Het wereldkampioenschap wegrace seizoen 1970 was het 22e in de geschiedenis van het door de FIM georganiseerde wereldkampioenschap wegrace.
Algemeen FIM Na de beperkingen die in 1969 al voor andere klassen ingevoerd waren, werden in 1970 ook nieuwe regels gesteld voor de 125- en de 250cc-klasse. Er mochten nog maar twee cilinders aan boord zijn en voor alle klassen werd het maximale aantal versnellingen op zes gesteld.
Na een eenmalige wijziging in 1969 werden de GP van Spanje en de GP des Nations weer op hun "oude" circuits gereden. In Spanje ging men terug van Jarama naar Montjuïc Park, wat logisch was omdat Jarama slechts een eenmalige goedkeuring had gekregen. In Italië ging de GP weer van Imola naar Monza, wat minder logisch was want Imola was goed bevallen en er was veel kritiek op de slechte staat van het asfalt in Monza. Feit was dat graaf Domenico Agusta een privéloge in Monza bezat en in 1969 had geweigerd zijn machines in Imola aan de start te brengen.
Tijdens het FIM-congres in oktober 1970 kreeg de organisatie van de Isle of Man TT de opdracht het circuit én de races veiliger te maken. In 1970 waren tijdens de TT zes doden gevallen en tijdens de Manx Grand Prix één. Verder werd besloten het aantal Grand Prixs terug te brengen naar twaalf. Omdat er meer gegadigden waren, zou een toerbeurtsysteem worden opgezet, die de bestaande, oudere GP's niet zou treffen. Voor de machines van 1971 werden geen nieuwe regels opgesteld, maar het minimale gewicht van de coureurs werd teruggebracht van 60 naar 50 kg. Dat was prettig voor de vederlichte 50cc-rijders, zoals Ángel Nieto (52 kg) en Aalt Toersen (54 kg), die nu geen ballast meer hoefden mee te nemen. Er werd al gesproken over het instellen van de productieklasse, gebaseerd op de Britse reglementen (zoals bij de Production TT's), die vergeleken zouden worden met die van de AMA.
Merken/teams Al in het begin van het jaar gingen er geruchten over nieuwe Italiaanse 500cc-racers. Allereerst een MV Agusta zescilinder, maar MV Agusta had al in 1957 met zescilinders geëxperimenteerd en die machine verscheen dan ook niet op de circuits. Nog spectaculairder was het bericht over een achtcilinder van Benelli, die weliswaar ontwikkeld werd maar alleen zou worden ingezet als de 500cc-viercilinder zou tegenvallen. Van deze machine werden in elk geval aan de Italiaanse journalist Carlo Perelli een aantal gietstukken getoond. CZ meldde dat men met een 500cc-versie van de CZ 350 cc V4 zou komen. Toen in maart 1970 het bericht kwam dat de FIM in de toekomst ook beperkingen aan de 500cc-klasse zou gaan opleggen waren de (eventuele) projecten van MV Agusta en Benelli in elk geval zinloos geworden.
Kawasaki zette de nieuwe driecilinder H 1 R in races in. In de Daytona 200 ging dat best goed, want daar waren tankstops normaal. In de 500cc-klasse speelden de kleine tank en het flinke brandstofverbruik de coureurs parten, want regelmatig moesten ongeplande tankstops gemaakt worden.
In februari 1970 werd bekend dat Cees van Dongen op een "zelfbouw" 125cc-Yamaha-tweecilinder zou gaan rijden. De motor zou in een frame gehangen worden dat van Dongen voor een 125cc-Bridgestone had gemaakt. Het blok kwam uit Japan, want van Dongen zou op "zeer geheime tuninggegevens" van de fabriek wachten. Het zou hierbij om twee typen kunnen gaan: de "oude" fabrieksracer Yamaha RA 97 die al in 1966 buiten dienst was gesteld, maar meer waarschijnlijk was het prototype YZ 623, dat al in 1969 aan het Riemersma-Motorpaleis Racing Team ter beschikking was gesteld. Van Dongen maakte deel uit van dat team. In 1969 was een dergelijke machine alleen ingezet door Lous van Rijswijk junior in de TT van Assen.
