thumb|240px|Personificatie van kennis in de Antieke Bibliotheek van Celsus in Efeze (125 AD).|alt=transcription: Epistèmè Kelsou, translation: Knowledge/Science of Kelsos.
Kennis is dat wat geweten wordt, wat geleerd is en in het geheugen opgeslagen, plus dat waar een individu inzicht in heeft. Kennis omvat informatie, beschrijvingen hiervan en vaardigheden die door ervaring of opleiding zijn verkregen. In de kentheorie of epistemologie wordt onderzocht wat kennis is en of aanspraken op kennis gerechtvaardigd zijn. In de loop van de tijd zijn er dan ook wisselende ideeën ontwikkeld over wat er te weten valt en in welke mate er sprake moet zijn van twijfel.
Er kan onderscheid gemaakt worden tussen theoretische en praktische kennis. Er bestaan vele soorten kennis, bijvoorbeeld zelfkennis - 'Ken uzelf', vakkennis en wetenschappelijke kennis.
Algemene ontwikkeling is individuele basiskennis op vele, uiteenlopende gebieden tegelijk.
Verschillende contexten In het dagelijks leven wordt met het begrip "kennis" een verzameling van uiteenlopende zaken aangeduid., Groot Woordenboek der Nederlandse taal, Van Dale Lexicografie (Utrecht, 142005). Kennis is op de eerste plaats de bekendheid met een persoon, zaak of verschijnsel. Dit kennen of deze bekendheid volgt uit ervaring en weten. Maar kennis kan ook vastgelegd zijn in een document of, abstracter, in een samenleving aanwezig zijn.
In de filosofie In de filosofie is de vraag "wat is kennis?" al sinds de oudheid bediscussieerd, waarbij men kennis associeert met "wetenschappelijke kennis".
De filosoof Kuyper (1977) definieert kennis als "het geheel van overtuigingen en inzichten die door wetenschappelijk onderzoek verkregen worden". Deze kennis breidt zich volgens hem voortdurend uit, door voortgezet onderzoek. Zij wijzigt zich echter ook, doordat een deel van eerder verkregen theoretisch inzicht bij nader inzien verworpen moet worden. Kennis moet als ware kennis worden opgevat, en de vereisten voor "ware kennis", worden in de kennisleer onderzocht., Encyclopedie van de filosofie, lemma: Kennis & Kennisleer, Elsevier Amsterdam 1977, p.380-881.
In organisaties Human Resource Development In een studie naar de opvattingen over leren in de praktijk van Human Resource Development, vonden Poell en Kessels (2001) deels gelijke opvattingen.Rob Poell, Joseph Kessels (2001) Human resource development: Organiseren van het leren, p.24. Professionals in HRD kunnen kennis, en het vermogen kennis op te doen, verwerven. Daarbij worden theoretische kennis en praktische ervaring geïntegreerd. Kennis is dus niet onveranderlijk: het is een veranderlijke combinatie van ervaringen, waarden, context en vakkundig inzicht dat een kader vormt, waarmee nieuwe ervaringen en informatie geëvalueerd en geïntegreerd kunnen worden. Kennis is daarmee bovendien een constructie van de ervaren realiteit, en niet iets wat absoluut waar of onwaar is. Tot slot heeft kennis een individueel en een collectief element. Kennis is het, deels onbewuste, vermogen dat iemand in staat stelt een bepaalde taak uit te voeren, wat niet kan los worden gezien van de bezitter. Tegelijk is kennis niet persoonsgebonden, omdat gestolde inzichten, waarden en contexten, en ook ervaringen, collectief zijn.
Kennismanagement Weggeman (1997) heeft de binnen het kennismanagement bestaande opvattingen over kennis onderzocht en geïnventariseerd, gericht op de bruikbaarheid ervan binnen een organisatie.Mathieu Weggeman (1997) Kennismanagement: inrichting en besturing van de kennisintensieve organisatie. en (2000) Kennismanagement: De praktijk. (vijfde druk, 2006) Wegeman beschouwt kennis als het geheel van betekenissen, begrippen, vaardigheden, werkwijzen, dat voor juist en waar wordt gehouden en richting geeft aan het handelen. Kennis behelst volgens sommigen ook het vermogen om informatie om te zetten in goede beslissingen. Nog specifieker ziet men kennis als het vermogen om het gedrag van mensen en dingen te voorspellen. Een derde betekenis betreft de herkomst: kennis is door studie, onderzoek of oefening verkregen informatie, die waarde heeft voor de organisatie.
