Annaberg-Buchholz is een Duitse gemeente en plaats in de Duitse deelstaat Saksen. De gemeente is Große Kreisstadt van de Erzgebirgskreis, waar ook het bestuur van deze Kreis zetelt. De stad telde op de peildatum van de meest recente statistiek inwoners. Annaberg-Buchholz noemt zichzelf, ook in officiële stukken, ook wel de Berg- und Adam-Ries-Stadt.
De historische Bergstadt behoort sinds 2019, samen met andere plaatselijke monumenten uit de mijnbouwgeschiedenis van het Ertsgebergte in Duitsland en Tsjechië, tot de UNESCO-Werelderfgoedlijst als "Montanregion Erzgebirge/Krušnohoří".
Het stadswapen is een dubbelwapen: voor de beschouwer links is het wapen van Annaberg te zien, met Sint-Anna, de beschermheilige, met Maria en het Kindje Jezus; rechts het wapen van Buchholz, met de beschermheilige Sint-Catharina en aan haar hand het rad, waarop zij geradbraakt had moeten worden, en het zwaard, waarmee zij werd onthoofd, en zo stierf als martelares. Onderaan beide wapens de hamer en moker, symbolen voor de mijnbouw.
Geografie
Annaberg-Buchholz ligt in het Ertsgebergte. Het marktplein van Annaberg ligt op ongeveer 600 meter boven de zeespiegel. Erdoorheen stroomt het riviertje de Sehma, een zijrivier van de Zschopau, die weer een zijstroom is van de Freiberger Mulde. Het stadsdeel Buchholz ligt ten westen, en Annaberg ten oosten van de Sehma, op de flanken van de 832 meter hoge Pöhlberg.
Naburige plaatsen Aangrenzende gemeenten zijn: Schlettau in het westen Thermalbad Wiesenbad in het noorden, en iets verderop Thum Königswalde in het oosten Mildenau in het oosten Sehmatal in het zuiden, en iets verderop, in Tsjechië Jáchymov (voorheen Joachimsthal).
Dichtstbijzijnde grote stad is Chemnitz.
Stadsindeling Annaberg-Buchholz had medio 2011 ongeveer 21.000 inwoners, en bestaat uit de volgende zes stadsdelen: Annaberg (circa 13.000 inwoners, aan de oostkant van het riviertje de Sehma) Buchholz (ca. 3.500 inw.; 3 km ten zuidwesten van Annaberg en aan de westkant van de Sehma) Cunersdorf (bijna 1.000 inw.; 3½ km ten zuiden van Annaberg en 2 km ten zuiden van Kleinrückerswalde) Frohnau (ca. 1.000 inw.; direct ten westen van Annaberg en de Sehma) Geyersdorf (ruim 1.000 inw.; 3 km ten oost-noordoosten van Annaberg; genoot in de tweede helft van de 15e eeuw als mijnbouwnederzetting enige tientallen jaren lang stadsrechten) Kleinrückerswalde (ca. 1.500 inw.; direct ten zuiden van Annaberg, tegenover Buchholz; reeds sinds 1912 een stadsdeel van Annaberg).
Na 2011 zijn geen per Ortsteil uitgesplitste bevolkingsstatistieken meer bijgehouden.
Verkeer en vervoer
Autobahnen zijn binnen een afstand van 25 km tot Annaberg-Buchholz niet aanwezig. De gemeente is bereikbaar via de Bundesstraße 95 en de Bundesstraße 101, alsmede enige lokale wegen (Staatsstraßen). De B95 en de B101 kruisen elkaar aan de noordrand van de stad, bij het ziekenhuis.
De stad is vanuit Chemnitz via het overstapstation te Flöha per stoptrein te bereiken. Eindpunt is Annaberg-Buchholz unterer Bahnhof, direct ten westen van het centrum van Annaberg. Het grote dienstgebouw van dit station is in gebruik bij de Technische Universiteit Chemnitz. Men kan er spoorwegtechnologie studeren, en een deel van de administratie van de TU Chemnitz zetelt er. Bovendien begint hier een 24 km lang spoorlijntje naar Schwarzenberg, dat als testbaan voor proeven met rail-infra-technologie, -software en -materieel wordt gebruikt (gewone treinen rijden hier, afgezien van nu en dan een toeristische stoomtrein in het weekend, bijna niet op). Een ander station, 2½ km verder zuidelijk, is Annaberg-Buchholz Süd, aan een spoorlijntje van Annaberg-Buchholz unterer Bahnhof via Cranzahl, gemeente Sehmatal, naar Vejprty (Duitse naam: Weipert), in Tsjechië.
