thumb|Vlag van Pruisen, 1892-1918 Pruisen (ook wel Pruissen; Duits: Preußen; Limburgs: Pruse(s); Oudpruisisch: Prūsa; Pools: Prusy; Litouws: Prūsija; Latijn: Prussia, Borussia of Prutenia) is een historische staat die in het noorden van Centraal-Europa was gelegen. Toen Pruisen op zijn grootst was, kwam het grondgebied ruwweg overeen met het huidige Duitsland ten noorden van de Mainlinie, het westen van het hedendaagse Polen en zeven andere landen, waaronder het huidige Litouwen.
De geschiedenis van de Pruisische staat begint in 1226 met de Gouden Bul van Rimini, waarmee de basis voor de Duitse Ordestaat werd gelegd. Na vele conflicten met het koninkrijk Polen werd West-Pruisen in 1466 (na de Dertienjarige Oorlog) krachtens de Tweede Vrede van Thorn onder de naam koninklijk Pruisen onderdeel van Polen. Oost-Pruisen, dat gezien kan worden als de voorloper van het latere Pruisische koninkrijk, bleef tot 1660 een vazalstaat van Polen. Van 1701 tot 1918 werd de staat geleid door een koning van het koninkrijk Pruisen en van 1918 tot 1933 door een minister-president van de vrijstaat Pruisen.
Pruisen had vooral vanaf de achttiende eeuw een grote invloed op de Duitse en Europese geschiedenis. Na 1866 was Pruisen de belangrijkste staat van de Noord-Duitse Bond en vanaf 1871 was het de grootste deelstaat in het nieuw opgerichte Duitse Rijk. In 1947 werd Pruisen door de overwinnaars van de Tweede Wereldoorlog opgeheven en verdeeld.
De Pruisen, een West-Baltische stam, leefden oorspronkelijk in de buurt van het huidige Gdańsk en Kaliningrad. Hun woongebied werd Pruisen genoemd. In de dertiende eeuw veroverde de Duitse Ordestaat het gebied. Het werd in 1525 een seculier hertogdom onder het huis Hohenzollern, dat de staat sinds 1618 regeerde in personele unie met de mark Brandenburg. De markgraaf van Brandenburg was ook keurvorst en dus een van de voornaamste Duitse vorsten.
Omdat de Duitse keizer militaire steun van Brandenburg nodig had, stond hij aan markgraaf Frederik III in 1701 toe om zichzelf tot "Koning in Pruisen" te kronen. Het land werd in de achttiende eeuw onder Frederik de Grote een Europese grote mogendheid. Door enorme uitbreidingen in de achttiende en negentiende eeuw omvatte Pruisen uiteindelijk grote delen van West- en Noord-Duitsland (sinds 1945 voor een deel gelegen in Polen). Minister-president Otto von Bismarck verenigde de Duitse staten in 1871 in het Duitse Keizerrijk, waarvan de koning van Pruisen keizer was. Van 1871 tot 1945 was Pruisen verreweg de grootste deelstaat van het Duitse Rijk. Na de Tweede Wereldoorlog werd Duitsland door de geallieerden heringedeeld en verdween Pruisen van de kaart.
Demografie Met de toename van het territorium nam de demografische diversiteit toe. In 1890 sprak 88,3% van de inwoners Duits, 9,9% Pools, 0,47% Deens en 0,41% LitouwsBrockhaus' Konversationslexikon (1894-1896), F.A. Brockhaus: Leipzig, Berlijn en Wenen. Band 62, p 389 De religieuze samenstelling was in 1890 als volgt: 64,2% protestants, 34,2% katholiek en 1,3% joods.
Het oppervlak van Pruisen groeide van 278.000 km² in 1815 tot 348.657,9 km² in 1866. Na de Eerste Wereldoorlog was het grondgebied kleiner (293.938 km² in 1939). De regio werd van 1525 tot 1918 bestuurd door de Hohenzollern en de munt was de taler die tot 1873 30 groschen bezat en na 1873 was de mark de munteenheid die uit 100 pfennig bestond.
