thumb|Sint-Pieter en Pauluskerk Geetbets is een plaats en gemeente in de Belgische provincie Vlaams-Brabant. De gemeente telt ruim 6.000 inwoners.

Toponymie Geetbets werd voor het eerst vermeld in 1156 als Bece. Het betekent dus: Beek aan de Gete.

Geschiedenis Feodale tijd De hertog van Brabant bezat de grondheerlijkheid van Geetbets en ook de rechtsmacht, het recht op de openbare wegen en de waterlopen met sluisrecht op de Gete. Zijn plaatsvervanger was de hoofdmeier van Halen, in Geetbets vertegenwoordigd door een plaatselijke meier. Deze toestand bleef onveranderd tot 30 mei 1559, toen de grondheerlijkheid met de rechtsmacht verpand werden aan ridder François Baillet, heer van Neerlinter. De volgende heren van Geetbets waren Renier Reyns (verhef 1613), Catharina Reyns (1622), Oswald Pluyeren, Jan van de Ven (verhef 1651), Jacques Van de Ven (1656), Edmond-Conrard de Voordt, heer van Kortenaken (1683), Jan-Antoon-Lancelot Gheys (1684), Jan de Rijckman (verhef van 2 mei 1697), Jan-Jozef de Ryckman de Betz (verhef 21 januari 1755), de laatste heer van Geetbets want de feodale rechten werden in 1796 door het Franse regime afgeschaft.

Hof ten Hove of de Motte Het oudste leenroerig goed te Geetbets was het Hof ten Hove, dat misschien reeds in de achtste eeuw (bron?) werd gesticht. De hertogen van Brabant, of misschien vroeger reeds de graven van Leuven, belastten de bewoners van dit hof met het toezicht op de grens met het prinsbisdom Luik en met de scheepvaart op de Gete. In de vroege middeleeuwen bestond het hof uit een burcht of wachttoren op een kunstmatige berg of motte. Vandaar de naam van het hof die tot vandaag blijft voortleven, ook al is elk spoor van de burcht sedert lang verdwenen. In de vijftiende eeuw werd het hof nog verpacht, maar in 1662 was er niets meer van te zien. geen|miniatuur|Motte van Geetbets De oudste bezitters van deze heerlijkheid droegen de naam de Betze (van Beetse) of de Curia (van den Hove). In de dertiende en veertiende eeuw heetten zij, van vader op zoon, Jan. Van omstreeks 1460 was ten Hove in het bezit van Gijsbrecht de Viltere, nadien van zijn dochter Elisabeth van der Meren (verhef op 18 februari 1509) en Jean de Bertanghe, een erfgenaam. Arnoud Hollanders kocht het leengoed ten Hove op 23 oktober 1555. In het midden van de zeventiende eeuw is de Motte in het bezit van Michiel Wouters.

De heerlijkheid Elsmeren

Bij de grens met Halen lag de heerlijkheid Elsmeren, een naam die wijst op een met elzenstruiken ingemeerde of ingesloten ruimte. Elsmeren was een bosrijk gebied. De bezitters van het Hof ter Elsmeren hadden een jachtwarande, verscheidene bossen en een visrecht op de Gete, dit alles in leen gehouden van de hertog van Brabant. Deze heerlijkheid was tot in de vijftiende eeuw het bezit van een geslacht dat zijn naam aan het hof ontleende: van der Elsmeren (zoals vermeld in het Hertogelijk Cijnsboek van ca. 1330). De oudst bekende heren zijn Arnoud, Henric (verhef op 15 november 1365), Elisabeth (verhef 1401), Wouter en Jan van der Elsmeren (gesplitst verhef in 1405). In het midden van de vijftiende eeuw werd het leengoed gekocht door Dierick van Halle, in 1599 door François Baillet, heer van Neerlinter, dezelfde die de hertogelijke grondheerlijkheid over Geetbets had verworven.

Een van zijn nazaten, Jacques van de Ven, liet omstreeks 1667 het oude Hof te Elsmeren afbreken om op dezelfde plaats een nieuw kasteel op te trekken, het Kasteel van Betz dat nog steeds bestaat. Baron F. de Ryckman de Bets liet van 1923 tot 1927 ingrijpende herstellingen en verfraaiingen aan het kasteel aanbrengen. geen|miniatuur|Kasteel van Bets

De heerlijkheid Ouderaan Deze heerlijkheid lag langs de oude Gete (de Oude Aa). Diederic, later zijn broer Henric van Ouderaen, had er omstreeks 1300 een heerlijk hof met uitgebreide feodale rechten. Hun nazaten blijken voortdurend in geldverlegenheid te hebben gezeten, want zij verkochten gedeelten van het landgoed, gingen leningen aan en splitsten de heerlijkheid in verschillende delen.