De door Annaberg lopende spoorlijntjes hebben mede een toeristisch karakter; er wordt regelmatig door regionale clubs van stoomtreinliefhebbers met historische stoomtreinen gereden. De exploitante van de lijntjes, Erzgebirgsbahn te Chemnitz, een dochteronderneming van Deutsche Bahn, maakte in 2024 bekend, over tien jaar de spoorlijnen te willen elektrificeren.
In Annaberg-Buchholz zijn er 7 stadsbuslijnen, waarvan er echter slechts twee ook in de weekenden rijden.
Economie
Annaberg is van oudsher een mijnbouw- en industriestadje. Na de Duitse hereniging (1990) zijn echter veel fabrieken failliet gegaan, omdat ze niet voldeden aan de westerse normen van rentabiliteit. Een beperkt aantal kleine fabrieken, waaronder één, waar rolcontainers voor afval worden geproduceerd, en een tweetal brood- en banketfabrieken, bestonden in 2025 nog.
Belangrijk voor de economie van de gemeente is vooral het toerisme. De gemeente heeft een bezienswaardige stadskern, en ligt in het toeristisch aantrekkelijke Ertsgebergte. Er zijn vrij veel voorzieningen voor met name fiets- en wandeltoerisme, en 's winters voor de langlaufsport.
Annaberg is een Große Kreisstadt, wat inhoudt, dat er binnen de dienstensector relatief veel werkgelegenheid is: veel regionale ambtelijke instellingen hebben hier kantoren. Annaberg beschikt verder over een vrij groot ziekenhuis. De grootste werkgevers van de gemeente (860 respectievelijk ruim 600 medewerkers) waren anno 2020 een regionale spaarbank en de plaatselijke stadsbusdienst.
Geschiedenis
Bij de Deling van Leipzig in 1485 was de locatie van het huidige Annaberg Albertijns (Hertogdom Saksen) geworden, en de locatie van Buchholz Ernestijns (Keurvorstendom Saksen). De grens tussen deze twee territoria was het riviertje de Sehma.
Er werd in deze streek, o.a. te Frohnau, en sinds 1530 ook te Cunersdorf, zeker al sinds 1492 zilvererts, en ook enig koper, gedolven, met name in de heuvel Schreckenberg. Hertog George van Saksen had in 1493 voor deze berg al een mijnbouwreglement uitgevaardigd. In 1507 verleende keurvorst Frederik III van Saksen soortgelijke privileges aan Sankt-Katharinenberg am Buchholz, het latere stadje Buchholz.
Annaberg ontstond in de 15e eeuw, waarschijnlijk in 1497 als bergstad (mijnbouw-nederzetting) op de 649 m hoge heuvel Schreckenberg. Als stichter van de stad wordt de rooms-katholieke hertog George van Saksen (1471-1539) of Joris met de Baard beschouwd, die in 1539 werd opgevolgd door zijn protestantse broer Hendrik. Iets later ontstond ook Buchholz, aan de westkant van de Sehma. Hertog Georg had in 1502 een groot klooster voor de franciscanen laten stichten, en stimuleerde rond 1500 de katholieke heiligenverering voor Sint Anna, als beschermheilige van de zilvermijnbouw, met kracht; vandaar de naam van de stad. Annaberg en Buchholz lagen tot 1547 dus in twee verschillende landen; de invloed van de Reformatie van de vroege 16e eeuw was te Buchholz sterker dan te Annaberg. In het begin van de 16e eeuw kende Annaberg grote economische bloei, en was toen met circa 8.000 inwoners een naar verhouding grote stad.
Al in 1498 had Annaberg het muntrecht verkregen; er werden zilveren munten, zogenaamde Schreckenberger, geslagen. In 1505 stichtte keurvorst Frederik III van Saksen te Buchholz ook een munt. In 1553 werden deze munten samengevoegd, en in 1558 naar Dresden verplaatst. In 1547 kwam ook Buchholz in het Albertijnse keurvorstendom Saksen te liggen. In 1539 was onder dwang de Reformatie doorgevoerd, en het franciscanenklooster tot munthuis verbouwd. Alleen de Mooie Deur van de vroegere kloosterkerk is blijven bestaan.
Vanaf de tweede helft van de 16e eeuw werd het kantklossen, vooral te Annaberg, en het maken van passementen, vooral te Buchholz, een belangrijk middel van bestaan. Waarschijnlijk is het ambacht ingevoerd door immigranten uit Vlaanderen. Geld werd in Buchholz van 1587-circa 1800 ook verdiend door het op grote schaal maken van speelkaarten. Dat kwam goed uit, want de zilvermijnen raakten rond 1600 bijna uitgeput. De Dertigjarige Oorlog (1618-1648) veroorzaakte ook hier ellende, door o.a. belegeringen en een pestepidemie.