Geschiedenis Hieronder volgt een overzicht van vormen van menselijke kennis in de opeenvolgende tijdperiodes van de menselijke ontwikkeling, vanaf de prehistorie tot in het heden.
Prehistorie thumb|240px|Een stier uit de Grot der Stieren, Lascaux, 15.000 - 10.000 v.Chr. In de prehistorie was kennis van de natuurlijke omgeving een voorwaarde voor de mens om te kunnen overleven. Zo vergde de jacht, naast een uitstekende conditie, een zekere kennis van dierensporen, het gedrag van dieren en de directe omgeving. Hoewel er in de wetenschap discussie is of oude hominiden als Homo erectus en Homo habilis nu jagers of aaseters waren, ziet men verzamelen en jagen als de belangrijkste activiteiten van de prehistorische mens in de oude steentijd. Of deze vroege mens ook genoeg kennis had van spoorzoeken is niet bekend. Uit skeletresten van de Homo erectus blijkt echter wel, dat deze net als de huidige mens in staat was lange afstanden (hard)lopend af te leggen.
thumb|left|120px|Ceres, de Romeinse godin van de landbouw Vanaf de late steentijd bevatten Moedergodin-cultussen bepaalde hoogtijdagen van publieke viering, gekoppeld aan de kalender, meer bepaald aan de cruciale momenten in de stand van de maan, de sterren en planeten. Voorop stond echter het doorgeven van kennis en kunde tussen opeenvolgende generaties, van vaardigheden als spinnen en weven, pottenbakken, en de teelt en het juiste gebruik van gewassen en kruiden, voor behoud en herstel van de gezondheid. Dit alles was sinds het stenen tijdperk het initiatief en het domein van de vrouw. Zelfs het eerste schrift zou door haar zijn ontstaan, bij het aanbrengen van herkenningstekens op kleien potten. Ook het bestuderen van de luchtgesteldheid en van de hemel, voor het bepalen van de juiste momenten van zaaien en oogsten, was oorspronkelijk een vrouwenzaak. In het oude Egypte bijvoorbeeld waren de observatoria aan de tempel van de godin gekoppeld.
thumb|120px|right|Twee druïden op een bas-reliëf van Autun. De oude Keltische beschaving in Europa kende een priesterstand van druïden, die in een groot deel van West-Europa, ten noorden van de Alpen en op de Britse Eilanden bestond. Pas eerst door de Romeinse overheid, en later door het christendom, werd ze verdrongen. De praktijken van druïden maakten deel uit van de cultuur van alle Keltische en Gallische volksstammen. In de druïden verenigden zich de taken van priester, bemiddelaar, arts, wetenschapper en rechter.
In volksverhalen wordt vaak het bestaan van een "bron" vermeld, "boom" of een "hoeder" van de opperste kennis en wijsheid. Zo wordt in de Germaanse en Noordse mythologie de oppergod Odin het levend symbool van opperste macht en wijsheid.
Kennis in de eerste beschavingen left|thumb|180px|Mesopotamisch kleitablet In Mesopotamië wordt een reeks technologische innovaties gerealiseerd, zoals het schrift, getallenstelsels, kalenderindeling, en landkaarten. De Babylonische tijdrekening leeft voort in de huidige tijdsaanduiding van de kalendermaanden, de weken en de zeven dagen in de week.
Er is een verwevenheid van wetenschap en religie: astronomie en astrologie werden gezien als hetzelfde in de wetenschapsbeoefening door de priesters in Babylonië. In die tijd was er zelfs een trend zichtbaar, omgekeerd aan de moderne wetenschap, die zich juist van bijgeloof afkeert. De Mesopotamische astronomie raakte in de loop van de tijd meer gebaseerd op astrologie, waarbij de sterren werden bestudeerd in termen van horoscopen en voortekenen.
thumb|120px|Imhoteb
In het Oude Egypte werd Imhotep de schutspatroon van de geneeskunde, de hogere kennis en het schrijven. Vanwege de kennis van de geneeskunde stelden de Grieken hem gelijk met de god Asklepios en vanwege zijn kennis van de schrijfkunst werd hij ook verbonden met de god Thoth.
