Het wereldkampioenschap wegrace seizoen 1969 was het 21e in de geschiedenis van het door de FIM georganiseerde wereldkampioenschap wegrace.

Algemeen FIM De FIM bepaalde dat organisatoren in 1969 minstens vijf klassen in hun programma moesten opnemen. Bij de Ulster Grand Prix had men in 1959 de zijspanklasse geschrapt vanwege de hoge startgeldkosten, maar die kwam in 1969 terug. De 125cc-klasse werd daarentegen geschrapt en vervangen door de 50cc-klasse. Die was niet zo populair, maar men verwachtte er meer spanning dan in de 125cc-klasse. Vooral de 50cc- en de zijspanklasse profiteerden van de nieuwe regel: de 50cc kreeg tien races en de zijspanklasse zeven.

Er kwam een nieuwe WK-race bij: De Grand Prix van Adriatische Zee (Joegoslavië) kreeg WK-status en sloot het seizoen af. Er kwam ook een nieuwe puntentelling, waardoor van nu af aan de eerste 10 finishers punten kregen. Hoewel de FIM in eerste instantie had aangegeven dat er vóór 1970 geen technische wijzigingen zouden komen, werd in de winter van 1968-1969 toch een ander besluit genomen, rijkelijk laat voor producenten die al volop bezig waren met de ontwikkeling van hun motoren: Vanaf 1969 mochten de 50cc-racers nog maar één cilinder hebben en de 125cc-racers maximaal twee. Tijdens de TT van Man kwam de 50cc-klasse te vervallen, maar daar stond tegenover dat ze tijdens de Ulster Grand Prix voor het eerst wél aan de start kwam.

Op 22 juli 1969 werd het verbod tot het hijsen van de Vlag van de Duitse Democratische Republiek opgeheven door de regering van Willy Brandt. Dat had behalve politieke gevolgen ook sportieve, want nu konden de Oost-Duitse sporters eindelijk onder hun eigen nationaliteit genoemd worden. Ze hadden zich om die reden al teruggetrokken uit de Grand Prix van Duitsland en de tweedaagse van Bergamo.

De Italianen verplaatsten hun GP van Monza naar Imola, maar ze kregen daar pas eind juli toestemming voor van de FIM, terwijl de race al op 7 september plaatsvond.

Na het FIM-congres in oktober was er meer duidelijk over de veranderingen in de reglementen. In 1970 mochten zowel de 125- als de 250cc-machines niet meer dan twee cilinders en zes versnellingen hebben. Dat betekende het einde van de Benelli-viercilinders maar ook van de Moto Villa viercilindertweetakt, die nog niet eens uit het prototype-stadium was gekomen. Benelli had zelfs aangekondigd te gaan werken aan een 250cc-zescilinder, maar die was uiteraard ook niet meer nodig. Beide teams restte alleen hun duur ontwikkelde machines te vergroten tot 350 cc, maar de gebroeders Villa deden dat niet. Hun machine zou niet verder komen dan ca. 300 cc.

Merken/teams Benelli begon het seizoen met Renzo Pasolini. Toen hij geblesseerd raakte zette men in de Italiaanse kampioenschapsrace in San Remo-Ospedaletti Walter Villa, Eugenio Lazzarini en Roberto Gallina op de Benelli 250 4C. Villa bleef in die race Angelo Bergamonti voor en verzekerde daardoor Pasolini van de titel. Pasolini kon echter niet starten in de TT van Man, waar de Benelli's aan Kel Carruthers en Phil Read werden gegeven. Read viel uit, maar Carruthers won de race, kreeg een fabriekscontract en werd uiteindelijk wereldkampioen 250 cc.

Begin januari 1969 maakte Yamaha bekend te zullen stoppen met wegraces. Daarmee haakte de laatste Japanse fabrikant af, want ook Kawasaki, dat zich beperkt had tot steun aan Dave Simmonds in de 125cc-klasse, was gestopt. Phil Read en Bill Ivy kregen de nieuwe 250- en 350cc-productieracers van Yamaha (TD 2 en TR 2) aangeboden.

Een bijzondere verschijning was de 125cc-zelfbouwracer van de Oostenrijker Heinz Kriwanek. Het buisframe had platgeslagen delen waar het gelast was, slechts vijf versnellingen en maar één achterschokdemper. Er zat een vrijwel standaard Rotax-tweetaktmotortje in. Kriwanek haalde er opmerkelijke resultaten mee: Derde in Duitsland en tweede in de DDR. In het WK eindigde hij als vijfde. Zijn machine bleek ook de lichtste van het hele veld met slechts 70 kg.

