Bidsprinkhanen (Mantodea) zijn een orde van grote, roofzuchtige insecten met een kenmerkende, opgeheven lichaamshouding. Bidsprinkhanen komen wereldwijd voor. De meeste soorten leven in tropische streken, maar sommige vertegenwoordigers zijn ook in meer gematigde gebieden te vinden.

Alle bidsprinkhanen hebben een slanke, langwerpige lichaamsvorm en kenmerkende voorpoten die geëvolueerd zijn tot grote en krachtige, sterk gespecialiseerde vangpoten. Bidsprinkhanen hebben de typische gewoonte om dit voorste potenpaar in rust voor zich uit te houden, waarbij de dij en de scheen duidelijk zijn samengeklapt. Hieraan is het eerste deel van de Nederlandstalige naam bidsprinkhanen te danken en ook de wetenschappelijke naam Mantis religiosa (gelovige sprinkhaan) voor de bekendste Europese soort is hiervan afgeleid. Deze benaming is misleidend, want het zijn geen echte sprinkhanen. Ze zijn nauwer verwant aan de kakkerlakken (Blattodea) dan aan de rechtvleugeligen (Orthoptera), waartoe de sprinkhanen behoren. Bidsprinkhanen onderscheiden zich van de rechtvleugeligen doordat ze zonder uitzondering carnivoor zijn; ze staan bekend als vraatzuchtig en kannibalistisch. Bidsprinkhanen hebben ook een wezenlijk andere morfologie; alle soorten hebben altijd een opgerichte lichaamshouding en nooit een kruipende, zoals bij sprinkhanen, kakkerlakken en krekels het geval is.

Bidsprinkhanen grijpen alles wat ze fysiek aankunnen, waaronder prooien groter dan zijzelf. Vergeleken met andere insecten zijn bidsprinkhanen relatief groot, maar door hun vaak goede camouflage vallen ze nauwelijks op. De voornaamste vijanden van de bidsprinkhaan zijn hagedissen en vogels. Bidsprinkhanen worden vertegenwoordigd door ongeveer 2300 soorten, waarmee ze een relatief kleine orde binnen de insecten zijn. In tegenstelling tot de meeste andere insecten is het tevens een vrij uniforme groep.

In dit artikel worden verschillende wetenschappelijke (entomologische) aanduidingen gebruikt waarvoor soms geen Nederlandse naam bestaat. Zie de lijst van gebruikte wetenschappelijke termen onderaan.

Verspreiding en habitat Bidsprinkhanen worden aangetroffen in delen van Europa, zuidelijk Azië, Noord- en Zuid-Amerika, Afrika, Nieuw-Zeeland en delen van Australië. Vrijwel alle soorten komen voor in tropische en subtropische gebieden maar er zijn ook soorten die in de warmere gematigde gebieden leven. Alleen de Europese bidsprinkhaan (Mantis religiosa) komt algemeen voor in met name de zuidelijke delen van Europa, rond de Middellandse Zee, in zuidelijk Duitsland en in Belgisch-Lotharingen zijn waarnemingen bekend. De Europese bidsprinkhaan komt in elk geval al sinds 2009 in Nederland voor. Pas in 2023 werden voor het eerst in Nederland jonge exemplaren en eitjes aangetroffen. Dat gebeurde in Nationaal Park De Meinweg in de provincie Limburg. Daarmee werd vastgesteld dat het insect zich in Nederland voortplant.Maarten Albers Bidsprinkhaan heeft voet aan de grond gekregen in Nederland, de Volkskrant, 29 september 2024 In grote delen van Noord-Europa komen geen bidsprinkhanen voor. Ook in zuidelijk Zuid-Amerika en delen van Noord-Amerika leven van nature geen bidsprinkhanen. Een aantal soorten is hier wel geïntroduceerd, zoals de Europese bidsprinkhaan die als exoot voorkomt in onder andere Noord-Amerika (Verenigde Staten). Rond de evenaar komen overal ter wereld bidsprinkhanen voor.