In Monza had MV Agusta een nieuwe, tweede rijder gecontracteerd: Angelo Bergamonti.
Coureurs Santiago Herrero ging in de tweede week van januari naar de Triumph-fabriek, waar hij een Triumph Trident leende om de Snaefell Mountain Course op het eiland Man nog eens te verkennen. Hij had daar in 1968 en 1969 al gereden maar wilde zich optimaal voorbereiden voor de Lightweight 250 cc TT van 1970.
Zoals gebruikelijk begon eind 1970 de geruchtenstroom over het komende seizoen. Er werd gesproken over een overstap van Renzo Pasolini naar het team van Jawa. Pasolini had in 1970 al op gespannen voet geleefd met zijn werkgever Benelli en kreeg geen nieuw contract. Ook werd bekend dat Aalt Toersen fabrieksrijder voor Jamathi zou blijven, maar in de 125cc-klasse op een Maico zou starten. Silvio Grassetti kreeg een fabriekscontract bij MZ. Giacomo Agostini verlengde in december zijn contract met MV Agusta, maar ook Angelo Bergamonti kreeg een tweejarig contract. Monteur Ferry Brouwer kreeg meer werk van zijn baas Phil Read: in 1971 zou hij ook zorg moeten dragen voor de 350cc-Yamaha, die in 1970 door Ron Herring was getuned. Read was niet tevreden over het werk van Herring en verbrak ook het sponsorcontract met diens baas, Joe Henderson.
Races De organisatie van de Grand Prix van Duitsland haalde zich de woede van de coureurs op de hals. Deze race werd gereden op de (toen nog) 22 km lange Nordschleife in het kader van de Eifelrennen. Tijdens de Eifelrennen werd zowel met auto's als met motorfietsen geracet. De motorcoureurs kregen slechts 1½ uur de tijd om de baan (zonder tijdwaarneming) te verkennen en daarna drie kwartier om te kwalificeren. Het was koud, mistig en nat en doordat er tussen de motorraces door ook nog trainingen en wedstrijden van de Formule 2 auto's plaatsvonden werd de baan nog eens extra glad. Bovendien kregen de autocoureurs 3½ uur trainingstijd. Daar kwam nog bij dat de organisatie willekeurig startbewijzen uitdeelde. Beginnende maar goede coureurs kregen nauwelijks kans om te starten (en daardoor startgeld te verdienen), terwijl onbekwame Duitse rijders wel mochten starten. De Nederlander Theo Louwes ging al voor de races kwaad naar huis omdat hij alleen in de 500cc-klasse mocht starten. De vangrails, die voor de auto's noodzakelijk waren, waren voor motorrijders levensgevaarlijk. Al tijdens de trainingen schoot Rob Fitton onder de vangrail, waarbij hij een schedelbasisfractuur opliep en een been werd afgerukt. Fitton overleed nog dezelfde dag in het ziekenhuis. De meeste motorcoureurs besloten onder deze omstandigheden de races niet al te serieus te nemen en vooral voorzichtigheid te betrachten. De Duitse coureurs konden met hun circuitkennis en hun motivatie in hun thuisrace beter uit de voeten, maar dat gold ook voor een aantal coureurs dat al weken rond de Nürburgring gekampeerd had. Er gebeurden veel ongelukken en na de races lagen er diverse zwaargewonde coureurs in het ziekenhuis van Adenau. Giacomo Agostini leidde de protesten bij de FIM en dreigde zelfs met een proces.
De Isle of Man TT van 1970 eiste zes levens, waaronder die van Brian Steenson en Santiago Herrero, maar de coureurs reden daar in het algemeen juist graag, waardoor ze (nog) niet in opstand kwamen.
De organisatie van de TT van Assen nodigde zelf een aantal coureurs, waaronder Phil Read, uit het circuit te keuren en eventueel tips ter verbetering te geven.
Eigenlijk verwaterde de woede van de coureurs gedurende 1970 weer een beetje, tot de GP van de DDR. Die trok 250.000 betalende bezoekers, zelfs de trainingsdagen waren drukker bezocht dan alle andere GP's tijdens wedstrijddagen. Desondanks kregen coureurs slechts omgerekend 160- tot 240 gulden voor een start in twee klassen. Ze kregen dit pas ter plaatse te horen, zodat ze wel moesten rijden. De coureurs staken de koppen opnieuw bij elkaar en stelden startgeldtabellen vast voor de komende races. Daarin werd rekening gehouden met toeschouwersaantallen, zodat slecht bezochte races niet te veel hoefden te betalen.
In Tsjecho-Slowakije had men de 500cc-klasse laten vervallen om plaats te maken voor de zijspanklasse. Hier werd de organisatie meteen geconfronteerd met de startgeldeisen van de rijders. Er werd pas getraind toen ze verhoogd waren. Aanvankelijk zouden de coureurs slechts 260 tot 340 gulden startgeld krijgen. De toestand van het circuit was ook slecht, terwijl daar twee jaar eerder al klachten over waren neergelegd. Het asfalt was bij regen veel te glad, maar gelukkig konden de wedstrijden in droog weer verreden worden. Tijdens de training was bakkenist Wolfgang Kalauch gewond geraakt toen hij uit het zijspan van Klaus Enders was gevallen en een trottoirband had geraakt.
De organisatie van de Ulster Grand Prix laveerde tussen de problemen door. Die bestonden enerzijds uit de onlusten in het nabijgelegen Belfast in 1970, anderzijds uit de slechte weersomstandigheden. Tijdens de Grand Prix was het grotendeels droog, maar tijdens de laatste race begon een bui die 24 uur zou aanhouden. Rond het circuit werd 60 mm water gemeten, in Belfast stond plaatselijk 150 mm water en een brug in een toegangsweg van het circuit spoelde weg.
Overleden/gestopt miniatuur|"Santi" Herrero was de enige die in de 250cc-klasse de Yamaha's kon bedreigen met zijn Ossa. Hij ging als WK-leider naar het eiland Man, maar werd een van de drie slachtoffers van de Isle of Man TT van 1970 Overleden Op 2 mei verongelukte Rob Fitton tijdens de trainingen voor de Grand Prix van Duitsland op de Nordschleife nadat hij onder de vangrail was gegleden. Zijn dood was de aanzet tot een meer georganiseerde lobby van de coureurs tegen de organisatoren van wedstrijden en de FIM. Op 23 mei verongelukte Andy Manship tijdens de North West 200. Op 1 juni verongelukte Les Iles tijdens de trainingen voor de Isle of Man TT bij Kate's Cottage met een 125cc-Bultaco. Op 3 juni verongelukten Michael Collins en Denis Blower tijdens de trainingen voor de Isle of Man TT. Collins reed met een 500cc-Seeley G50 en verongelukte bij de Verandah en Denis Blower verongelukte met een BSA Gold Star in de Mountain Box. Op 8 juni gleed Santiago Herrero weg over gesmolten asfalt bij de 13e mijlpaal en raakte een boom. Hij overleed op 10 juni in het ziekenhuis. Op 12 juni verongelukte John Wetherall met een 500cc-Seeley G50 tijdens de Senior TT bij Gardener's Lane en tijdens dezelfde race viel Brian Steenson, eveneens met een 500cc-Seeley G50 in de Mountain Box. Hij overleed op 17 juni. Ingo Köppe verongelukte tijdens een race in de 125cc-klasse tijdens de Frohburger Dreieckrennen.
Gestopt Ralph Bryans maakte het einde van zijn carrière bekend na de North West 200 van 1970, waar hij de 250cc-klasse had gewonnen.
Puntentelling 1e 2e 3e 4e 5e 6e 7e 8e 9e 10e Punten:1512108654321 Aantal (tellende) wedstrijden In de zijspanklasse werden acht races gereden, in de 50- en de 350cc-klassen tien, in de 125- en de 500cc-klassen elf en in de 250cc-klasse twaalf.
Om het aantal tellende resultaten te bepalen moest men bij een even aantal races dit aantal halveren en er één bij optellen. Bij een oneven aantal werd er eerst een bij opgeteld en dit getal werd dan gehalveerd. RacesTellend50 cc106125 cc116250 cc127350 cc106500 cc116zijspan85
500cc-klasse