Josef Anton Bruckner (Ansfelden, 4 september 1824 – Wenen, 11 oktober 1896) was een Oostenrijks componist en organist. Hij dankt zijn roem hoofdzakelijk aan elf groot opgezette symfonieën (waarvan negen door hem genummerd zijn en twee 'officieus'), drie missen waarvan twee in middelgrote en een in zeer grote bezetting, een Te Deum, Psalm 150 en een strijkkwintet. Hij legde zich voornamelijk toe op de genres symfonie en religieus koorwerk en bereikte hierin grote hoogten.

Levensloop Vroege jaren Bruckner werd geboren in Ansfelden bij Linz in Opper-Oostenrijk, waar zijn vader schoolmeester was. Hij ging piano, viool, orgel en compositie studeren bij uitstekende leraren in zijn omgeving. Hij was tijdens zijn leven vooral bekend als organist: zijn roem als componist kwam pas aan het einde van zijn leven. Na de dood van zijn vader werd hij ondergebracht in het schoolinternaat van het Chorherrenstift Sankt Florian (vanaf 1836).

Hij leek aanvankelijk voorbestemd zijn vader op te volgen als schoolmeester. Zijn eerste standplaats was het gehucht Windhaag waar hij hulpmeester werd en waar ook zijn eerste composities ontstonden, zoals de Windhagermesse. In het boerendorp Windhaag werd hij door zijn vrij aparte opstelling en gedrag ternauwernood getolereerd. Hij had er dan ook geen plezierige tijd, maar een betrekking als organist van het monumentale Chrismann-orgel in de kerk van Stift Sankt Florian voerde hem in 1848 terug naar de muziek. Zijn eerste composities ontstonden al vroeg in zijn leven en waren vooral liturgisch van aard. Zijn Requiem in d-klein (1849) bewijst dat hij al in zijn jonge jaren over grote compositorische gaven beschikte en op de hoogte was van de 'klassieken', onder wie Mozart en Haydn. Toch durfde Bruckner de stap naar een leven als beroepsmusicus en componist nog niet te wagen. Het lag in zijn aard om veilige wegen te bewandelen en dus om ambtenaar te worden.

Dom-organist in Linz Een ambtelijke loopbaan kwam er niet. In 1855 kwam de post van organist in de Dom van Linz vrij en Bruckner werd aangenomen. Hij telde de Linzer bisschop Rudigier tot zijn trouwste aanhangers. Rudigier kwam regelmatig heimelijk in de kerk luisteren als Bruckner op orgel aan het improviseren was. Daarnaast bleef Bruckner harmonieleer en compositie studeren. Zijn obsessie om overal diploma's en daarmee 'van buiten' erkenning te behalen is legendarisch geworden. Belangrijke leermeesters in zijn Linzer studiejaren waren Simon Sechter in Wenen (voor harmonieleer en contrapunt) en in Linz zelf Otto Kitzler, die hem de weg naar de symfonie wees. De eerste symfonische composities ontstonden (vier korte orkestwerken, een ouverture in g-klein, een symfonie in f-klein). Kitzler was bijzonder kritisch ten aanzien van Bruckners studiecomposities. Hij adviseerde Bruckner ten zeerste, eenmaal volleerd in de theorie, om gewaagdere muziek te schrijven en nieuwe wegen te zoeken. Die aanmoediging had Bruckner nodig.

Op zeker moment (1864) kon niemand hem meer iets leren in de muziektheorie en compositiekunst en waagde hij de stap. In 1864 en 1865 schreef Bruckner respectievelijk zijn eerste grote mis (in d-klein) en zijn ‘eerste’ symfonie in c-klein. Het waren meesterwerken die op de toenmalige luisteraars in Linz grote indruk maakten. Toch werden deze, en ook zijn latere grote werken door dat publiek zelden echt begrepen. In 1865 maakte Bruckner kennis met de persoon en de muziek van Richard Wagner. Al begreep hij van Wagners literaire drama's vrijwel niets, de klankwereld van deze titaan opende voor Bruckner definitief de poort naar een nieuwe symfonische esthetiek.

