Maarten Luther (Duits: Martin Luther) (Eisleben, 10 november 1483 – aldaar, 18 februari 1546) was een Duits protestantse theoloog en reformator. Begonnen als augustijner broeder (1506) die het sacrament van de priesterwijding ontvangen had (1507), ontwikkelde hij zich na zijn benoeming in 1508 tot hoogleraar in de moraaltheologie aan de Universiteit van Wittenberg tot de leidende persoonlijkheid van de Reformatie in het Duitse Rijk. Het in een brief aan aartsbisschop Albrecht van Brandenburg opstellen van zijn academische stellingen tegen de handel in aflaten, op 31 oktober 1517, (ook wel Thesenanschlag genoemd) is het symbolische begin van het protestantisme. In 1521 werd Luther door paus Leo X geëxcommuniceerd.

Levensloop Tijdlijn voor Maarten Luther 1483-1546

Vroege jaren (tot 1517) Maarten Luther werd in 1483 geboren in Eisleben in een boeren- en mijnwerkersfamilie. Hij heette oorspronkelijk Luder, ook gespeld als Lüder, Loder, Ludher, Lotter, Lutter of Lauther. Zijn familie was mettertijd vrij rijk en stond in enig aanzien in de omgeving. Op 11 november 1483 werd Luther gedoopt in de Sint-Petrus-en-Pauluskerk in Eisleben, op de naamdag van Martinus van Tours, naar wie hij daarom vernoemd werd. Luther bracht zijn jeugd door in Mansfeld, waar hij later in het bestuur van die stad werd gekozen.

Van 1488 tot 1497 volgde Luther de Latijnse school te Mansfeld, vervolgens één jaar die in Maagdenburg, ten slotte van 1498 tot 1501 die in Eisenach. Als jongen van nog geen 12 jaar sprak, las en schreef hij reeds vloeiend in het Latijn. In mei 1501 werd de 17-jarige Luther als student ingeschreven aan de Universiteit van Erfurt, met de bedoeling jurist te worden. In mei 1505 begon hij met zijn eigenlijke studie rechten.

Dat jaar trad Luther in in het Augustijnenklooster in Erfurt. Later werd verteld dat hij dit deed naar aanleiding van een belofte, gedaan tijdens een onweer. Het was het begin van een zoektocht naar een genadige God. Na een proefjaar werd hij in september 1506 in de orde van de augustijner heremieten opgenomen. Begin april 1507 werd Luther tot priester gewijd.

In 1508 begon Luther filosofie te doceren aan de universiteit van Wittenberg. Hij zette tegelijkertijd zijn theologische studies voort. In 1510 of 1511 bracht Luther een bezoek aan Rome om paus Julius II te vragen de onafhankelijkheid van zijn orde binnen de augustijnen te vrijwaren. Hij hield een negatieve indruk over aan de stad die hij later de 'zetel van de duivel' noemde. In 1512 droeg zijn prior, Johan von Staupitz, hem op voorgoed naar Wittenberg terug te keren. In oktober 1512 werd Luther 'doctor der Heilige Schrift', de Bijbel. Van 1513 tot 1515 gaf Luther colleges over de Psalmen. Van 1515 tot 1516 gingen zijn colleges over de brief aan de Romeinen. In 1516 vormde de Brief aan de Galaten het onderwerp van zijn colleges.

Omstreeks 1517 begon hij zijn brieven te ondertekenen als Martinus Eleutherius, later gewoon Luther.

miniatuur|rechtop|Portret van Magdalena Luther, dochter van Martin Luther (ca.1541)

Begin van de Reformatie (1517–1522) Op 31 oktober 1517 schreef Luther een brief aan aartsbisschop Albrecht van Brandenburg van Maagdenburg en Mainz. Daarin stelde hij de aflaatverkoop van Johann Tetzel, een dominicanenpriester, aan de kaak. Bij die brief voegde hij 95 academische stellingen rond dit onderwerp, die hij met zijn collega-theologen wilde bediscussiëren. Deze stellingen werden waarschijnlijk ook apart gedrukt en uitgehangen aan de poort van de kerk(en) van Wittenberg, een standaardprocedure om een academisch debat aan te kondigen. (1995). Luthers Thesenanschlag ist eine Legende. in: Niemand hat Kolumbus ausgelacht, Fälschungen und Legenden der Geschichte richtiggestellt; 7e oplage, ECON Verlag GmbH, Düsseldorf: 79–91 Dit werd later - pas na Luthers overlijden - tot de legende dat Luther op 31 oktober zelf de 95 stellingen aan de deur van de slotkapel te Wittenberg had vastgenageld.

Philipp Melanchthon nam dit verhaal op in het voorwoord van het tweede deel van Luthers verzamelde werk, dat door hem werd uitgegeven. Luther werd geconfronteerd met mensen die hun zonden kwamen biechten en daarna hun aflaten lieten zien, zodat hij ze als biechtvader geen boetedoening kon opleggen en slechts de vrijspraak (absolutie) kon geven. Het was een kwijtschelden door de paus van straf voor zonden, door te putten uit de verdienste van de goede werken van Christus en alle gelovigen. Hiervoor was weliswaar biecht, berouw en vergiffenis nodig, maar het aankopen van de aflaat was voldoende om de zondestraffen kwijtgescholden te krijgen zonder grote persoonlijke inzet. Luther vond dit een misstand en wilde die aanklagen en rechtzetten, en ging ervan uit dat de paus de misbruiken van de aflaatverkoop ook zou veroordelen.

De aflaat waartegen Luther in het bijzonder protesteerde was de Jubileumaflaat voor de nieuwbouw van de Sint-Pieterskerk, die ook verkocht werd aan de nabestaanden van mensen die inmiddels waren overleden en waarmee ze hun dode geliefden een paar jaar vagevuur konden besparen. De brief aan Albrecht kwam op 17 november in Calbe, de tweede zetel van het bisdom, aan. Albrecht, die op dat moment in Aschaffenburg was, zag de brief voor het eerst op 13 december. Intussen wachtte Luther op antwoord. Dat kreeg hij niet. Ook niet van zijn onmiddellijke leidinggevende Hieronymus Schulz. In december 1517 was het Tetzel die als eerste, in het openbaar, reageerde, in de vorm van eigen stellingen, die in drukvorm verschenen. Op het initiatief van enkele van Luthers vrienden verschenen nu ook Luthers stellingen in druk.

Van 1517 tot 1518 gaf Luther colleges over de Brief aan de Hebreeën en nogmaals over de Psalmen. Op 23 augustus 1518 vaardigde paus Leo X een breve uit, gericht aan kardinaal Thomas Cajetanus, om Luther als notoire ketter te dagvaarden.

In Leipzig vond in 1519 het beroemde dispuut plaats tussen Luther en zijn Wittenbergse collega Johannes Eck (1486–1543) over het primaatschap van de paus. Eck stelde dat de ontkenning van de goddelijke instelling van dat pauselijk primaatschap Luther op één lijn stelde met de ketters John Wyclif en Johannes Hus. Luther antwoordde hierop dat 'de leer van Wyclif en Hus wel degelijk veel christelijke en evangelische elementen bevatte'. Daaruit volgde automatisch de conclusie dat het Concilie van Konstanz, dat Hus in 1415 op de brandstapel had doen belanden, had gedwaald. Dit bevestigde Luther ook. Met het afwijzen van de onfeilbaarheid van de concilies wees Luther ook elk kerkelijk leerambt af. Enkel de Heilige Schrift (de 'Scriptura') was voor de christenen de onfeilbare gezagsinstantie: 'Sola Scriptura!'.

De theologische faculteiten van Leuven en Keulen veroordeelden in 1519, als eerste instellingen van de Christenheid, Luthers stellingen over de aflaat. Luther verwees dan ook naar de theologen als 'de ezels van Leuven'. Op 15 juni 1520 werd de dreigbul 'Sta op, o Heer' (Exsurge Domine) bezegeld, die de veroordelingen door Leuven en Keulen grotendeels herhaalde en die 41 uitspraken van Luther verwierp. Luther werd opgedragen deze binnen 60 dagen te herroepen. Eck bracht de bul naar Duitsland.

In de herfst van 1520 schreef Luther in het Duits 'Over de vrijheid van een christen' (Von der Freiheit eines Christenmenschen), dat hij naar paus Leo X stuurde als een samenvatting van wat hij had gedoceerd.

In oktober 1520 werden Luthers boeken in Leuven op de brandstapel gegooid. Op 10 december 1520 reageerde Luther op deze boekenverbranding door buiten de poorten van Wittenberg, bij de zogenaamde Luthereik, de bul te verbranden, samen met het pauselijk wetboek. Volgens Luther was dit wetboek nu het toonbeeld van tirannie. Wat begon als een streven naar hervorming, vertrouwend op de goede bedoelingen van de paus, veranderde nu in een totale breuk met de Rooms-Katholieke Kerk. Het werd dus duidelijk dat Luther niet alleen een hervorming van de Kerk wilde, maar fundamenteel dogmatisch anders dacht. Op 3 januari 1521 viel dan ook het kerkrechtelijk oordeel over Luther: de bul 'Het is de Romeinse Opperpriester toegestaan' (Decet Romanum Pontificem) deed Luther in de ban (excommunicatie).

Normaal volgde op een kerkelijke ban meestal een rijksban. De jonge keizer Karel V, die op 28 juni 1519 was verkozen, wilde weliswaar trouw zijn aan Rome, maar moest rekening houden met Luthers keurvorst Frederik de Wijze van Saksen, die hem in bescherming nam. De keizer besloot daarop Luther een vrij verhoor toe te staan op de rijksdag van Worms van 16 tot 25 april 1521. Hem werd daar gevraagd 20 van zijn boeken te herroepen. Luther weigerde echter ook maar iets te herroepen en verklaarde op 18 april dat hij zich alleen 'door getuigenissen der Schrift of duidelijke argumenten' zou laten overtuigen, want zijn geweten was 'gevangen' in Gods Woord. Hij zei dat het 'onzeker en gevaarlijk is, tegen zijn geweten te handelen. God helpe mij, Amen.' Of de uitdrukking 'Hier sta ik, ik kan niet anders' van Luther is, is niet zeker, maar het geeft wel zijn houding weer. Op 25 april besloot de keizer als beschermheer van de Kerk op te treden. De volgende dag verliet Luther Worms (Zie De grote schoenen van Luther).

thumb|Werkkamer van Luther op de Wartburg Een keizerlijk edict van 26 mei 1521 deed Luther daarop in de rijksban. Luthers keurvorst Frederik had Luther echter op 4 mei reeds in het geheim laten ontvoeren en naar de Wartburg in Eisenach laten brengen. Daar leefde hij bijna een jaar lang als jonker Jörg (hij liet zijn hoofdhaar bijgroeien) en vertaalde hij het Nieuwe Testament in het Duits. Hij maakte daarbij gebruik van de recente kritische uitgave van Erasmus, die later Textus Receptus zou worden genoemd. Luthers vertaling werd in 1522 gepubliceerd.

Op 9 maart 1522 verliet Luther echter de Wartburg, ondanks de ban, zonder verlof van zijn keurvorst.

Latere jaren (1523–1546) In 1524 publiceerde Luther de eerste van zijn hymnen; de laatste verschenen in 1543. Op 13 juni 1525 trad hij met Katharina von Bora, een uitgetreden cisterciënzerin, in het huwelijk. Luther wilde met zijn huwelijk een voorbeeld stellen. Hij bleef wel in het klooster van Wittenberg wonen, dat in de volksmond het Zwarte Klooster heette. Hij kreeg kritiek om zijn huwelijk tijdens het geweld van de boerenoorlog, die mede door zijn prediking was uitgebroken.

De Duitse Boerenoorlog (1524–1525) was mede geïnspireerd door Von der Freiheit eines Christenmenschen (1520). Luther ging echter uit van geweldloos verzet en schreef in reactie daarop Wider die Mordischen und Reubischen Rotten der Bawren (1525) waarin hij zich uitsprak tegen de boeren en voor de rechten van de vorsten. Hij kreeg daarop veel kritiek, maar het maakte de weg vrij voor geleidelijke hervormingen in Duitsland aangezien Luther, met wat later zijn tweerijkenleer werd genoemd, kerk en overheid als gescheiden zag. Voor hen die zich hier niet in konden vinden, bleef het ius emigrandi over, het recht om te emigreren, wat daarna bevestigd werd in de Godsdienstvrede van Augsburg (1555). Voor de situatie in Frankrijk en de Nederlanden betekende het echter dat men op zoek moest naar een andere ideoloog.

Hij bevorderde tevens de groei van de nationale landskerken (Landeskirchen) met visitaties en kerkordes. Velen keerden zich af van Luther, waarmee het begin van de Reformatie door de vorsten werd ingezet door middel van de landskerken.

In de herfst van 1529 nodigde landgraaf Filips I van Hessen hem uit om met Zwitserse geloofsgenoten te spreken over onderlinge theologische verschillen (vgl. Zwingli).