miniatuur|William J Harisson-sigaar Een sigaar is een genotmiddel voor rokers, meestal vervaardigd uit een mengsel van tabakssoorten die afkomstig zijn uit landen of gebieden zoals Brazilië, Cuba, Dominicaanse Republiek, Honduras, Nicaragua, Java, Mexico en Sumatra. Sigaar is waarschijnlijk afgeleid van cigarra, Spaans voor 'sprinkhaan'. Een andere, minder waarschijnlijke lezing is dat het woord teruggaat op zikar, een Maya-woord dat 'roken' betekent.

Sigaar vs. sigaret Er zijn verschillen tussen het sigaren- en sigarettenroken, in die zin dat een sigaar veel meer tijd in beslag neemt (doorgaans gaan ze ten minste drie kwartier mee), maar ook dat sigarenrook niet bestemd is om te inhaleren. Waar sigaretten dus vooral voor de longen schadelijk zijn, werken sigaren op de keel in. Daarnaast dient een sigaar in het algemeen niet zozeer tot bevrediging van de nicotinezucht maar heeft als doel een specifieke smaak in de mond af te scheiden, waardoor verschillende sigaren zich van elkaar onderscheiden, op een uitgesprokener wijze dan bij sigaretten. Een ander groot verschil is de temperatuur van een sigaar, deze is aanzienlijk hoger dan een sigaret.

Gezondheidsrisico's Sigaren zijn even verslavend als sigaretten. Hoewel de nicotine minder wordt opgenomen in de longen, zoals bij sigaretten vooral het geval is, wordt de nicotine met name door het mondslijmvlies opgenomen. Er zijn wel verschillen in specifieke gezondheidsrisico’s. Sigarettenrokers roken vaker dan sigarenrokers, maar in sigaren zit aanzienlijk meer tabak dan in sigaretten. Sigaren produceren ook meer rook en bevatten een hogere concentratie koolmonoxide.

Net zoals bij sigarettenrokers hebben sigarenrokers een verhoogde kans op kanker in de mond- en keelholte, slokdarm, alvleesklier en longen. Met name rokers die niet diep inhaleren hebben een sterk verhoogd risico op kanker in de mond- en keelholte.

Long Fillers en Short Fillers thumb|Short Filler Sigaren zijn te onderscheiden in twee soorten: Long Fillers en Short Fillers (en een klein deel Medium Fillers). Bijna alle typen zijn opgebouwd uit het binnengoed, het omblad en het dekblad. Het binnengoed van een Long Filler bestaat uit opgerolde tabaksbladeren waaruit de hoofdnerf is verwijderd (zgn. frog-legs), in tegenstelling tot Short Fillers: het binnengoed van deze sigaren bestaat uit korte stukjes (verknipt) tabak, veelal uit verschillende streken afkomstig.

Long Fillers dienen goed geconserveerd te worden (in een zogenoemde humidor), tussen de 68-72% luchtvochtigheid. De temperatuur is minder relevant. Wanneer het percentage lager dan 60% wordt, wordt de Long Filler droog, breekt gemakkelijk, brandt te snel en smaakt te scherp. Bij percentages hoger dan 72% brandt de sigaar lastiger, echter is de smaak voller. Bij percentages hoger dan 80% begint de schimmelvorming op de sigaren.

Tot voor kort bestond er het geloof dat er zoiets bestond als "bloem" of "sigaarbloem" waarbij men dacht dat er kristallisatie van suikers uit het dekblad naar boven kwamen en deze een wit laagje vormde op de sigaar, gelijkend maar niet identiek aan schimmel. Voornamelijk sigarenboeren verkochten dit idee aan de koper opdat men beschimmelde sigaren uit de inventaris met een gekwiekst verkoopspraatje toch aan de man kon brengen. Er werd zelfs vaak beweerd dat dit de smaak positief zou beïnvloeden. Niets bleek minder waar. Een wetenschappelijke studie uitgevoerd aan het Australia Biotech Laboratories wees uit dat op elk van 10 ingezonden stalen (sigaren met verschillende soorten "bloem"), er enkel sporen van diverse schimmels werden aangetroffen en dit nooit gekristalliseerde suiker betrof.

Short Fillers worden meestal in landen gemaakt waar tabak niet groeit, maar slechts wordt overgeslagen (in de haven). Denk aan merken als Ritmeester, Hajenius, Olifant, en dergelijke. Uitzonderingen hierop zijn sigaren uit bijvoorbeeld Brazilië en Indonesië (hier wordt de tabak verbouwd en de sigaar geproduceerd). Short Fillers dienen niet vochtig gehouden te worden (hoewel vaak anders beweerd wordt), hoeven vaak niet geknipt te worden en hebben een andere smaak dan Long-Fillers. Een short-filler is het beste gebaat bij een luchtvochtigheid van ongeveer 65%.

