De echte libellen of ongelijkvleugeligen (Anisoptera) zijn een infraorde van insecten die behoren tot de orde libellen (Odonata). Echte libellen behoren tot de meest in het oog springende insecten door de relatieve grootte en het snelle vlieggedrag. Libellen zijn de grootste insecten binnen Europa. Ze vallen verder op door de grote ogen, de afstekende lichaamskleuren en de geprononceerde vleugels.

Libellen en hun larven zijn zonder uitzondering vleeseters die zich voeden met kleinere dieren, voornamelijk andere insecten. Volwassen libellen zijn overdag actief en jagen het liefst overdag bij warm en zonnig weer. Ze zijn niet schuw en zelfs tijdens de paring en het afzetten van de eieren verbergen ze zich niet, in tegenstelling tot veel andere insecten. Echte libellen zijn snelle en behendige vliegers die goed opvallen als ze jagen.

Echte libellen zijn sterk verwant aan de juffers (Zygoptera). Juffers zijn gemakkelijk van libellen te onderscheiden aan de dunnere lichaamsbouw en de tragere vliegwijze. Echte libellen werden lange tijd als een onderorde beschouwd en zodoende als zustergroep van de onderorde juffers gezien. Later werden de oerlibellen ontdekt en deze groep werd naast alle andere libellen in de onderorde Epiprocta geplaatst. Deze indeling wordt tegenwoordig breed erkend maar de verouderde situatie wordt in veel bronnen nog vermeld.

Wereldwijd zijn 3130 soorten echte libellen beschreven. In Europa komen ongeveer 90 soorten voor en in Nederland en België zijn ongeveer 50 soorten inheems. In Suriname komen ongeveer 200 soorten voor. Vier soorten echte libellen zijn endemisch in Suriname en komen nergens anders ter wereld voor.

Naamgeving thumb|160px|Edmond de Selys Longchamps Met de naam libellen kan zowel de onderorde van de echte libellen worden aangeduid alsook de gehele orde Odonata, waartoe ook alle juffers behoren. In dit artikel wordt met de naam 'libellen' steeds de groep van de echte libellen bedoeld, tenzij anders vermeld.

De infraorde werd voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Edmond de Selys Longchamps (1813 - 1900), een Belgische senator en tevens natuuronderzoeker, in 1854. In de Nederlandse taal worden daarnaast wel namen als 'paardenbijters' en 'wrattenbijters' gebruikt. Deze laatste naam is ook in zwang voor een aantal grotere sabelsprinkhanen, zoals de soort Decticus verrucivorus. In Suriname worden libellen vaak met 'zanddraken' aangeduid.

De naam 'libel' is afkomstig van het Latijnse woord libella, dat verwant is met libra (weegschaal, balans). Het slaat op de rechte T- vormige lichaamshouding van de dieren tijdens het vliegen. Het woord heeft niets te maken met libellus (boekje). Hiervan is de naam van het weekblad voor vrouwen Libelle afgeleid.

In het Nederduits worden libellen echten goldpeer genoemd, de libellen als orde (Odonata) worden in dit dialect als goldpeer aangeduid. De Noorse naam Øyenstikkere betekent vrij vertaald 'oog-plakkers' wat slaat op de lichaamsbouw. De Poolse naam ważki różnoskrzydłe slaat op de vleugels en betekent vrij vertaald 'echte andersvleugeligen'.

In de Engelse taal worden libellen wel met dragonflies (drakenvliegen) aangeduid. In de Zweedse taal wordt de naam trollsländor (trollenvliegen) gebruikt. Deze namen hebben te maken met de vroegere volkswijsheden, zie onder het kopje relatie met de mens.

De larven van libellen worden nimfen genoemd. Ook de namen naiaden of najaden worden wel gebruikt, naar de mythische waternimfen naiaden.

De wetenschappelijke naam Anisoptera betekent letterlijk vertaald ongelijk-vleugeligen. De naam komt uit het Grieks; ἄνισος (anisos) betekent 'ongelijk' en πτερόν (pteron) betekent 'vleugel'. De naam slaat op de vorm van de vleugels. Bij de juffers hebben alle vleugels dezelfde vorm maar bij de echte libellen hebben de voorvleugels een andere vorm dan de achtervleugels. Een uitzondering vormen de oerlibellen die uiterlijk lijken op echte libellen maar gelijkvormige vleugels hebben. Deze groep wordt tegenwoordig echter als aparte groep van libellen beschouwd, zie onder het kopje taxonomie.

