thumb|Handtekening van Jan van Eyck thumb|Madonna bij de fontein (1439) in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen

Jan van Eyck (Maaseik, circa 1390 – Brugge, 9 juli 1441) was een kunstschilder uit de renaissance die voornamelijk actief was in Brugge. Men rekent hem naast Robert Campin en Rogier van der Weyden tot de voornaamste vertegenwoordiger van de Vlaamse Primitieven. Tot zijn bekendste werk behoort het veelluik Het Lam Gods (1432), te bezichtigen in de Sint-Baafskathedraal van Gent. In zijn oeuvre neemt ook de Madonna met kanunnik Joris van der Paele, zijn grootste alleenstaande paneel, een belangrijke plaats in.

Algemeen Jan van Eyck was tijdens zijn leven wellicht de beroemdste schilder van Europa en stond al vroeg te boek als de "uitvinder" van de olieverfschilderkunst.Voor een diepgaande studie over dit onderwerp zie: Pim Brinkman, Het geheim van Van Eyck. Aantekeningen bij de uitvinding van het olieverven, Zwolle, 1993. Dit laatste werd in de 20e eeuw als een legende afgedaan, maar het staat vast dat Jan van Eyck in de ontwikkeling van deze techniek een doorslaggevende rol heeft gespeeld.

Jan van Eyck introduceerde in de schilderkunst een nooit eerder gezien naturalisme dat zijn wortels heeft bij eerdere ontwikkelingen in de miniatuurkunst. De verfijnde olieverftechniek en de op waarneming gebaseerde weergave van de zichtbare werkelijkheid waren de belangrijkste elementen van de Eyckiaanse kunst die spoedig in heel Europa navolging zouden krijgen. De innovaties van Jan van Eyck lopen verbazingwekkend parallel met ontwikkelingen in de Florentijnse schilderkunst van het quattrocento. Over de banden tussen Van Eyck en zijn Italiaanse collega's (Masaccio, Domenico Veneziano e.a.) is door kunsthistorici al veel gespeculeerd, maar alsnog ontbreken tastbare bewijzen of documenten die deze verbanden kunnen concretiseren. Jan van Eyck verpersoonlijkt ook de overgang van de schilder als een naamloos en bescheiden ambachtsman naar een zelfbewust, geleerd en beroemd individu. Jan van Eyck signeerde en dateerde een negental werken op de lijst of verborgen in het schilderij. Op sommige lijsten is ook zijn devies "Als ich can" aangebracht. Deze elementen wijzen op Jan van Eycks trotse en zelfbewuste houding, een attitude die in de toekomst typerend zal worden voor de kunstenaars van de renaissance.

Leven en werk Geboorteplaats en geboortejaar Er blijft onzekerheid omtrent de geboorteplaats van Jan van Eyck. De familienaam "Van Eyck" zou verwijzen naar de Belgische stad Maaseik. Algemeen wordt aangenomen dat deze stad inderdaad de geboorteplaats is geweest van Jan van Eyck en zijn enigmatische broer Hubert van Eyck. Enkele geschriften uit de 16e eeuw, dus ruim een eeuw na Van Eycks dood ontstaan, bevestigen deze veronderstelling. De 16e-eeuwse kroniekschrijver Marcus van Vaernewijck beschrijft het als volgt: "maer hy was van nativiteyt uut dat ruydt Kempenlant van een verworpen stedekin gheleghen by de Rivier van der Mase... dit stedekin is ghenoemt naer die zelve Riviere Maseyck waarnaer hy ende zijn broeder toeghenoemt waren van Eyck". Ook de Gentse kunstschilder en rederijker Lucas d'Heere schrijft: "Van Maesheyc gheboren den Vlaemschen Apelles" en verder "Die uut dat onnosel [in de toenmalige betekenis van 'onooglijk'] Maesheyc is becleven". De hypothese wordt verder door nog wat secundaire elementen ondersteund die haar toch een grote geloofwaardigheid verlenen. Zo zijn er de studies naar het "dialect" van Jan van Eyck. Deze zijn op twee bronnen gebaseerd; de (naar men aanneemt eigenhandig) geschreven indicaties op de getekende studie (Dresden, Kupferstichkabinett) voor het portret van kardinaal Niccolò Albergati, en op het devies "Als ich can" dat op vele van de originele lijsten van Jans bewaarde werken voorkomt. Deze studies wijzen eenzijdig naar een Maaslands dialect. Een tweede element is het feit dat Jans dochter Livina in 1448 in Maaseik in het Agnetenklooster trad. Dit wijst er op dat de banden tussen de familie Van Eyck en hun streek van herkomst nog levendig moeten zijn geweest, zelfs na de dood van Jan.

