36e in de geschiedenis van het door de FIM georganiseerde wereldkampioenschap wegrace.

Algemeen FIM Franco Uncini bleef rijdersvertegenwoordiger bij de FIM en ook Martin Wimmer werd door de coureurs als vertegenwoordiger gekozen. De FIM bepaalde tijdens haar voorjaarscongres dat bij onderbroken wedstrijden (dat gebeurde weleens bij plotselinge regen) alleen de totaaltijd zou tellen, niet de posities in de beide manches.

Merken/teams Vanaf het begin van het seizoen ging het moeizaam bij het Cagivateam, waar oud-wereldkampioen Marco Lucchinelli geen punten wist te scoren. Tijdens de Franse Grand Prix kreeg Hervé Moineau ook een Cagiva. Hij trainde vier seconden sneller dan Lucchinelli, die daarop het circuit zonder opgaaf van redenen verliet. Moineau scoorde tijdens de Joegoslavische Grand Prix zelfs een punt met de machine, terwijl Lucchinelli uitviel. Roberto Gallina kwam tijdens de Franse GP met nieuwe Suzuki's met een volledige stroomlijn die praktisch naadloos overging van neus tot kontje. Het monocoque frame was samen met Bimota ontwikkeld. De machine kreeg de typenaam TGA1 500, waarbij de "T" stond voor Massimo Tamburini, framebouwer bij Bimota. "GA" stond uiteraard voor "Gallina". Een succes werd het nog niet: Sergio Pellandini trainde ermee maar de machine trilde te veel en werd in de race niet ingezet. Garelli verwachtte nog tijdens dit seizoen met een 250cc-racer voor Ángel Nieto te komen. Nieto reed "om het gevoel te krijgen" voorlopig een enkele keer met een 250cc-Cobas-Rotax. Voor Eugenio Lazzarini betekende dit dat hij in de 125cc-klasse geen stalorders kreeg. Hij mocht vrij rijden, want na Nieto's overstap zou hij de belangrijkste 125cc-rijder worden. Lazzarini stopte echter aan het einde van het seizoen en werd de nieuwe teammanager van het 125cc-team, waardoor Jan Thiel de handen vrijhield voor het 250cc-project. Honda presenteerde begin 1984 haar nieuwe RS 250 R productieracer, waarvan dertig exemplaren gebouwd zouden worden, maar de machine verscheen voor het eerst tijdens de training van de Spaanse GP, waar hij werd bereden door Luis Miguel Reyes, Roland Freymond, Jean-Louis Guignabodet en Michel Siméon. Geen van drieën wist zich met de machine te kwalificeren voor de race. Ook verscheen de NSR 500 viercilinder, die alleen voor Freddie Spencer bestemd was. Aan het einde van het seizoen trokken donkere wolken over de privérijders in de 500cc-klasse, toen Honda bekendmaakte dat een aantal Honda NS 500-machines ter beschikking zouden komen van importeurs. Daardoor kwamen er zoveel snelle Honda's in het veld dat privérijders nauwelijks nog punten konden scoren. In de nieuwe 80cc-klasse gooide het team van HuVo-Casal hoge ogen. Constructeur Jorg Möller was al in 1983 bezig met de ontwikkeling van de nieuwe racers en manager Jan Huberts wist oud-wereldkampioen Pier Paolo Bianchi te contracteren. Hoewel de fabriek zich al jaren geleden had teruggetrokken presteerde Guy Bertin opmerkelijk goed met zijn 250cc-MBA. Men had in de winter toch een nieuw frame ontwikkeld, dat in eerste instantie aan Maurizio Vitali werd gegeven, maar vanaf de Oostenrijkse GP reed Bertin ermee. Het Sonauto-Yamaha-team had in 1984 alleen rijders in de 250cc-klasse, maar aan het einde van het seizoen maakte men bekend het 250cc-team op te heffen. Sonauto kreeg de beschikking over de nieuwe Yamaha OW 81 500cc-racer voor Christian Sarron en twee teams onderhouden was te duur. Suzuki leverde de nieuwe Suzuki Gamma VI alleen aan Gallina, dat Franco Uncini en Sergio Pellandini als rijders inzette. Bij het Britse Heronteam verdrong Rob McElnea Keith Heuwen, terwijl Barry Sheene ook weer in dienst kwam. Dit team kreeg echter de fabrieksracers van 1982 en 1983. Privérijders hadden intussen moeite een Suzuki-productieracer aan te schaffen, want er werden er niet meer dan tien gebouwd. De interesse was ook laag, want iedereen wilde met een Honda RS 500 R rijden. Zündapp had zich al in het seizoen 1983 terdege voorbereid op de nieuwe 80cc-klasse. Men had het Europees kampioenschap gedomineerd met Hubert Abold en Stefan Dörflinger was met de steun die hij van Herbert Rittberger kreeg favoriet. Eind 1984 werd bekend dat de Zündappfabriek failliet was. Mike Krauser kocht de hele raceafdeling voor ongeveer 113.000 Euro op.