In het oude India en in de hindoeïstische filosofie vormen de geschriften van de Veda's de basis voor veel van de religies die tot het hindoeïsme gerekend worden. Ze bestaan uit spirituele filosofie, en uit religieuze hymnen over God(en), het universum, de natuur en de te volgen levenswijze. Het woord 'Veda' is etymologisch verwant aan het Nederlandse werkwoord 'weten', en betekent "kennis".
Klassieke oudheid thumb|180px|links|Theater in Milete De oude Grieken hadden voor hun handelscontacten nadere kennis nodig van bijvoorbeeld geografie, weersgesteldheid, de windrichting, de maanstand en de rekenkunst. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het verlangen naar feitelijke kennis zich in eerste instantie naar deze zaken uitstrekte. In deze presocratische tijdsfase overheerste daarom de natuurwetenschap. Zo moest men kunnen berekenen bij welke windrichting men een bepaalde afstand binnen een zekere tijdsduur, volgens een bepaalde koers zou kunnen afleggen. thumb|Aristarchus' calculatie van de relatieve afmeting van de Aarde, Zon en Maan. Deze Hellenistische kennis verspreidde zich door de veroveringen van Alexander de Grote over het oostelijk, en via de Romeinse overheersing vervolgens over het gehele Middellandse Zeegebied.
Overigens stonden niet alleen de oude Grieken aan de wieg van deze wetenschappen. Vanuit het Vooraziatische achterland, de Phoenicische, Assyrische, Babylonische, Sumerische en zelfs de Indiase cultuur, hadden zij de nodige kennis overgenomen.
Middeleeuwen thumb|left|150px|De mens en de wereld als sfeer van aarde, lucht en water, 1400 n.Chr. Kennis was voor Augustinus vooral kennis van het eeuwige en het onveranderlijke, en niet van zaken die constant aan verandering onderhevig zijn. De wereld om ons heen is constant in Flux, en derhalve kan vaste, zekere kennis niet uit de waarnemingen van deze wereld gedestilleerd worden. Ware kennis komt tot de mens via 'illuminatie', goddelijk licht dat de mens beschijnt, en dat hij door toedoen van zijn 'interne leraar', Jezus Christus, als zodanig kan herkennen. Zie ook Gnostiek en Illuminatie (christendom). Gedurende de middeleeuwen werd de kennis van de oudheid zorgvuldig bewaard en doorgegeven, maar op een weinig kritische wijze. Het beeld dat de Griek Ptolemaeus van het heelal had: de aarde is een bol en staat in het midden van het heelal, of de op dieren gebaseerde anatomie van de Romein Galenus waren vrijwel onaantastbaar. Rond 1200 werden de ideeën van Aristoteles in de theologie opgenomen. Door de kruistochten kwam men, via de Arabieren, in aanraking met de Griekse originele teksten.
Renaissance Onder de renaissance wordt in de Europese geschiedenis een periode van opbloei van kunst, wetenschap en letteren verstaan, die beleefd werd als een "wedergeboorte" van de verworvenheden van de klassieke oudheid. De grote vernieuwing in de 16e eeuw in Europa was, dat eigen onderzoek geaccepteerd werd als bron van kennis, naast het logisch (Aristoteles) doorredeneren vanuit de kennis van Romeinen zoals Ptolemaeus, Galenus en anderen. In 1543 verscheen een boek van Copernicus dat niet de aarde, maar, minder fout, de zon in het centrum van het heelal plaatste. Ook in 1543 verscheen het boek van Vesalius die het menselijk lichaam beschreef naar aanleiding van secties. Inmiddels brachten ontdekkingsreizigers zoals Vasco da Gama, Columbus en Magelhaes de wereld in kaart en maakte men kennis met landen, volken, planten en dieren, waar men tot dat moment geen idee van had gehad. In deze tijd drong het besef door dat men de kennis uit de Oudheid waar men zo bewonderend naar op had gekeken, aan het voorbijstreven was. Dit stimuleerde flink het zelfvertrouwen en zelfbewustzijn van de onderzoekers en men ging enthousiast steeds meer de altijd zo vast geloofde 'waarheden' van de autoriteiten uit de antieke cultuur in twijfel trekken en toetsen op waarheid. En zo groeide eind 16e, begin 17e eeuw het besef bij wetenschappers dat naast contemplatie op het vakgebied, ook eigen observatie en experiment de sleutel konden zijn tot kennis.