Sinds enige tijd werpt de Kempense gemeente Arendonk in het oude hertogdom Brabant zich op als alternatieve geboorteplaats van Jan van Eyck. Elizabeth Dhanens wees op het vaderlijke blazoen van Van Eyck dat vaak voorkomt in Brabantse families. Het moederlijk blazoen komt dan veel voor in Maaslandse families. Mogelijk was grootvader of vader Van Eyck uit Brabant afkomstig gehuwd met een vrouw uit Maasland en te Maaseik gevestigd.Elisabeth Dhanens, Hubert en Jan van Eyck, Mercatorfonds, Antwerpen, 1980, p. 13. Arendonkse heemkundigen hebben nadien geprobeerd om Van Eyck te linken aan vermeldingen in Arendonkse eigentijdse schepenregisters onder de naam Jan Van der Moelen. Geen enkele recente kunsthistorische publicatie hecht geloof aan deze hypothese.

Over de geboortedatum van Jan van Eyck bestaat eveneens controverse. Er zijn geen authentieke bronnen bekend en de vaststelling hangt dus af van interpretaties van de wel gedocumenteerde gebeurtenissen uit het leven van Jan van Eyck. Karel van Mander schreef in zijn Schilder-boeck uit 1604 dat Hubert van Eyck omstreeks 1366 was geboren en dat zijn broer Jan aanzienlijk jonger was. Lucas d'Heere en Marcus van Vaernewijck beweerden in de 16e eeuw dat Jan van Eyck jong was gestorven. Dit komt niet overeen met het geboortejaar rond 1390 dat vandaag algemeen door kunsthistorici wordt gehanteerd en dat gebaseerd is op de gedocumenteerde elementen van Jans loopbaan, zijn stilistische evolutie en de verhouding daarvan tot de algemene kunsthistorische evolutie.

De Vlaamse mediëvist Hendrik Callewier ontdekte in 2021 in de archieven van het Vaticaan ten tijde van paus Eugenius IV sporen van een door Jan van Eyck en zijn vrouw Margaretha aangevraagde biechtbrief (littera confessionalis).Latijnse notitie: "Dignetur S[anctitas] V[estra] Johanni de Eyck et Margarete eius uxori Leodien[sis] dioc[esis] con cedere l[itte]ras confess[ionales] perpetuo duratur[as] e[t]c[etera]. Fiat de sp[eci]ali. N.", geciteerd in: Hendrik Callewier, "A New Document on Jan Van Eyck: His Request for a Confessional Letter in the Vatican Archives", in: Simiolus, 2021, nr. 1-2, p. 16-25 De aanvraag was gedateerd 16 maart 1441 en zou uiteindelijk "voor eeuwig" worden ingewilligd. De notitie bevestigt dat Margarethe zijn vrouw was en toont verder aan dat hij afkomstig was uit het bisdom Luik, waardoor een aantal eerder gesuggereerde geboorteplaatsen kon worden uitgesloten. Maaseik, Bergeijk, Maastricht en Arendonk lagen in het toenmalige bisdom en blijven mogelijke geboorteplaatsen.(€) Nieuws over leven Jan van Eyck duikt op in Vaticaan, Arjen Ribbens, NRC.nl, 18 juni 2021. Gearchiveerd op 23 september 2022.NRC Handelsblad (papier), 22 juni 2021, pagina C2

Familie thumb|Portret van Margareta van Eyck, Groeningemuseum, Brugge, 1439 Jan en Hubert van Eyck hadden nog andere schilderende familieleden: een zus Margareta en een broer Lambert (fl. 1431-1442). In 1432 of 1433 trad Jan in het huwelijk met "damoiselle Marguerite". Hij vereeuwigde haar in het Portret van Margaretha van Eyck (1439), voorzien van een onderschrift dat haar leeftijd op 33 jaar stelde. Samen hadden ze twee kinderen: een zoon Philippot (°1434) en een dochter Livina. De zoon was allicht vernoemd naar zijn peter, Filips de Goede. Na de dood van de hofschilder betaalde de hertog nog een toelage aan zijn weduwe, en in 1449 betaalde hij om zijn dochter, Lyevine van der Eecke, te laten intreden in het Agnetenklooster van Maaseik., Jan van Eyck - Mythos en documenten