Jaartal Bevolking 1816 10.349.031 1825 12.256.725 1840 14.928.501 1852 16.935.420 1861 18.491.220 1867 23.971.337 1871 24.639.706 1875 25.742.404 1880 27.279.111 1885 28.318.470 1890 29.957.367Brockhaus' Konversationslexikon (1894-1896) F.A. Brockhaus: Leipzig, Berlijn en Wenen. Band 62, p 388 1925 38.120.173Der Freistaat Preußen im Überblick. ww.gonschior.de/weimar/Preussen/
Geschiedenis De oude Pruisen
De Pruisen, verwant aan de Litouwers, waren primitieve landbouwers en veetelers die leefden in stammen in de toen zwaar beboste streek tussen de rivieren Weichsel en Memel. Men onderscheidt in de regel elf oud-Pruisische landstreken: Kulmerland en Pomesanië aan de Weichsel, Pogesanië, Ermland en Natangen aan het Weichselhaf, het schiereiland Samland, Nadrauen en Schalauen aan het Koerse Haf en Barten, Sudauen en Galindië in het binnenland. Ze werden volgens de kroniekschrijver Peter van Dusburg elk bewoond door een stam, met uitzondering van het vrijwel onbewoonde Kulmerland.
Het Pruisenland kwam in de tiende eeuw in de invloedssfeer van de zich uitbreidende Duitse en Poolse staten. Mieszko I, hertog der Polanen, verwierf het gebied in deze eeuw als leen van keizer Otto I. Zijn opvolger Bolesław I zond in 997 Adalbert van Praag met een leger naar het gebied om de heidense Pruisen te kerstenen en te onderwerpen. Ze drongen Bolesławs legers echter terug. Adalbert stierf hierbij als martelaar en werd in 999 heilig verklaard.
De Duitse Orde (1226-1525)
De volgende poging de Pruisen te kerstenen kwam van de monnik Christiaan van Oliva, die in 1215 de eerste bisschop van Pruisen werd. De kerstening mislukte echter, evenals de poging van hertog Koenraad van Mazovië het gebied te veroveren. De laatste bood de Duitse Orde in 1225 het bestuur over het Kulmerland aan in ruil voor verovering van de regio. Keizer Frederik II gaf de Orde onder grootmeester Herman van Salza (regeringsperiode 1209-1239) in 1226 opdracht ook het heidense gebied ten noorden daarvan te veroveren en te besturen, formeel onder leenheerschap van de paus.
De ridders van de Orde onderwierpen en kerstenden de Pruisen te vuur en te zwaard. Als uitvalsbases werd een reeks burchten gebouwd, waaromheen steden ontstonden als Thorn (1231), Kulm (1232), Mariënwerder (1233), Elbing (1237) en Koningsbergen (1255). De Duitse Orde bevolkte het gebied sinds de dertiende eeuw naast Duitse kolonisten ook met Nederlands-Vlaamse kolonisten uit de van oudsher tot het Heilige Roomse Rijk behorende Lage Landen. Daarnaast vestigden de Orderidders eveneens Kasjoebische, Mazovische en Poolse kolonisten in de veroverde gebieden. De invloed van de gedecimeerde oude Pruisen werd hierdoor nog verder teruggedrongen. In 1245 verdeelde de legaat Willem van Modena de regio, waar het christendom rond die tijd vaste voet aan de grond had, in vier bisdommen: Ermland, Kulmerland, Pomesanië en Samland. De Pruisen trachtten in de Grote Pruisische Opstand van 1260 een laatste keer hun vrijheid te herwinnen. Na aanvankelijke successen werd de opstand echter op zeer bloedige wijze neergeslagen. Aan het einde van de eeuw had de Duitse Orde het land geheel onder controle. Het Duits, meer specifiek het Nederduits, was sinds het midden van de veertiende eeuw de overheersende taal in Pruisen. De Oudpruisische taal hield aanvankelijk nog in enige afgelegen gebieden stand, maar verdween in de zeventiende eeuw geheel. Na de Reformatie werd geleidelijk het Nederduits vervangen door het Hoogduits.
Het hoofdkwartier van de Orde werd in 1309 verplaatst van Venetië naar het Pruisische Mariënburg. Pruisen, sinds 1308-1310 uitgebreid met Pommerellen inclusief de handelsstad Danzig, bloeide in de veertiende eeuw sterk op. Het bestuur was competent, de handel floreerde, steden als Danzig en Koningsbergen groeiden snel en de bevolking was relatief rijk. Als hoogtepunt in de geschiedenis van de Ordestaat geldt de regeringsperiode van grootmeester Winrich van Kniprode (1352-1382).
Daarna raakte het land echter in verval. De steden en de inheemse aristocratie verdroegen de vreemde overheersing steeds slechter. De Orde rekruteerde regeringsfunctionarissen bewust uit het westen en niet uit de plaatselijke bevolking. In 1410 kwam het bovendien tot een oorlog met Polen en Litouwen, waarin grootmeester Ulrich van Jungingen (1407-1410) in de Slag bij Tannenberg (1410) werd verslagen. De Orde verloor in de Eerste Vrede van Thorn (1411) Samogitië en moest een enorm geldbedrag opbrengen. Dit en het voortdurende conflict met Polen noodzaakte een belastingverhoging, die de onvrede van adel en steden nog meer vergrootte.