Wenen thumb|left|Beeld van Bruckner in Wenen. Foto 2003. Bruckner raakte in 1867 in een diepe mentale crisis en zocht zijn heil in een sanatorium. Hij leed aan depressies en een dwangmatige telziekte. Hij overwoog naar Mexico te verhuizen. Uiteindelijk genas hij en schreef de grote Mis in f om God te bedanken voor zijn herstel. Op dat moment stierf Simon Sechter in Wenen. In 1868 vertrok Bruckner definitief naar Wenen om daar als docent harmonieleer en contrapunt aan het conservatorium zijn oude leermeester Simon Sechter op te volgen. Zijn leven veranderde definitief in een loopbaan in de muziek. Zijn roem als organist bereikte ook het buitenland en in 1871 werd hij uitgenodigd om in Nancy, Londen en Parijs orgelconcerten te geven en aan orgelcompetities mee te doen.

In Wenen begon vanaf 1869 een zeer productieve periode op symfonisch gebied. In 1869 schreef Bruckner een symfonie in d, die hij later ‘annuleerde’ en als de ‘Nullte’ bekend werd. In 1871/72 ontstond de tweede symfonie in c, in 1873 de derde symfonie in d, in 1874 de vierde symfonie in es, in 1875 de vijfde symfonie in bes. De compositorische hyperactiviteit wierp geen vruchten af, op de derde symfonie na werden geen van de werken uitgevoerd. En de première van de derde in Wenen werd een pijnlijk fiasco, dat Bruckner aan de rand van een nieuwe depressie bracht. Er volgden jaren van omwerkingen, die leidden tot diverse versies van de symfonieën.

Bruckner bleef tot het eind een groot bewonderaar van Wagner, aan wie hij zijn derde symfonie opdroeg, en had onder zijn leerlingen en navolgers Hans Rott, Rudolf Krzyzanowski, Hugo Wolf en Gustav Mahler.Mahler vervaardigde samen met een andere leerling een pianoversie van Bruckners derde symfonie; bedoeld om hierdoor deze muziek via de 'route' van de huiskamer (met piano) breder ingang te doen vinden. Hij had ook te maken met felle tegenstand: tijdens de première van zijn derde symfonie in Wenen verliet vrijwel het hele publiek de zaal. Het waren vooral de critici die Bruckner niet serieus namen. Daarbij speelden ook niet-muzikale aspecten een rol, zoals zijn eenvoudige afkomst (die zich uitte in zijn provinciale kleding en accent). De diepgelovige Bruckner was in het dagelijkse leven in het grootstedelijke Wenen een uiterst onzeker persoon en werd mede daardoor voor een simpele ziel aangezien. Men kon er niet bij dat een eenvoudige natuur zoals hij symfonische muziek van een letterlijk ongekende harmonische en vorm-complexiteit kon scheppen.

Van zijn collega-componisten liet met name Brahms zich laatdunkend over Bruckner uit. De monumentale en diepreligieuze muziek, waarin Wagner de 'toon' bepaalt, van de oprecht gelovige Anton Bruckner (van huis uit rooms-katholiek), stond in schril contrast met de romantisch-klassieke muziek van Brahms (van huis uit protestant maar later agnost). Behalve hetzelfde lievelingsgerecht, Oostenrijkse knoedels, hadden beide meesters niets met elkaar gemeen, zoals beiden constateerden in een van hun vele toevallige ontmoetingen in hetzelfde Weense restaurant, Zum Roten Igel.

De kritiek op Bruckner van zowel Brahms als van vele Weense muziekrecensenten moet worden bekeken vanuit het Brahms-Wagnerconflict dat muzikaal Duitsland en Oostenrijk in de tweede helft van de 19e eeuw in zijn greep hield. Brahms werd in de pers afgeschilderd als het icoon van de traditiegebonden "absolute" muziek, Wagner stond voor muzikale vernieuwing en het Gesamtkunstwerk. Bruckners symfonieën behoren in dit licht gezien eigenlijk tot de "absolute muziek" (zij lijken niet naar een buitenmuzikale inhoud te verwijzen). Het zijn geen symfonische gedichten zoals Wagners schoonvader Franz Liszt die schiep. Niettemin werd hij vanwege zijn grenzeloze bewondering voor Wagner bij het laatste kamp ingedeeld en ontving hij in de pers van conservatieve critici, onder aanvoering van Eduard Hanslick, vernietigende kritieken waaronder hij ten zeerste leed.