Historische gebeurtenissen Geetbets lag op de scheidingslijn van het hertogdom Brabant en het graafschap Loon. Ver van de grote verbindingswegen leefden de inwoners er rustig, ondanks de veelvuldige oorlogen en gewapende rooftochten van de heren tegen elkaar. Toen het graafschap Loon ingelijfd werd bij het prinsbisdom Luik veranderde een en ander.

Vijftiende eeuw In de eerste helft van de vijftiende eeuw vielen gewapende benden uit Luik – uit Herk-de-Stad o.a. - Bets herhaaldelijk binnen. De plunderingen waren zo erg dat de hertog van Brabant zich verplicht zag de inwoners van Bets te ontslaan van de ‘willekeurige belasting’ en die verving door een jaarlijkse bijdrage (jaerbede genoemd) van vijf pond, tien Leuvense stuivers en 10 mudden haver.

De hertogen lieten op vele plaatsen grachten graven om de gronden voor overstroming te vrijwaren. Deze grachten werden gewoonlijk ’s Hertogengracht genoemd zoals nu nog de gracht tussen Budingen en Bets tot in de Graasbeek, in 1480 de Middelste gracht geheten. De strijd van hertog Karel de Stoute met de Luikenaars had ook voor Bets gevolgen. Op 14 september 1465 deden de Luikenaars een inval op het grondgebied van Geetbets waar 120 aanvallers werden gedood. In november 1483 deden de Betsenaars zelf een inval in het land van Luik, namelijk te Rummen, om het door de bende Groentente ontvoerde vee terug te halen. De bende hield zich schuil onder ‘de groene tent’ van de dichte bossen, vandaar de naam. Omdat de groententers met het vee naar het land van Luik gevlucht waren, hadden de Betsenaars er niets beters op gevonden dan zich schadeloos te stellen door het vee van Rummen weg te halen. Maar de boeren van Rummen zwoeren op hun eed dat zij niet tot de partij van de Groentente behoorden en kregen hun beesten terug.

In 1488 werd de gemeente Bets meermalen overvallen en geplunderd.

Zestiende eeuw Een rampjaar voor Geetbets was 1507. Een leger van ‘Francoisen en Gelderschen’ doorkruiste het Hageland. Het maakte zich meester van de steden Halen en Tienen en al de daartussen gelegen dorpen werden geplunderd en platgebrand. Geetbets werd zo helemaal ontvolkt en zou slechts jaren later stilaan terug bewoond worden.

Tijdens het bestuur van keizer Karel V (1515-1555) kende Geetbets jaren van rust en betrekkelijke voorspoed, maar tijdens het bewind van zijn zoon en opvolger Filips II van Spanje (1555-1598) brandde de godsdienstoorlog in alle hevigheid los, met o.a. de beeldenstormerij. De gemeente Geetbets ging er volledig aan ten onder. In 1572 werd de stad Diest ingenomen door de geuzen en ondernamen de ruiters van kapitein De Mol strooptochten naar de omliggende gemeenten. Met de overname van Diest door het Spaanse leger van de hertog van Alva kwam er geen beterschap. Diest werd meermaals beurtelings door geuzen en Spanjaarden bezet, maar voor de bevolking was de uitslag steeds dezelfde: beide legers waren elkaar waard inzake plunderingen. De gemeente Geetbets kreeg het zo zwaar te verduren dat pastoor Guilelmus Coenen in 1578 de parochie moest verlaten bij gebrek aan parochianen. Geetbets was helemaal ontvolkt.

Zeventiende eeuw Van 1598 tot 1633, onder het bestuur van de aartshertogen Albrecht en Isabella, kwam er weer rust in het land. In die tijd bestond er een versterking of fort, Blockhuys geheten, kort aan de Gete op de weg naar Rummen. In die versterking verbleven een honderdtal soldaten die er zelfs een eigen bidplaats hadden. In 1663 kreeg de gemeente de toelating om het fort af te breken en met de stenen de bouwvallige kerkhofmuren te herstellen.

Vanaf 1629 werd het dorp getroffen door verschillende uitbraken van de pest. Vooral de epidemie van 1670 was erg. Dat de ziekte verwoestend toesloeg bewijst het feit dat de bevolking in 1702 tot 380 inwoners geslonken was.

Na de dood van de aartshertogen sloot de Nederlandse Republiek een verbond met Frankrijk en hun legers vielen de Zuidelijke Nederlanden binnen. Van 1648 tot 1713 volgden vijf grote oorlogen elkaar op, waardoor Geetbets veel te lijden had. In 1654 kwamen de troepen van de hertog van Lorreinen binnenvallen met vijf regimenten ruiterij. Veertien dagen kampeerde een heel leger met geschut in Geetbets, wat de gemeente ‘sonder de plunderinghe’ de som van 28600 gulden kostte. In oktober 1659 kreeg Geetbets het bezoek van drie regimenten ruiterij van de prins van Condé. Die plunderden, brandden huizen plat, roofden de paarden en het vee, schoten de varkens dood en eisten bovendien van de uitgeschudde bevolking nog 800 guldens.

Van 1692 tot 1698 had het Hageland veel te lijden van de oorlog van de Liga van Augsburg. Willem van Oranje had een machtig bondgenootschap kunnen sluiten met zowat alle staten van Europa, tegen de gemeenschappelijke vijand Lodewijk XIV van Frankrijk, die de Nederlanden wilde inpalmen. Onophoudend doorkruisten Hollandse, Duitse, Engelse, Spaanse en Franse legers Nederland, overal grote verwoestingen achterlatend. De toenmalige legers waren meestal samengesteld uit huurlingen, tuchteloze kerels die zich enkel lieten inlijven om te kunnen roven en plunderen. Op 22 juli 1693 kampeerde de verbondenen in de omgeving van Landen en werden er door de Fransen belegerd. Die gingen op 29 juli over tot een onverhoedse aanval. Er werd van beide zijden hevig gestreden, maar de verbondenen leden een bloedige nederlaag en restanten van het leger sloegen op de vlucht. Vanaf 8 uur ’s morgens trokken vluchtende benden door Geetbets, vooral Hollandse ruiters. Vanaf 1 uur ’s middags volgden andere soldatenbenden van verschillende naties en talen. De slachting was van weerszijden zo aanzienlijk dat de velden bedekt lagen met lijken en dat de Gete gestremd werd in haar vloed. De stank van de mensen- en dierenlijken bleef dagenlang hangen want omdat de bevolking gevlucht was kon er geen werk gemaakt worden van de begravingen. Besmettelijke ziekten als buikloop en moeraskoorts braken uit en veroorzaakten de dood van vele mensen. In Geetbets stierf een derde van de bevolking, waaronder ook kapelaan Joannes van Hoebroek.

Nog was alle leed niet geleden. Geetbets bleef grote last ondervinden van soldaten, van het Franse leger zowel als van het leger der verbondenen. Op 11 juni 1694 trok de graaf van Athlone Geetbets binnen en bezette met zijn leger de streek van Halen tot Roosbeek bij Tienen. Op 29 juni kwam koning Willem van Engeland in hoogsteigen persoon naar Geetbets en nam er een maaltijd. In 1695 verschenen Spanjaarden te Geetbets onder leiding van kolonel Valancar. Zij verbleven er vijf weken en werden afgelost door het voetvolk van graaf Moucron. In 1696 koos kolonel Benendorf Geetbets uit als winterkwartier. Ook na de vrede die op 20 september 1698 in het kasteel van Rijswijk werd gesloten bleven voorbijtrekkende krijgsbenden nog lang bedreigen. Geetbets diende als overnachtingsplaats achtereenvolgens voor het regiment Tob, het regiment Truck en het regiment Luck. Heel het land werd onveilig gemaakt door benden leeglopers en allerhande zwervers, waaronder vele vreemdelingen.

Achttiende eeuw De Zuidelijke Nederlanden kwamen onder de kroon van Oostenrijk (1714-1794). De oorlogen van Lodewijk XV van Frankrijk tegen de gebieden van Maria Theresia werden onderhouden met buitensporige opeisingen in de gemeenten. De ‘staat van onkosten van den Dorpe van Geetbetz gedaen aan de France troepe en de partyen in den jaer 1746’ vermeldt een eindeloze reeks van leveringen van brood, spek, bier, wijn, vlees, kiekens, duven, haver, hooi, kaas, boter, runderen aan de compagnie Grassin en aan afdelingen die in Bets en Halen ingekwartierd lagen. Het dorp moest ook paarden en voertuigen leveren voor militaire transporten van Maastricht naar Diest en naar Namen. In 1748 moest het dorp inkwartiering verschaffen aan de staf en aan zes compagnies van het regiment van generaal Cavalier en aan twee compagnies huzaren van Bausober.