Bidsprinkhanen leven meestal op planten, soms dicht bij de bodem of op enige hoogte. De microhabitat kan sterk verschillen; bepaalde soorten leven meer in grassen, andere meer in struiken en sommige soorten zijn gespecialiseerd in het leven op bloemen. Een aantal soorten leeft in meer extreme milieus, zoals woestijnen. Een klein aantal soorten is strikt bodembewonend en jaagt in de strooisellaag op prooien maar geen enkele soort heeft een gravende levenswijze. Ook soorten die op enigerlei wijze zijn aangepast op het leven in water komen niet voor. De meeste bidsprinkhanen verdrinken zelfs ogenblikkelijk wanneer ze in open water terechtkomen. Van jonge nimfen is bekend dat ze in een enkele waterdruppel al kunnen verdrinken.Royal Alberta Museum - Chinese Mantid Tenodera aridifolia - Website

Kenmerken x200pxx200px Een exemplaar uit Lissabon, Portugal Bidsprinkhanen zijn er in alle vormen en maten, maar toch zijn ze in de regel eenvoudig van andere insecten te onderscheiden dankzij hun karakteristieke bouw. Ze zijn voornamelijk te herkennen aan de volgende drie kenmerken: De kop is altijd driehoekig en draagt relatief grote samengestelde ogen die duidelijk te onderscheiden zijn. De kop is opvallend beweeglijk, wat uniek is voor een insect. De hals is opvallend lang en draagt het voorste potenpaar. Deze 'hals' is onderdeel van het borststuk en wordt de prothorax genoemd. Door de sterk verlengde prothorax staan de achterste twee paar poten relatief ver van de voorste poten, dit in tegenstelling tot vrijwel alle andere insecten. De voorpoten zijn het duidelijkste kenmerk omdat ze zijn omgebouwd tot enorme vangarmen die in rust tegen elkaar worden geklapt.

De kleinste soorten bereiken een lengte van ongeveer 1,5 centimeter, de grootste soorten (zoals uit de geslachten Hierodula en Ischnomantis) kunnen meer dan 25 cm lang worden. De meeste soorten hebben een lichaamslengte van ongeveer vijf tot tien centimeter.

Kop left|thumb|270px|Vooraanzicht van de Aziatische soort Rhombodera basalis met driehoekige kop, draadvormige antennes, ocelli (tussen de antennes) en 'pupil' De kop van een bidsprinkhaan is driehoekig. Bij sommige soorten heeft de kop grillige vergroeiingen die dienen ter camouflage. De kop beschikt over een beweeglijkheid die met geen enkel ander insect te vergelijken is. De kop kan alle kanten op worden gedraaid, zodat de sprinkhaan om zich heen kan kijken zonder het lichaam te bewegen.

Een bidsprinkhaan heeft vijf ogen, waarvan er twee dienen voor het waarnemen van voedsel en gevaar en drie die een meer ondergeschikte visuele functie hebben. De twee samengestelde ogen of facetogen bestaan uit tientallen kleinere oogjes of ommatidiën. De facetogen zijn bij alle bidsprinkhanen relatief groot. Ze zijn bij veel soorten meer in de kop gelegen, maar bij een aantal soorten puilen ze uit. De andere drie ogen zijn eenvoudig van structuur. Dit zijn de enkelvoudige ogen of puntogen (ocelli). Aan de bovenzijde van de kop is aan weerszijden een oogje aanwezig en de derde zit meestal tussen de facetogen, meer aan de voorzijde van de kop. Zie voor het gezichtsvermogen onder zintuigen.

Bidsprinkhanen hebben in vergelijking met andere insecten vrij lange antennes, maar deze zijn nooit langer dan het lichaam, zoals bij verwante groepen als krekels het geval is. Bidsprinkhanen en krekels hebben wel gemeen dat de antennes erg beweeglijk zijn en vrijwel continu in beweging zijn. De antennes zijn boven op de kop geplaatst, tussen de ogen. Ze zijn meestal dun en draadvormig (filiform), maar er zijn enkele uitzonderingen waarbij de antennes geveerd zijn zoals de in zuidwestelijk Europa levende soort Empusa pennata.

Bij de mannetjes zijn de antennes altijd langer dan bij vrouwtjes van dezelfde soort. De antennes worden voornamelijk gebruikt om een partner op te sporen.

De monddelen zijn bijtend en kauwend. Bidsprinkhanen hebben net als verwante groepen (sprinkhanen en krekels, kakkerlakken) een onderkaak of mandibel en een bovenkaak of maxilla. Zowel de boven- als onderkaak heeft een paar tasters, respectievelijk de liptasters en kaaktasters.

Borststuk Bidsprinkhanen hebben een duidelijk van de kop te onderscheiden borststuk en achterlijf. Bij de bidsprinkhanen is met name het borststuk aangepast aan het vangen van prooien. Het voorste thoraxsegment (de prothorax) is in vergelijking met dat van andere insecten sterk verlengd, waardoor de vangpoten vrij ver van de looppoten staan. De looppoten zijn aan de basis van het borststuk bevestigd en de vangpoten meer aan de voorzijde, waardoor de reikwijdte van de vangpoten aanzienlijk wordt vergroot. De prothorax wordt beschermd door het halsschild, dat eveneens sterk verlengd is.