Opleiding en vroeg werk in Den Haag (tot 1425) Waarschijnlijk geïnspireerd door de zogenaamde "kwatrijn" (een tekst aangebracht op de lijst van Het Lam Gods, zie verder) gingen De Heere en Van Vaernewijck er beiden van uit dat Jan door zijn oudere broer Hubert werd opgeleid. Deze bewering werd door de meeste andere oude schrijvers overgenomen, onder meer bij Lampsonius en in het Schilder-boeck van Karel van Mander. Deze bewering kan niet worden bevestigd noch ontkracht, aangezien haast alle historische gegevens aangaande Hubert van Eyck ontbreken of moeilijk zijn te interpreteren. Reeds Pietro Summonte (1524) beweerde dat Jan van Eyck als "verluchter" van handschriften begon, wat ook blijkt uit de zorgvuldige en verfijnde techniek en de gedetailleerde stijl die het werk van Jan kenmerken. Volgens een bron die verloren is gegaan of die tot nog toe niet meer kon worden opgespoord, zou Jan van Eyck in 1439 zijn betaald door Filips de Goede voor het verluchten van initialen in een handschrift.

Uit de vroegste documenten in verband met Jan van Eyck blijkt dat hij in 1422 een gerespecteerd schilder was. Hij wordt vernoemd als "Meester" en werkt met een assistent in dienst van Jan van Beieren, graaf van Holland in Den Haag. Over het algemeen wordt aangenomen dat Jan van Eyck door Jan van Beieren werd ontdekt toen deze laatste nog prins-bisschop van Luik (1389-1418) was, waarvan Maaseik en het Maasland toen deel uitmaakten. Luik was met zijn vele rijke kapittels, kerken en kloosters en het luisterrijke prins-bisschoppelijke hof aantrekkelijk voor jonge kunstenaars en ambachtslieden. Aan het hof in Den Haag werd Jan tot officiële hofschilder benoemd. In 1423 kreeg hij er een tweede assistent bij en hij ontving een vast salaris tot bij de dood van de graaf in januari 1425.

De vroege werken uit de Hollandse periode zijn slechts indirect bekend uit tekeningen en kopieën. Een Aanbidding der koningen is bekend door een tekening in Berlijn (Kupferstichkabinett Berlin) en komt ook voor in verscheidene verluchte handschriften van Hollandse herkomst. De kleren van de figuren verwijzen naar de mode van voor circa 1420. De uiterst verfijnde en uitgelengde figuren staan in een uitgebreid landschap dat zeer opmerkelijk is voor die tijd. Een tekening in Parijs (Louvre) is de neerslag van een compositie die wellicht in de vorm van een verloren monumentale wandschildering of een wandtapijt was uitgewerkt. Het toont een adellijk gezelschap dat aan het hengelen is rond een vijver of een stroom in een park. De figuren zijn te identificeren als Jan van Beieren en zijn vrouw Elisabeth van Görlitz. De compositie vertoont nog tal van raakpunten met de hoofse stijl van de zogenaamde "internationale gotiek" en met name met het werk van de gebroeders Van Lymborch. De figuren zijn lang en uitgelengd en dragen elegante kleren. thumb|left|Detail van Doopsel van Christus uit het Turijns-Milanees getijdenboek

Felomstreden zijn de miniaturen in het beroemde en deels verloren gegane Turijn-Milaan-Getijdenboek (Turijn, Museo Civico, Ms. 47). Hierin zijn miniaturen opgenomen die duidelijk verwijzen naar een oorspronkelijk ontstaan aan het hof van de graven van Holland en die ook naar de latere stijl van Jan van Eyck vooruitwijzen. Hieronder bevinden zich werken die getuigen van de vaardigheid waarmee Van Eyck landschappen, binnenruimtes en atmosferische effecten wist weer te geven. Moderne onderzoekers hebben echter ontdekt dat de miniaturen door verschillende "handen" gemaakt zijn en dat ze waarschijnlijk uit de jaren 1440 (dus na de dood van Jan van Eyck) dateren. Vandaag wordt er meestal van uitgegaan dat Brugse navolgers van Jan van Eyck modellen hebben gekopieerd die Jan van Eyck zelf in zijn Hollandse periode had gecreëerd.

In dienst van Filips de Goede, Brugge en Rijsel (1425-1430) Na de dood van Jan van Beieren verhuisde Jan van Eyck naar Brugge. Op 19 mei 1425 staat hij geregistreerd als hofschilder en kamerdienaar van hertog Filips de Goede. Uit de archieven blijkt dat Jan bijzonder in de gunst van deze Bourgondische vorst moet hebben gestaan. Hieruit blijkt de bijzonder geprivilegieerde status die Jan van Eyck genoot en die voor een kunstenaar in die tijd zeer ongewoon was.