In 1440 verenigden de adel en de Hanzesteden Danzig, Thorn en Elbing zich tot de Pruisische Bond, die tegen de Orde in opstand kwam en in 1454 de hulp van Casimir IV van Polen inriep. De hiernavolgende Pools-Pruisische Dertienjarige Oorlog (1454-1466) eindigde met een Poolse overwinning. In de Tweede Vrede van Thorn (1466) verloor de Duitse Orde met Pommerellen, Kulmerland, Ermland en de rebellerende steden Danzig (Gdańsk), Thorn (Toruń), Elbing (Elbląg) en Mariënburg (Malbork) het gehele westen van Pruisen aan Polen. De Duitse Orde behield het oosten, maar moest daar sindsdien Polen als leenheer erkennen. Het afgestane gebied, sindsdien koninklijk Pruisen genoemd, kwam ongeveer overeen met de latere provincie West-Pruisen. De zetel van de Orde werd na de annexaties verplaatst van Mariënburg naar Koningsbergen, dat tot 1945 de hoofdstad van Oost-Pruisen zou zijn.
Hertogdom Pruisen (1525-1660)
thumb|250px|Jan Matejko: Albrecht van Brandenburg bewijst leenhulde aan de Poolse koning Sigismund de Oude De weigering van grootmeester Albrecht van Brandenburg-Ansbach (1490-1568) om het Poolse gezag te erkennen leidde in 1519 opnieuw tot een oorlog. Om het uitzichtloze conflict te beëindigen sloot hij zich aan bij de Reformatie, legde hij, op advies van Maarten Luther, het ambt van grootmeester neer en seculariseerde hij Pruisen. In ruil voor het erkennen van Polen als leenheer ontving hij in 1525 Pruisen in de grenzen van 1466 als erfelijk hertogdom, het hertogdom Pruisen, van koning Sigismund I. Uiteraard bleef dit een vazalstaat van Polen. De Duitse Orde, de katholieke kerk en keizer Karel V protesteerden vergeefs tegen deze gang van zaken. Albrechts opvolger als grootmeester, Walther van Cronberg, werd in 1530 door de keizer met Pruisen beleend, maar oefende nooit werkelijke macht uit over het gebied. De hertog wist zich te midden van religieuze twisten en opstanden staande te houden, maar moest wel accepteren dat de Staten politiek de overhand kregen. Onder zijn bewind werd in 1544 de Albertina Universiteit van Koningsbergen gesticht, die een impuls gaf aan het geestesleven.
Albrecht werd in 1568 opgevolgd door zijn zoon Albrecht Frederik (1568-1618), terwijl Joachim II Hector, keurvorst van Brandenburg, mede met het gebied werd beleend. Vanwege Albrecht Frederiks toenemende geestesziekte werd Albrechts neef George Frederik I van Brandenburg-Ansbach in 1577 administrator van Pruisen, in 1605 gevolgd door Joachim Hectors kleinzoon Joachim Frederik, die was gehuwd met Albrecht Frederiks dochter. Joachim Frederiks zoon Johan Sigismund (1618-1619) werd na Albrecht Frederiks dood in 1618 hertog van Pruisen. Brandenburg en Pruisen waren hiermee definitief in één hand verenigd. Brandenburg behoorde echter tot het Heilige Roomse Rijk, terwijl Pruisen nog steeds het opperleenheerschap van Polen moest erkennen. Johan Sigismund was in 1613 op het calvinisme overgegaan, maar de relatie met het katholieke Polen en de macht van de streng lutherse Staten noodzaakten hem tot religieuze verdraagzaamheid, een beleid dat zijn opvolgers zouden voortzetten.
thumb|150px|De Grote Keurvorst Frederik Willem Zijn zoon George Willem (1619-1640) raakte door conflicterende belangen verwikkeld in de Dertigjarige Oorlog (1618-1648). Pruisen bleef, in tegenstelling tot Brandenburg, gevrijwaard van grootschalige verwoestingen, maar de bezetting van de havensteden door Gustaaf II Adolf betekende een aanzienlijke inkomstenderving. George Willems zoon Frederik Willem (1640-1688), de Grote Keurvorst, centraliseerde het bestuur, voerde economische hervormingen door, beperkte de onder zijn voorgangers sterk gegroeide macht van adel en steden en bouwde een efficiënt en sterk leger op. Bij de Vrede van Westfalen (1648) verkreeg hij Achter-Pommeren, de geseculariseerde bisdommen Kammin, Minden en Halberstadt en de voogdij over het aartsbisdom Maagdenburg.