Colin Seeley was in 1967 de reddende engel voor de Norton-coureurs geweest, toen hij de productierechten voor de Norton Manx-modellen overnam van Associated Motor Cycles. In september 1969 verkocht hij ze aan John Tickle, want hij wilde zich concentreren op de Seeley-racers, die allemaal voorzien waren van Matchless G50 en AJS 7R-eencilinderblokken. In feite waren deze motoren op de cilinderinhoud na identiek.

Bij een nationale race in Oost-Duitsland in het najaar zette MZ een watergekoelde V-twin in, die echter met een vastloper uitviel. Dit zou de nieuwe machine voor 1970 moeten zijn, en de enige die tegenstand moest kunnen bieden tegen de Kawasaki van Dave Simmonds.

Coureurs Na de TT van Assen maakte Benelli bekend dat de 350cc-viercilinder op stal zou blijven en dat Kel Carruthers een fabriekscontract kreeg. Carruthers had in de Isle of Man TT de geblesseerde Renzo Pasolini vervangen en in Assen samen met Pasolini gereden. Na de dood van Bill Ivy tijdens de Grand Prix van de DDR werd Jack Findlay, die in Parijs woonde en onder Franse licentie reed, aangetrokken als vervanger door het team van Jawa. In oktober 1969 maakte Jack Findlay al bekend dat hij genoeg had van de problemen met de LinTo die hij in de 500cc-klasse had gebruikt en over zou stappen op een Seeley G50. In november 1969 tekende Silvio Grassetti al een contract met Jawa voor de 350cc-klasse van het seizoen 1970. Hij was vrij om in andere klassen met andere merken te starten. Omdat hij de enige fabrieksrijder voor Jawa zou zijn betekende dat het einde van een jarenlange samenwerking van dit merk met František Šťastný. Toen Yamaha besloot te stoppen wilde Bill Ivy dat aanvankelijk ook doen. Hij wilde beat-artikelen gaan verkopen (hij werd door zijn kapsel al jarenlang "Beatle" genoemd), kocht toen een Formule 2 auto, maar in mei 1969 had hij al twee raceauto's totall loss gereden. Hij was toen al gaan rijden met de nieuwe Jawa 350 cc V4. Een vastloper met deze motor kostte hem uiteindelijk zijn leven. Börje Jansson en Gilberto Parlotti debuteerden tijdens de Grand Prix van Spanje. Eugenio Lazzarini debuteerde tijdens de Grand Prix van Frankrijk. Chas Mortimer debuteerde tijdens de TT van Man. Phil Read was er aan het begin van het seizoen van overtuigd dat hij vier wedstrijden tijdens de TT van Man zou winnen. Vooral in de 500cc-klasse leek dat moeilijk, want hij zou Giacomo Agostini met de MV Agusta 500 3C moeten verslaan. Dat zou moeten gebeuren met de geheimzinnige Weslake "Worldbeater". Die kwam echter nooit aan de start: Read startte niet eens in de Senior TT en viel in de andere klassen uit. In december 1969 werd bekend dat het Van Veen-Kreidler-team uit elkaar zou vallen. Aalt Toersen bood zijn ontslag aan (hij was werknemer bij Van Veen) en hetzelfde deed Jan Smit, die man die de racers prepareerde. John Williams debuteerde tijdens de TT van Assen. Peter Williams kreeg in juli een baan als hoofd van de race-afdeling van Norton-Villiers in de nieuwe fabriek in Andover. Die functie had zijn vader in de oude fabriek ook al had bekleed. Gestopt Hans Georg Anscheidt beëindigde zijn carrière. Zijn 125cc-tweecilinder Suzuki droeg hij over aan de Nederlander Henk Viscaal, die Cees van Dongen als coureur aantrok. Een tweede machine van Anscheidt ging naar Dieter Braun en er werd ook nog een Suzuki RT 67 aan de gebroeders Villa verkocht. In augustus 1969 gaven drie zijspantoppers te kennen dat ze wilden stoppen met races: Helmut Fath, Klaus Enders en Georg Auerbacher. Fath was toen door een ongeluk in een Finse internationale race al voor de rest van het seizoen uitgeschakeld. Alle drie vonden ze de kosten te hoog worden, temeer omdat de startgelden steeds lager werden. Enders had zijn zijspancombinatie al doorverkocht en die van Auerbacher stond te koop. Uiteindelijk kwamen Enders en Auerbacher in 1970 gewoon weer aan de start en ze werden zelfs eerste en tweede. Helmut Fath werd door de nieuwe compagnon van Friedl Münch, een zekere Bell, uitgenodigd om te gaan samenwerken. Bell wilde Münch-URS-racers gaan maken met de URS-viercilinders, zowel voor de 500cc-klasse als de zijspanklasse. Begin 1969 maakte Mike Hailwood bekend definitief te stoppen met motorracen. Hij reed nog wel een aantal internationale wedstrijden, onder andere in de lucratieve Italiaans voorjaarscompetitie. Otto Kölle had zijn carrière beëindigd nadat zijn bakkenist Rolf Schmid verongelukt was. František Šťastný beëndigde zijn WK-carrière na het seizoen. Hij kreeg als dank voor jaren trouwe dienst een 250- en een 350cc-productieracer van Jawa.

Overleden miniatuur|200px|Bill Ivy Op 6 juni verongelukte Arthur Lavington tijdens de training voor de Isle of Man TT met een 350cc-Velocette bij Alpine Cottage. Op 12 juli verongelukte Bill Ivy tijdens de training van de Oost-Duitse Grand Prix op de Sachsenring. Op 20 juli verongelukte František Boček tijdens de Grand Prix van Tsjecho-Slowakije met een Jawa op de Masaryk-Ring. Op 31 augustus verongelukte Rudolf Kühnemund, de bakkenist van Franz Linnarz, na afloop van het WK-seizoen bij de Bergrennen Ollon-Villars in Zwitserland.

Races De Isle of Man TT werd bijna altijd geplaagd door regen, windstoten en vooral mist. In 1969 niet: het was zomers, bijna tropisch warm en dat veroorzaakte een ander probleem: uiteraard koelproblemen voor sommige motorfietsen maar vooral vliegen. Men leed onder een heuse vliegenplaag.

Graaf Domenico Agusta was het niet eens met de beslissing de Italiaanse Grand Prix van Monza naar Imola te verhuizen en daarom liet hij tijdens die race de 350- en 500cc-driecilinders op stal staan. Hij ontnam daarmee ook de Italiaanse fans hun kersverse dubbelkampioen Giacomo Agostini in actie te zien.

Puntentelling In 1969 kwam er een nieuwe puntentelling. Nu kregen de eerste tien finishers punten.  1e   2e   3e   4e   5e   6e   7e   8e   9e   10e Punten:1512108654321Aantal (tellende) wedstrijden  50 cc 125 cc 250 cc 350 cc 500 cc ZijspanAantal races:10111210127Tellend: 667674

500cc-klasse In de 500cc-klasse was er in 1969 maar één mogelijke winnaar: Giacomo Agostini was de enige die een echt snelle fabrieksmachine had. Hij haalde meer punten dan de nummers 2, 3 en 4 samen. Interessant was de aflossing van de inmiddels toch wel redelijk verouderde eencilinders van Norton en Matchless. Enerzijds waren er tuners die uit alle macht probeerden deze machines op een redelijk niveau te houden, anderzijds waren er nieuwe, experimentele machines die niet van de fabrieken kwamen maar uit privé-initiatieven stamden, zoals de Métisse-URS viercilinder, de Paton van Giuseppe Pattoni en Lino Tonti en de LinTo van Lino Tonti en Giorgio Premoli. En dan waren er nog een aantal "onechte" 500cc-racers; opgeboorde 350cc-machines van bijvoorbeeld Aermacchi en Bultaco en niet te vergeten de Russische Vostoks en de Triumph van Percy Tait. Dat was zowaar een fabrieksmachine die was ontwikkeld voor de Daytona 200. Terry Dennehy kwam aan de start met een Drixl-Honda, maar dat was een opgeboorde Honda CB 450. GP van Spanje, Jarama In Spanje maakte Giacomo Agostini het nog even spannend door een zeer slechte start. Angelo Bergamonti was met de Paton al bijna uit zicht toen de MV Agusta eindelijk aansloeg. Bergamonti werd opgejaagd door Kel Carruthers met een tot 382 cc opgeboorde Aermacchi Ala d'Oro 350, tot die van de baan gleed. Door zijn val viel ook Agostini, die hem juist wilde inhalen, maar die kon zijn race weer vervolgen en reed ongeveer drie seconden per ronden sneller dan Bergamonti. Uiteindelijk had Ago aan de finish al meer dan een halve minuut voorsprong, terwijl Bergamonti nog net zijn tweede plaats kon vasthouden vóór Ginger Molloy (Bultaco). GP van Duitsland, Hockenheim Net als in de 350cc-race verbeterde Agostini in Duitsland ook in de 500cc-race het ronderecord. Hij won zonder tegenstand. Karl Hoppe werd met zijn Métisse-URS tweede, maar had al meer dan een ronde achterstand. Derde man Jack Findlay (LinTo) had zelfs twee ronden achterstand. GP van Frankrijk, Le Mans