Coureurs Rolf Biland kon in het begin van het seizoen maar moeilijk meekomen, vooral door technische problemen. Hij had zich gestort op Formule 2-autoraces en daarom minder tijd kunnen besteden aan het voorbereiden van zijn zijspancombinatie. Virginio Ferrari was opgenomen in het Marlboro-Yamahateam van Giacomo Agostini om steun te verlenen aan Eddie Lawson. Ferrari presteerde echter ondermaats en Lawson had niets aan hem. Het was dan ook ver voor het einde van het seizoen al duidelijk dat Ferrari in 1985 zou worden vervangen. Roland Freymond, die zo succesvol was geweest met Ad Maiora en MBA en al twee keer derde in het 250cc-WK was geworden, had een wel zeer teleurstellende seizoen: hij scoorde geen enkel punt in 1984, wellicht omdat hij zijn hoop gezet had op de nieuwe Honda RS 250 R, die nog niet racerijp bleek te zijn. Takazumi Katayama miste de eerste wedstrijden van het seizoen omdat hij nog steeds herstelde van de botbreuken die hij had opgelopen tijdens de GP van San Marino in september 1983. De inmiddels 37-jarige Henk van Kessel startte in slechts één 80cc-race: Hij werd door Jan Huberts gevraagd de HuVo-Casal van de geschorste Willem Heykoop te rijden tijdens de Spaanse Grand Prix. Hij werd tweede. Marco Lucchinelli stapte over op Cagiva, maar scoorde geen enkel punt doordat de machine steeds uitviel. Hij werd later in het seizoen bijgestaan door Hervé Moineau, die daar wel in slaagde. Lucchinelli verborg zijn teleurstelling niet en verscheen niet meer op de circuits. Randy Mamola was begin 1984 nog steeds op zoek naar motorfietsen, maar kwam uiteindelijk bij HRC, het fabrieksteam van Honda, terecht. Hij moest zich echter wel in dat team inkopen, maar kreeg daarna ook alle steun van de fabriek. Hij had toen al twee GP's gemist, wat hem later in het seizoen opbrak, toen hij de enige Hondarijder was die nog een theoretische kans op de wereldtitel had. Thierry Rapicault stopte tijdens de eerste trainingssesie op de Nürburgring in de pit, gaf zijn machine aan zijn monteurs en verdween in het rennerskwartier. Hij beëindigde zijn carrière onmiddellijk, volgens sommige bronnen omdat de angst op de motor al het hele seizoen sterker werd. Volgens anderen was de druk vanuit Sonauto en ook de sfeer binnen het team de reden. In elk geval bedacht Rapicault zich al snel. Hij kocht een productie-Yamaha en startte in Frankrijk alweer. Alan Carter en Wayne Rainey reden in de 250cc-klasse voor het team van Kenny Roberts. Roberts verleende aanvankelijk alleen zijn naam aan het team. De dagelijkse leiding was in handen van Paul Butler. Kenny Roberts was weliswaar gestopt met WK-races, maar nog lang niet met pensioen. Gedurende het seizoen reed hij zelfs rondjes voor zijn protegés Rainey en Carter uit om hen de ideale lijnen te leren, hij veranderde Carters zitpositie en testte Dunlopbanden voor Eddie Lawson. Hij ontwikkelde een frame voor de Yamaha TZ 250 van Rainey en won de internationale wegrace in Laguna Seca met de machine waarmee Tadahiko Taira in de TT van Assen en de Grand Prix van België gestart was. Raymond Roche begon het seizoen als privérijder, maar hij kreeg al vlug materiaal van HRC; soms alleen een Honda NS 500-blok, soms een complete machine. Daarmee maakte hij de fabrieksrijders het leven zuur, maar aan het einde van het seizoen, toen Honda bekendmaakte dat in 1985 alleen Freddie Spencer een fabrieksracer zou krijgen, tekende hij een contract met Marlboro-Yamaha. Freddie Spencer had een seizoen met veel tegenslag. Nadat hij de snelste trainingstijd had gereden in de GP van Zuid-Afrika raakte hij geblesseerd nadat de spaken uit zijn carbonfiber achterwiel braken. Tijdens de onbelangrijke Transatlantic Trophy viel hij tijdens de vijfde race terwijl hij een grote