Verspreiding en habitat thumb|260px|De wereldzwerver (Pantala flavescens) heeft een van de grootste verspreidingsgebieden van alle insecten door de zwervende levenswijze. thumb|260px|Libellen leven om en nabij het water, afgebeeld is de platbuik. Libellen komen overal ter wereld voor behalve op Antarctica. De meeste soorten leven in de tropen, een relatief klein aantal soorten komt in meer gematigde gebieden voor. Omdat de larven in het water leven komen libellen nooit voor in wateren die geheel bevriezen of lange tijd droog staan. Libellen zijn heel zeldzaam in relatief koude gebieden zoals de poolstreken en in uitgestrekte woestijnen zoals de Sahara.De Noordse glazenmaker (Aeshna subarctica) is een uitzondering en komt voor van Kamtsjatka tot Alaska en kan zelfs worden aangetroffen binnen de poolgrens, zoals in Letland. Uit een studie van een vijver in de Mojavewoestijn bleek dat libellen zich ook in heel warme gebieden kunnen handhaven. Verschillende soorten waren actief bij een temperatuur tot 45 graden Celsius in de schaduw.

Sommige libellen kunnen enorme afstanden afleggen, dergelijke soorten worden zwervers genoemd en kunnen ver buiten het voortplantingsgebied worden aangetroffen. Ze kunnen in geheel andere landschappen en habitats terechtkomen dan waar ze vandaan komen.Van libellen is bekend dat ze de Indische Oceaan kunnen oversteken. Van de wereldzwerver (Pantala flavescens) is waargenomen dat een afstand van zo'n 7000 kilometer kan worden afgelegd. Vermoed wordt zelfs dat deze soort van India naar zuidelijk Afrika vliegt en weer terug, er worden tussenstops gemaakt op de Seychellen en de Malediven. Hierbij wordt een afstand afgelegd van 14.000 tot 18.000 kilometer wat ongekend is voor een insect. De vorige recordhouder was de monarchvlinder (Danaus plexippus), die tot 4500 kilometer van de geboortegrond kan trekken. Van een aantal libellen is bekend dat ze door sterke winden kunnen worden meegevoerd. Sommige uit Afrika afkomstige soorten kunnen hierdoor tot in IJsland worden aangetroffen.

In België en Nederland zijn libellen overal te vinden inclusief de Waddeneilanden. In België zijn 41 soorten waargenomen, uit Nederland zijn 43 soorten bekend. Dit is relatief veel; ter vergelijking komen in het ruim acht keer grotere Duitsland 52 soorten voor. De reden hiervan is dat met name Nederland een uitgesproken waterrijk land is waar veel meren, vennen, rivieren en andere oppervlaktewateren te vinden zijn. Waterrijke gebieden oefenen een grote aantrekkingskracht uit op libellen. Zie voor een lijst van alle echte libellen die leven in België en Nederland ook de lijst van soorten echte libellen in België en Nederland.

De habitat van de verschillende soorten kan sterk verschillen. De geschikte habitat hangt soms samen met de familie. De rombouten bijvoorbeeld zijn in snel stromende wateren te vinden terwijl de korenbouten meer in stilstaand water voorkomen. De meeste libellen leven als larve in stilstaand water met veel waterplanten. Er zijn libellen die zich hebben aangepast op modderige wateren zonder veel planten en andere soorten zijn generalisten die zich vrijwel overal kunnen voortplanten. Er zijn ook specialisten die zich in de regel alleen voortplanten in het water waarin ze zelf geboren zijn. Een voorbeeld is de oostelijke witsnuitlibel, die zich gespecialiseerd heeft in vennen. Deze soort is in Nederland zeer zeldzaam en wordt beschouwd als bijna uitgestorven. Sommige libellen zijn gebonden aan een bepaalde waterplant. Een voorbeeld is de groene glazenmaker (Aeshna viridis), die sterk gebonden is aan de krabbenscheer (Stratiotes aloides). De larven kunnen goed schuilen in de bladeren van de plant en gebruiken de bladeren om uit te sluipen. De eitjes worden afgezet in de bladeren van de krabbenscheer en overwinteren hierin.