Formaat en ringmaat Een Short Filler bestaat in verschillende formaten. De cigarillo of spriet is een smalle, dunne sigaar. Sommige cigarillo's hebben een filter. De señorita is in Nederland het bekendste en meest gerookte model. Meestal een lengte van ongeveer tien centimeter, en een centimeter dik. De wilde cigarro, een bekend formaat sigaar. Vroeger werd deze sigaar naar de tabak genoemd die deze sigaar bevat, namelijk Wilde Havanna. Tegenwoordig mag deze naam echter niet meer gebruikt worden. De sigaar is te herkennen aan zijn middelmatige grootte en het flosje aan het uiteinde. De eerste die met dit type op de Nederlandse markt kwam, was het merk Hudson uit Roosendaal. Rookduur ongeveer vijfentwintig minuten. De panatella is over het algemeen iets langer dan een señorita maar zit qua dikte tussen een cigarillo en een señorita in. De corona wordt vaak 's avonds gerookt, na het diner. Wat langer en dikker dan een señorita, met een rookduur van een klein uurtje tot meer dan twee uur. De petit of half corona, deze is iets korter dan de normale corona. De tuitknak is een sigaar waarvan het einde taps toeloopt tot een dunne punt. Een beginnersfout bij het roken van de tuitknak is het in de mond nemen van het smalle deel en het aansteken van het eigenlijke mondstuk. Omdat een goede sigaar alleen bij het mondstuk is gelijmd, valt een tuitknak in dit geval snel uit elkaar. De bolknak werd gebaseerd op de tuitknak en werd voor het eerst door Ritmeester gemaakt. De bolknak is een taps uitlopend model. Daarnaast bestaan er nog een aantal iets minder voorkomende formaten. De doorsnee of ringmaat van de sigaar wordt aangegeven in 64sten van een inch. Ze variëren van 23 (23/64 inch of 9,1 mm) tot 52 (52/64 inch of 20,6 mm).

Designsigaren Een luxueuze verschijningsvorm zijn de designsigaren. Dit zijn longfillersigaren, die zich uiterlijk onderscheiden door middel van een motief. Vaak wordt hierbij de rand van het dekblad gedoopt in een afwijkende kleur tabakspoeder, waardoor een designrand ontstaat. Dit motief wordt aangebracht met behulp van (tabaks)poeder. Er zijn verschillende werkwijzen: (tabaks)poeder op het dekblad matteren. De rand van het dekblad in (tabaks)poeder te dopen.

Geschiedenis thumb|100 Habana's in een sigarenblik van Van Gend & Loos thumb|Een sigarenkistje met corona's, in een sigarenkoker, en een sigarenknipper Het is bekend dat tabak (Lat. Nicotiana tabacum) in de Nieuwe Wereld reeds lang voor de komst van Columbus als rookwaar werd gebruikt. In het bijzonder de Maya's rolden tabaksbladeren in een vorm die hen ertoe in staat stelde de tabak aan te steken en op te roken. Dit kan als voorloper van de sigaar worden gekenmerkt. De Cubaanse indianen noemden dit een cohiba, nu een zeer duur merk. Tegenwoordig spreekt men op Cuba van tabacos als men een sigaar bedoelt.

Tijdens de koloniale periode ontstond een belangrijke tabakshandel tussen het Caraïbisch gebied en Europa. De Spanjaarden begonnen aan het eind van de 17e eeuw met het planten van tabak, en exporteerden de tabaksbladeren naar de rest van de wereld. Britse kolonisten verbouwden tabak in Virginia, en de tabaksindustrie kwam tijdens het Britse Rijk tot grote bloei.

In Europa was Spanje het eerste land dat sigaren produceerde. In 1717 begon in Sevilla het eerste sigarenfabriekje. Omstreeks 1790 ontstond er een sigarenindustrie in Frankrijk en Duitsland, en pas in 1820 ook in Engeland. Nederland en België (onder meer in Geraardsbergen) volgden, zie Sigarenindustrie (Benelux). De Nederlandse sigarenindustrie begon in 1826 te Kampen. Het betrof toen nog vooral huisnijverheid. De eerste echte sigarenfabriek werd in 1858 te Amsterdam geopend. Naast veel andere plaatsen speelden vooral Eindhoven, Valkenswaard en Veenendaal en natuurlijk Kampen een belangrijke rol.