Stadsbranden deden zich voor in 1604 en 1731 te Annaberg, en in 1852 te Buchholz.
In de 18e eeuw werd op bescheiden schaal nikkelmijnbouw bedreven. Naar een bij Frohnau gelegen locatie, waar het gevonden werd, werd in de 19e eeuw een nikkelhoudend mineraal annabergiet genoemd.
De mijn Markus-Röhling-Stolln bij Frohnau bleek vanaf 1733 tot 1805 nog zilver en kobalt op te leveren, en was dus winstgevend. Ook van 1820-1833 kwam er nog zilver aan de dag, en van 1820-1857 kobalt. In 1992 werd in deze mijn een mijnbouwmuseum (Besucherbergwerk) gesticht.
In 1866 verkreeg Annaberg aansluiting op het spoorwegnet.
Bij de horecagelegenheid Feldschlößchen staat een monument ter herinnering aan een dodenmars van 400 overwegend Franse gevangenen uit het Außenlager Neu-Staßfurt van het concentratiekamp Buchenwald, die in april 1945 gedwongen werden, naar Annaberg te lopen. Slechts 65 van hen overleefden deze barre tocht.
Op 15 april 1945, tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog, werd Buchholz zwaar getroffen door een geallieerd luchtbombardement, waarbij o.a. de Catharinakerk en 127 huizen werden verwoest. Hoeveel doden bij dit bombardement vielen, is niet bekend. De stad Annaberg liep nauwelijks oorlogsschade op.
De fusie tussen de steden Annaberg en Buchholz, een bevel van officieren van het Sovjetrussische Rode Leger verliep niet zonder protesten van de bevolking, hoewel er in 1920 juist tevergeefs actie was gevoerd vóór een samenvoeging. Pas begin 1949 werd de vier jaar eerder door de Sovjet-bezettingsmacht afgedwongen fusie officieel. Van 1949 tot 1990 lag de gemeente in de DDR. In 1947 werd de mijnbouw voor enige jaren hervat. Het staatsbedrijf Wismut exploiteerde bij Annaberg een uraniummijn. Veel werk werd in de periode tot circa 1953 met de hand uitgevoerd. Daarvoor waren duizenden extra mijnwerkers nodig. Hierdoor nam de bevolking van Annaberg en Buchholz tijdelijk sterk toe. Na circa 1958, toen het uranium uitgeput was, en verder na de Duitse hereniging (1990) daalde de bevolking weer door het faillissement van enige fabrieken, die niet meer rendabel waren.
Tussen 1996 en 1999 werd de gemeente uitgebreid door opneming daarin van de plaatsen Frohnau, Cunersdorf en Geyersdorf.
Bezienswaardigheden, evenementen Met name de stad Annaberg bezit nog veel monumentale huizen, die dateren uit haar bloeiperiode, de eerste helft van de 16e eeuw. Sint-Annakerk (St.-Annen-Kirche): Gebouwd vanaf 1499 in een overgangsstijl tussen laatgotische en renaissancestijl. Voltooid in 1525. Sedert 1539 evangelisch-luthers, voordien een rooms-katholieke, aan Sint Anna gewijde kerk, met een uitgebreide, door de hertog geschonken verzameling relikwieën. Het is een van de kunst- en architectuurhistorisch belangrijkste, en om die reden ook meest bezienswaardige kerkgebouwen van de gehele deelstaat Saksen. In het interieur verscheidene altaarstukken, waaronder het beroemde Annaberger Bergaltar (circa 1520-1522), dat o.a. de mijnbouw van rond 1500 uitbeeldt Sint-Catharinakerk (St.-Katharinen-Kirche) (Buchholz): Gebouwd vanaf 1506 tot 1523; provisorisch voltooid; in laatgotische stijl. Ook dit is een van de kunst- en architectuurhistorisch belangrijkste, en om die reden ook meest bezienswaardige kerkgebouwen van de gehele deelstaat Saksen. Ook in het interieur van dit bedehuis bevinden zich verscheidene altaarstukken, waaronder het beroemde Wolfgangsaltar (circa 1515). In februari 1945 werd het kerkgebouw grotendeels bij een geallieerd luchtbombardement verwoest; in 1981 werd de herbouw, betaald uit zowel Oost- als West-Duitse gelden, voltooid. Bergkirche St. Maria (evang.-lutherse mijnwerkerskerk te Annaberg, begin 16e eeuw): In de tijd rond kerstmis is in dit kerkgebouw een regionale folkloristische variant op de kerststal te zien. Levensgrote houten poppen, gekleed als mijnwerkers of andere ambachtslieden uit vroeger eeuwen, beelden de diverse figuren uit het kerstverhaal uit.