voorsprong had en raakte hij opnieuw geblesseerd. Ricardo Tormo raakte in mei tamelijk ernstig gewond bij een testrit met zijn 80cc-Derbi. Hij botste in de buurt van de fabriek met 170 km/uur op een auto. Hij liep een slagaderlijke bloeding op en moest worden geopereerd aan een van zijn benen dat verschillende fracturen had. Overleden Op 3 april overleed Jack Middelburg nadat hij op 1 april zwaargewond was geraakt tijdens een kampioensrace in Tolbert. Op zaterdag 7 juli kreeg Kevin Wrettom een ernstig ongeval tijdens de kwalificatietraining van de Grand Prix van België. Hij overleed op donderdag 12 juli in het ziekenhuis van Luik. Gestopt Philippe Coulon kon geen productieracer voor de 500cc-klasse bemachtigen en beëindigde zijn carrière. Hij werd public relations medewerker bij Honda. Hervé Guilleux had na het seizoen 1983 zijn 250cc-Kawasaki's bij de Franse importeur moeten inleveren. Hij hoopte nog op een contract met Gallina of de aankoop van de 1983-Chevallier-Yamaha's, maar moest uiteindelijk zijn carrière beëindigen. Ricardo Tormo had tijdens een training op een industrieterrein een aanrijding met een auto, waarbij hij zijn been verbrijzelde. Dit betekende het einde van zijn carrière. In het rennerskwartier in België hing er een bordje "For sale" op de Honda van Chris Guy. Hij moest stoppen omdat hij de dure onderdelen niet meer kon betalen. Tegen het einde van het seizoen maakte Eugenio Lazzarini bekend dat hij met racen zou stoppen. Hij wilde wel betrokken blijven bij de motorsport, binnen het team van Garelli of met een eigen team. Hans Müller maakte tijdens de Grand Prix van San Marino bekend dat hij zou gaan stoppen. Barry Sheene onderhandelde eind 1984 nog met Cagiva, maar uiteindelijk beëindigde hij zijn carrière als coureur, want Cagiva maakte al in november bekend voorlopig te stoppen met racen. George Looijesteijn besloot in december met racen te stoppen.

Ontwikkelingen Halverwege de jaren tachtig begon men steeds meer te experimenteren met monocoqueframes en honingraatconstructies. Bekende typen waren het Britse Heron Project 500 en de Italiaanse Suzuki TGA1 500 van Roberto Gallina. Daarnaast waren er veel koolstofvezelconstructies, waarmee bijvoorbeeld Louis Christen zijspanframes én de monocoques voor de 80cc-Zündappracers bouwde. Carbonfiberconstructies werden steeds belangrijker. In 1984 gebruikte Honda al carbonfiber wielen, maar ook remschijven, om te beginnen alleen in het achterwiel. Michelin ontwikkelde in 1984 radiaalbanden, die door het fabrieksteam van Honda – voorlopig alleen als achterband – werden ingezet. Vooral in de 500cc-klasse begonnen de hoge kosten een rol te spelen voor de privérijders. Yamaha leverde al jaren geen 500cc-productieracers meer, de ontwikkeling bij Suzuki stond stil en om punten te scoren was men aangewezen op de peperdure Honda RS 500 R productieracer. Sponsoring werd dan ook steeds belangrijker: zelfs de fabrieksteams (met uitzondering van Honda) vielen terug op sponsoring van tabaksfirma's en de betere privérijders hadden nu ook grote bedrijven als sponsor nodig. Races Zuid-Afrika, Kyalami Vanwege de hoge reiskosten reden in Zuid-Afrika slechts twee klassen, de 250 cc en de 500 cc. Bovendien was de reis onbetaalbaar voor veel privérijders, die al veel geld hadden moeten betalen voor hun Honda RS 500 R-productieracers, waardoor in de 500cc-klasse slechts 19 rijders hadden ingeschreven. In de 250cc-klasse waren echter vijftig inschrijvingen, waaronder een groot aantal Zuid-Afrikanen. Daarom moest er flink gewerkt worden in de trainingen, want er mochten slechts 40 coureurs starten. Na een lange periode van droogte in Zuid-Afrika kwam er eindelijk regen tijdens de laatste trainingen en de races. Nations Grand Prix, Misano