Bidsprinkhanen hebben een groef aan de onderzijde van het derde en achterste segment van het borststuk, de metathorax. Hierin zijn twee tegenover elkaar gelegen tympana (enkelv. tympanum, trommelvliezen) aanwezig, met achter ieder trommelvlies een met lucht gevulde holte. Het orgaan kan ultrageluid waarnemen; dit is een aanpassing aan predatie door de vleermuis, die op de meestal 's nachts vliegende mannetjes jaagt, zie onder vijanden.

Poten thumb|Delen van de poot De twee paar looppoten zijn duidelijk te onderscheiden van het vergrote paar vangpoten. De looppoten hebben geen duidelijke rijen doorntjes zoals de vangpoten en zijn dun en opvallend lang. De looppoten zijn meestal niet geschikt om mee te rennen, waardoor bidsprinkhanen niet erg snel zijn. De looppoten worden gebruikt om te 'wiegen'; door met de poten langzaam schommelende bewegingen te maken wordt de indruk gewekt dat de bidsprinkhaan een blaadje of takje is wat meebeweegt in de wind. Dit gedrag versterkt de camouflage doordat de bidsprinkhaan zo minder opvalt. Het wiegen met de poten komt overigens ook voor bij andere insecten zoals de wandelende tak en het wandelend blad (Phasmatodea).

De vangpoten zijn ver uit de buurt van de looppoten gelegen en hebben een verandering ondergaan die voor bidsprinkhanen kenmerkend is. De vangpoot bestaat vanuit het lichaam bezien uit de coxa of heup (1), die via de moeilijk zichtbare trochanter (2) verbonden is met het femur of dij (3). De dij is bij de meeste soorten het breedste deel van de poot en het best ontwikkeld. Bij sommige soorten is de dij duidelijk blad-achtig afgeplat. De binnenzijde van de dij bevat een duidelijk zichtbare rij stekels die de prooi ankeren. De stekels van de dij sluiten aan bij de stekels van de tibia of scheen (4), zodat ze bij een gesloten ('biddende') poot precies in elkaar passen. De scheen van de bidsprinkhaan heeft een vaak duidelijk zichtbare 'vanghaak' (4A); een dolk-achtige structuur die dezelfde functie heeft als de stekels: vasthouden van de prooi. Het laatste segment van de vangpoot is de tarsus of voet (5). Deze bestaat altijd uit vijf geledingen die de tarsomeren worden genoemd. Net als bij alle insecten dienen deze geledingen om houvast te krijgen op de ondergrond. De terminale en voorlaatste podomeren, die samen de grijpfunctie vertegenwoordigen, worden samen ook wel aangeduid als subchelae, en zijn anatomisch verwant met de scharen van onder andere kreeftachtigen.

Vleugels thumb|Vleugels van de Europese bidsprinkhaan Bidsprinkhanen hebben, als de meeste insecten, in beginsel twee paar vleugels die in rust over elkaar gevouwen zijn op het achterlijf. De bovenste, zichtbare vleugels zijn de voorvleugels. Deze hebben dezelfde kleur als het lichaam en dienen als bescherming voor de achtervleugels. De achtervleugels zijn de vliezige, kwetsbare vleugels waarmee gevlogen wordt. Het oppervlak van de achtervleugels is veel groter dan de voorvleugels, ze worden in rust opgevouwen zodat ze volledig bedekt worden door de voorvleugels.

De vleugels worden ook gebruikt om vijanden af te schrikken; bij deze soorten worden door de vleugels uit te klappen schrikkleuren getoond en tevens lijkt het lichaam groter, zie onder vijanden.

In tegenstelling tot de meeste andere gevleugelde insecten gebruiken bidsprinkhanen hun vleugels zelden om zich te verplaatsen. Ze vliegen alleen uit noodzaak, zoals in geval van bedreiging of een val uit een boom. Het zijn in de regel slechte vliegers die zich tijdens de vlucht gemakkelijk uit de lucht laten plukken. Bidsprinkhanen vliegen onhandig en zijn in vlucht niet erg wendbaar in vergelijking met andere vliegende insecten zoals vliegen en libellen. Als er gevlogen wordt gebeurt dit meestal 's nachts, zodat ze voor veel vijanden onzichtbaar zijn.

Achterlijf