De meeste soorten komen voor in laaggelegen gebieden maar libellen zijn tevens te vinden in hoger gelegen delen en sommige soorten leven in typische bergstreken. Een soort uit het geslacht van de glazenmakers is gevonden op een hoogte van 3700 meter boven zeeniveau in de Pamir.

Uiterlijke kenmerken thumb|260px|Libellen hebben duidelijk te onderscheiden lichaamsdelen, hier Lyriothemis acigastra uit India. Echte libellen behoren wat betreft gemiddelde lichaamslengte tot de grootste insecten. De verschillende libellen bereiken in Nederland een lichaamslengte van 29 tot 84 millimeter.

De grootste libel in Nederland en België is de gewone bronlibel (Cordulegaster boltonii), die tot maximaal 8,5 centimeter lang wordt. De grote keizerlibel (Anax imperator) wordt met een lengte van 8,4 cm iets kleiner. De grootste libel wereldwijd is de Australische soort Petalura ingentissima, die tot 12,5 cm lang kan worden. De grootste libel aller tijden is de lang geleden uitgestorven Meganeuropsis permiana. Deze soort bereikte een geschatte vleugelspanwijdte tot 71 centimeter en een lichaamslengte tot 43 cm. Meganeuropsis permiana wordt beschouwd als het grootste insect dat ooit heeft geleefd.

De kleinst bekende libel is Aziatische soort Nannophya pygmaea, die tot maximaal 1,5 centimeter lang wordt en een vleugelspanwijdte bereikt van 2 cm. De kleinste soort in Nederland is de zwarte heidelibel, deze soort wordt 2,9 tot 3,4 cm lang.

Lichaamskleur De lichaamskleur van libellen kan zeer sterk variëren. Mannetjes zijn vaak eenvoudig van vrouwtjes te onderscheiden aan hun lichaamskleur. Bij de paardenbijter hebben de mannetjes een zwart achterlijf met blauwe ovale vlekken en gele driehoekige vlekjes. Bij de vrouwtjes is het achterlijf donkerbruin van kleur en komen alleen gele vlekken voor.

De meeste soorten zijn geel tot bruin of grijs, maar ook rode, blauwe, heldergroene en zelfs paarse en roze kleuren komen voor. De kleur van een libel verschilt soms ook binnen een soort, soms zijn zowel groene als blauwe variaties van dezelfde soort bekend. De Nederlandstalige naamgeving schept soms verwarring. De mannetjes van de groene glazenmaker hebben bijvoorbeeld een veel intenser blauwe kleur dan die van de blauwe glazenmaker.

De lichaamskleur van een enkel individu kan veranderen naarmate het dier ouder wordt. Alle libellen hebben een bleke kleur als ze uit de pop kruipen. Al snel kleuren ze om als het lichaam enige tijd aan de buitenlucht is blootgesteld. Bij een aantal soorten is dit niet de uiteindelijke kleur vindt later nog een rijping van de lichaamskleur plaats. Juveniele mannetjes zien er hierdoor uit als vrouwtjes. Dit heeft als voordeel dat jonge mannetjes niet als concurrent worden gezien door hun geslachtsrijpe soortgenoten. Pas als ze volwassen worden krijgen ze hun definitieve kleur. Bij oudere mannetjes krijgt het lichaam een poederachtige substantie op het achterlijf. Deze kleuraanpassing wordt wel 'berijping' genoemd en bestaat uit wasachtige schubjes.

Andersom gaat het eveneens op; oudere vrouwtjes krijgen vaak dezelfde lichaamskleur als een mannetje. Dit dient om de paarlustige en fanatieke mannetjes te weren. Vrouwtjes van de bloedrode heidelibel zijn bijvoorbeeld eerst geel en later bruin van kleur. Een extra moeilijkheid bij het herkennen van soorten of geslachten is het feit dat libellen ook op een gegeven moment van kleur kunnen veranderen, en weer terug. Dit dient om de lichaamstemperatuur stabiel te houden.

De lichaamskleur blijft niet behouden na de dood van het dier, zoals bij veel vlinders en kevers het geval is. Zowel de kleuren van het lichaam zelf als van de ogen vervagen snel na het overlijden. De wasachtige bepoedering raakt gemakkelijk los bij geprepareerde exemplaren.

Kop thumb|280px|Onderdelen van de kop: