thumb|Middelburg in 1652 door J. Blaeu thumb|Topografische kaart van Middelburg (stad), dec. 2014 Middelburg () is de hoofdplaats van de gelijknamige gemeente en de hoofdstad van de provincie Zeeland. De plaats ligt op het schiereiland Walcheren. De stad Middelburg telde op inwoners. De gehele gemeente Middelburg telt (, bron: CBS) en 1016 inwoners per km². Middelburg is het beginpunt van de N57 en ligt aan de A58 en de spoorlijn Roosendaal - Vlissingen. De stad wordt doorsneden door het Kanaal door Walcheren. Middelburg is met ruim 43.000 inwoners de grootste stad van de provincie Zeeland. Landelijk is Middelburg de kleinste provinciehoofdstad.
Geschiedenis Middeleeuwen Middelburg moet rond het midden van de 9e eeuw zijn ontstaan, want bij archeologische opgravingen van na de verwoesting van 1940 (zie onder), zijn gebruiksvoorwerpen uit die periode gevonden. Bij de plaats werd vermoedelijk eind 9e eeuw de middelste ringwalburg (of vluchtburg) op Walcheren aangelegd, die lag tussen de Duinburcht (Domburg) en de Zuidburcht (Souburg). Deze burcht was vermoedelijk als verdediging tegen de Vikingen bedoeld nadat zij na de mislukte strooptocht van Rodulf (873) van het eiland verjaagd waren. Maar veel is onzeker over deze burchten: mogelijk werden deze ook al gebouwd ten tijde van Vikingkoning Harald de Jongere, die tussen 841 en 864 over het eiland heerste. De burg had een doorsnede van ruim 200 meter en werd omringd door een aarden wal en een gracht, die in het noorden en oosten werd gevormd door het riviertje de Arne en in het zuiden (Lange Delf) en westen werd gegraven. De huidige hoogte van de burchtheuvel is ongeveer 7 meter boven NAP.
In de 10e eeuw ontstond ten westen van de burg, rond de huidige Markt, een agrarische nederzetting op een kruispunt van drie hoger gelegen zandige kreekruggen ten westen van de burg: de Noordweg, de Seisweg en de Segeersweg. Deze landwegen liepen (en lopen) van hieruit naar andere delen van Walcheren. Reeds in 1103 wordt 'Mitthelburgensis portus' in de levensbeschrijving van Willibrord van Thiofried een handelsnederzetting genoemd, waarvan de rivier de Arne de belangrijkste handelsverbinding vormde met zee. Het Arnewater ten oosten van de ringwalburg (huidige Damplein) deed dienst als haven. In de tweede helft van de 10e eeuw werd in deze handelsnederzetting de Westmonsterkerk (Sint-Maartenskerk) gebouwd (gesloopt in 1575). Vermoedelijk werd hier ook het eerste klooster gesticht. Mogelijk speelde het klooster van Echternach hierbij een rol. In dezelfde periode ontstond ten oosten van de burg, nabij het huidige Damplein, een tweede nederzetting. Kort na het jaar 1000 werd Middelburg door de Duitse keizer Hendrik II de Heilige aangewezen als bestuurscentrum van Walachria-Bevelandia. De Vlaamse graaf Boudewijn IV werd in 1012 de eerste graaf van dit deel van het gebied dat ergens tussen 1162 en 1189 de naam Zeelandia (Zeeland) zou krijgen.
Aan het einde van de 11e eeuw werd ten noorden van de ringwalburg de Noordmonsterkerk (Sint-Pieterskerk) gesticht als tweede parochiekerk (gesloopt in 1834). In 1123 bouwden de kanunniken een nieuw klooster binnen de veilige ringwalburg: de abdij van Middelburg, die in 1127 werd overgedragen aan de norbertijnen als dochter van de Sint-Michielsabdij uit Antwerpen. Later werden op het terrein van de abdij onder meer twee kerken gebouwd: de 14e-eeuwse Koorkerk en de 15e-eeuwse Nieuwe Kerk. In 1217 kreeg Middelburg stadsrechten van graaf Willem I van Holland en van gravin Johanna van Vlaanderen, waarbij werd verwezen naar een eerdere, mogelijk 12e-eeuwse stadskeure. In 1254 werden deze stadsrechten nog uitgebreid door graaf Willem II van Holland.
De ringwalburg bleef tot ver in de 13e eeuw in gebruik: de grachten worden nog in 1232 en 1266 genoemd. In dit laatste jaar werd Middelburg -mogelijk als vervolg op de uitbreiding van de stadrechten- voorzien van stadswallen, die ook nog op de 16e-eeuwse kaart van Jacob van Deventer te zien zijn en omringd werden door de deels nog aanwezige binnengrachten. De oostelijke binnengrachten liepen ter plaatse van de Zuidsingel en de Spuistraat. Tussen 1266 en 1301 werd vervolgens de Arne ter plaatse van de burggracht en de haven (het Damplein) gedempt. Buiten de noordmuren werd het Molenwater gegraven, die men inrichtte als spuikom: bij vloed liet men deze vollopen en bij eb liet men het water binnen in de nieuwe haven van de stad (na 1540 de Oude Haven genoemd) om deze op diepte te houden en schoon te spoelen. Iets na 1350 werd de nieuwe haven ter plaatse van de huidige Schuitvlotstraat versterkt met een waterpoort (de Dampoort) In 1312 werd de stadsgracht in het zuidoosten verplaatst naar buiten om ook de Vlissingsestraat binnen de stadsmuren te trekken. In die tijd groeide Middelburg uit tot het centrum van de lakenhandel met Engeland. Deze handelsactiviteiten waren mogelijk doordat de stad zich binnen de economische invloedssfeer van de Scheldedelta bevond met de Vlaamse handels- en banksteden Brugge, Gent en Antwerpen in haar nabijheid. In feite vormde Middelburg een soort voorhaven van Brugge. Goederen van zeeschepen werden in Middelburg overgeslagen op lichtere binnenschepen om zo het meer landinwaarts gelegen Brugge te kunnen bereiken. Met de opkomst van Antwerpen in de 15e eeuw gingen de overslagactiviteiten in Middelburg zich richten op die stad en werd zo feitelijk nu een voorhaven van Antwerpen. Hiervoor werden nieuwe redes aangelegd bij het nog lucratiever gelegen Arnemuiden, dat zo weer de voorhaven vormde van Middelburg. Arnemuiden probeerde diverse malen om zelf de havenactiviteiten te vergroten, maar Middelburg wist dit steeds te voorkomen omdat de handel zich dan zou kunnen verplaatsen. Middelburg probeerde in die tijd diverse malen om het stapelrecht op de "westerse waren olie, wijn, ijzer en wede te verwerven, maar slaagde hier niet in doordat de schepen liever doorvoeren naar handelssteden als Brugge of Antwerpen. Alleen voor Franse wijnen wist de stad in 1508 de facto stapelrecht te verkrijgen. Het privilege op de wijnimport werd in 1523 door Brussel bevestigd en in 1538 gehandhaafd, toen een wijnvloot door de heer van Bergen op Zoom een wijnvloot uit La Rochelle naar zijn haven had gelokt.W.S. Unger: Geschiedenis van Middelburg in omtrek. Uitg. Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen
In 1432 en 1492 vonden in Middelburg grote stadsbranden plaats waarbij grote delen van de stad werden verwoest. Na deze branden werden verschillende maatregelen genomen om toekomstige stadsbranden te voorkomen. Eerst werd de verplichting opgelegd dat er voortaan alleen nog stenen schoorstenen en leien of pannen daken mochten worden gelegd. Later stelde het stadsbestuur de steenboete in om zo aan stenen te komen die vervolgens goedkoop werden aangeboden om er nieuwe stenen gevels van te kunnen bouwen. Vanaf 1695 werd er een verbod gesteld op de bouw van houten gevels en houten zijgevels die uitkwamen op de straten op straffe van een boete van 25 gulden en een dwangsom van een Vlaamse pond per dag om de houten (zij)gevel binnen veertien dagen te slopen. Houten gevels mochten niet meer worden gerepareerd en moesten zo via een uitsterfconstructie verdwijnen. In 1724 waren er echter nog steeds 71 houten gevels. De laatste houten gevel werd in 1888 verplaatst naar een plek tegen een muur van het vroegere pand van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, waar deze nog steeds aanwezig is (Wagenaarstraat 1, zichtbaar vanaf Achter het Hofplein).
Economische bloei Aanvankelijk vormde de Arne de belangrijkste waterverbinding met de zeearm Sloe. In de 15e eeuw verzandde de sterk meanderende Arne echter steeds verder, waarop men tussen 1532 en 1535 het kaarsrechte Kanaal van Welzinge als havenkanaal groef naar de rede bij Arnemuiden, bij het latere Nieuwland. In 1540 werd dit kanaal doorgetrokken naar de zuidelijke stadsgracht, waar nieuwe kaaien werden aangelegd, waarmee de Nieuwe Haven ontstond. De ernaast gelegen westelijke stadsgracht werd ook ingericht als spuikom voor de nieuwe haven. Zowel deze gracht als het Molenwater werden gebruikt voor de aandrijving van een getijdenmolen voor het malen van graan. De eerste bestaat nog als de Getijdenmolen Middelburg. Tussen 1549 en 1550 werd de stad uitgebreid bij de Maisbaai, waar een nieuwe haven werd aangelegd, die door een (later weer gesloopt) vierkant bastion werd beschermd.
Bij de kerkelijke herindeling van de Nederlanden op last van Filips II in 1559 werd Middelburg bisschopszetel. Het bisdom Middelburg heeft echter maar kort bestaan. In tegenstelling tot veel andere Zeeuwse plaatsen koos Middelburg net als Amsterdam na de inname van Den Briel in 1572 de kant van de Spanjaarden. Maar na een lang beleg door de geuzen moest de stad zich in februari 1574 bij de prins aansluiten.
Na de overgang naar de republiek werd de abdijkerk geseculariseerd en omgevormd tot hoofdkerk. De hierdoor overbodig geworden Westmonsterkerk werd reeds in 1575 gesloopt. De rest van het abdijcomplex werd omgevormd tot bestuurscentrum voor het gewest Zeeland. Nadat de Staten-Generaal van de Nederlanden zich in 1583 in de Noordelijke Nederlanden hadden gevestigd, kwamen ze aanvankelijk in Middelburg bijeen, alvorens ze in 1585 Den Haag als vergaderplaats kozen. In 1592 kreeg Middelburg een Illustere school, een instelling voor hoger onderwijs, die alleen een academische basisopleiding mocht verzorgen, maar geen promotierechten (ius promovendi) bezat. De bekende Franciscus Gomarus was vanaf 1611 tot 1615 predikant en docent Bijbelse theologie en Hebreeuws in Middelburg.