Na een lange periode van revisies van zijn werken (1876-1881) volgde weer een periode van compositorische productiviteit. In 1881 ontstond zijn zesde symfonie in A, in dezelfde tijd zag zijn machtige Te Deum het licht, naar Bruckners eigen zeggen een lofzang voor God, die hem ondanks alle tegenslagen nog altijd op de been had gehouden. In 1883 voltooide hij zijn zevende symfonie in E en in 1885 zijn achtste symfonie in c. Dit laatste werk, tevens zijn langste en meest complexe, bezorgde hem weer een zware tegenslag. Dirigent en vriend Hermann Levi weigerde het werk uit te voeren. Het werd het startsein voor een tweede periode van revisies van veel van zijn symfonieën (1886-1891). De herzieningen van zijn werken kostten zoveel tijd dat het werk aan zijn magnum opus, de negende symfonie in d, traag vorderde. Al in 1887 was Bruckner er aan begonnen, maar pas in 1893 waren de eerste drie delen voltooid.

Erkenning Bruckner kreeg aan het eind van zijn leven de roem en de erkenning waarnaar hij tientallen jaren had uitgezien. Dit begon met de triomfale wereldpremière in 1884 van zijn zevende symfonie door het Gewandhausorchester onder leiding van Arthur Nikisch in Leipzig, Duitsland. Ook zijn vierde symfonie werd, na vele omwerkingen, uiteindelijk enthousiast ontvangen. De derde symfonie kreeg in diverse landen (o.a. in Nederland) uitvoeringen dankzij de vroege publicatie van het werk. Na de eerste grote triomfen raakte de muziekwereld nieuwsgierig wat deze zonderlinge componist nog meer in petto had. Bruckner hoefde niet meer te leuren om zijn werken uitgevoerd te krijgen. De verzoeken stroomden binnen en veel van zijn andere symfonieën kregen hun wereldpremière. Wenen kreeg door dat er naast Strauss en Brahms nog een groot genie in de stad huisde. Bruckner werd eredoctor aan de Universiteit van Wenen, ontving uit handen van keizer Frans Jozef I van Oostenrijk een onderscheiding in de Franz-Joseph Orde en kreeg een keizerlijk pensioen. In zijn laatste levensjaren stelde de keizer Bruckner een bescheiden oudedagverblijf in het Schloss Belvedere in Wenen ter beschikking.

Als keizerlijk hoforganist bespeelde Bruckner in 1890 het orgel tijdens de huwelijksvoltrekking van de Oostenrijkse aartshertogin Valerie (de jongste dochter van Frans Jozef en keizerin Elisabeth) met Frans Salvator van Oostenrijk. Aan deze gebeurtenis is het te danken dat enig inzicht valt te krijgen over Bruckners meermalen als 'fenomenaal' gekenschetste improvisatietalent op orgel. Op aandrang van een hoge hofbeambte moest Bruckner op papier aangeven hoe hij (althans in grote lijnen) en over welke thema's hij zijn orgelimprovisaties tijdens de huwelijksmis zou realiseren. Van hem zijn verder weinig orgelcomposities overgeleverd, omdat improvisaties vrijwel nooit worden opgetekend.

Laatste jaren Bruckner was in zijn laatste jaren chronisch ziek (hartklachten). Bovendien leed Bruckner al zeker sinds zijn veertigste, en mogelijk al eerder, aan OCD (obsessive-compulsive disorder). Dat uitte zich bij hem vooral in de dwanghandelingen om alles te tellen: de bladeren van een boom, de spijlen van een hek, de punten in een boek enz. Dit vertaalde zich ook naar zijn werkmethode bij het componeren: Bruckner placht opeenvolgende maten van onderscheiden segmenten van symfoniedelen te nummeren om daarmee 'houvast' te creëren voor het proportionaliseren. Dit kan worden beschouwd als rationele achtergrond van subjectieve uitingen over met name zijn symfonieën die 'klinken als kathedralen'.

Tot op de laatste dag werkte hij aan zijn negende symfonie, waarvan de finale op een haar na voltooid was. Op 11 oktober 1896 blies hij de laatste adem uit. Van de vrijwel voltooide finale bleef het grootste deel (in manuscriptvorm) bewaard. Sterke vermoedens bestaan dat er veel meer schetsen en zelfs orkestraties van dit symfoniedeel geweest zijn: door souvenirjagers zouden die in de dagen volgend op zijn overlijden uit Bruckners laatste woning zijn ontvreemd.

Bruckner werd, geheel volgens zijn laatste wens, begraven in de crypte van 'zijn' Stift Sankt Florian bij Linz, direct onder het orgel waar zijn talent, vijftig jaar eerder, tot wasdom was gekomen.

Persoonlijk leven thumb|Anton Bruckner rond 1890