De specifieke sigarenindustrie kreeg in de 20e eeuw echter behoorlijke concurrentie van de sigaret, die er enerzijds toe heeft geleid dat men sigaren machinaal begon te produceren, teneinde de prijs te drukken, en anderzijds dat de traditioneel vervaardigde sigaren steeds exclusiever (lees: duurder) werden. De eerste sigarenmachines deden in 1924 hun intrede. Deze konden echter nog niet alle stappen van de sigarenfabricage verrichten.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog leidde een tekort aan tabak ertoe dat sigarenfabrikanten alternatieve materialen moesten gebruiken. Een populair surrogaatproduct uit deze tijd was surrogaat binnengoed, gemaakt van hopafval. In Nederland werd dit bijvoorbeeld in Roermond geproduceerd door de firma L.J.H. Steuns & Zonen, in samenwerking met Heynen & Molenaar. Deze bedrijven hadden binnen korte tijd arrangementen met de meeste toen nog actieve Nederlandse en Belgische bierbrouwerijen om hopafval te verzamelen en verder te verwerken tot het surrogaat Surbin. Deze alternatieve tabak werd gebruikt om de productie van sigaren voort te zetten ondanks de schaarste aan traditionele tabak.

De meeste sigaren worden momenteel in de Verenigde Staten geproduceerd. Nederland is de grootste sigarenexporteur ter wereld, met een exportvolume van 2 miljard sigaren per jaar (gegevens uit 2007). De meeste van deze sigaren worden echter in België vervaardigd.

Fabricageproces thumb|Sigarenmaakster op de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid 1898 in Den Haag thumb|Sigarenmakerij in openluchtmuseum Erve Kots De sigaar bestaat uit versneden tabak, het zogenaamde binnengoed, waaromheen het omblad wordt gerold, een voorbewerkt tabaksblad. Dan heeft men een zogenaamde pop (Z.Ned) of bosje (N.Ned). Hieromheen wordt dan het dekblad gewikkeld, waarna de sigaar compleet is.

De gebruikte tabak werd bevochtigd en het binnengoed werd in het omblad gerold tot een model dat pop werd genoemd. Dit geschiedde in een sigarenmal die bestond uit twintig schuitjes. Vijf gevulde vormen (honderd poppen) werden in een pers gelegd en twee uur lang gedroogd. Daarna werden de poppen een kwartslag gedraaid om naadvorming te voorkomen, dit was het poppendraaien. Als de pop in model was, werden de uitstekende delen afgesneden en hergebruikt in nieuw binnengoed. De pop werd nu handmatig van een dekblad voorzien, dat een kwart of een zesde van een Sumatra-tabaksblad was, dat spiraalsgewijs van het vuureind tot achteren om de pop werd gedraaid. Aangezien de zij-nerven vanuit de hoofdnerf gezien naar links en rechts uitwaaieren en deze zo weinig mogelijk zichtbaar moeten zijn, wordt een sigaar "links" en "rechts" opgedekt. Soms werd de sigaar nog bewerkt door hem onder een blokje te rollen om zo de spanningsverschillen, die zijn ontstaan tijdens het handmatig opdekken, te minimaliseren. Als de sigaar gereed was, ging hij naar de sorteerderij. Daar werden de sigaren door speciale vakmensen op lange tafels gesorteerd op kleur, dit gebeurde in ruimten die werden voorzien van daglicht vanuit het noorden. Dan werden de sigaren geperst en voorzien van een code, om vervolgens enkele dagen in de droogkamer te drogen. Vervolgens werden ze voorzien van het bandje en verpakt in kisten, waarbij de bovenste laag sigaren, de spiegel, een zeer egale kleur moest tonen.

Stukloon was de regel, en omstreeks 1900 nog had iedere sigarenmaker een poppenmaakster in dienst, die van het stukloon moest worden uitbetaald.

Gezondheid Behalve teer (veroorzaker van de rokershoest), nicotine (de verslavende stof in tabaksrook die onder andere hoge bloeddruk veroorzaakt, en beschadiging en vernauwing van de bloedvaten) en koolmonoxide (zorgt voor een slechtere lichamelijke conditie) zitten er in tabaksrook minimaal 40 andere giftige tot zeer giftige stoffen. Het betreft onder andere nitrosaminen, formaldehyde, arseen, cyanide, aceton, ammoniak, azijnzuur, DDT en benzeen.