Beerdiertjes (Tardigrada) of waterbeertjes zijn een stam van minuscule meercellige dieren. Beerdiertjes bereiken een lichaamslengte van ongeveer een halve millimeter en een breedte van ongeveer 0,2 millimeter, waardoor ze met het blote oog bijna niet te zien zijn, en zeker niet in de vrije natuur. Ze zijn echter zeer algemeen: een enkele pluk mos kan tot duizenden individuen herbergen.

Beerdiertjes hebben een kort, gedrongen lichaam, dat bij sommige soorten is afgeplat. Alle soorten hebben een in vijf delen verdeeld lichaam dat bestaat uit een kop en vier achterlijfsegmenten. Elk achterlijfsegment heeft één paar poten. De poten eindigen in klauwtjes, waarmee het dier zich aan de ondergrond kan vasthechten.

De stam van de beerdiertjes werd al eind 18e eeuw beschreven, en omvat twee klassen, Heterotardigrada en Eutardigrada. Er zijn ruim 1.500 soorten bekend. De vroegste fossiele overblijfselen dateren uit het Cambrium, zo'n 500 miljoen jaar geleden. Op basis van genetisch onderzoek is duidelijk geworden dat beerdiertjes afstammen van veel grotere, wormachtige voorouders uit de uitgestorven groep Lobopodia.

Beerdiertjes worden beschouwd als de veerkrachtigste en moeilijkst uitroeibare dieren op aarde. Ze overleven extreme temperaturen en kunnen lange tijd zonder voedsel en water. Ze overleven zelfs gebrek aan zuurstof en weerstaan hoogenergetische straling. Mede hierdoor hebben beerdiertjes een bijzondere plaats gekregen in de populaire cultuur.

Naam en ontdekkingsgeschiedenis miniatuur|upright|Lazzaro Spallanzani Beerdiertjes zijn bekend onder verschillende andere namen, zoals tardigraden, waterbeertjes en mosbeertjes. Ze moeten niet verward worden met de mosdiertjes (Bryozoa), die tot een andere stam van het dierenrijk behoren.

Beerdiertjes zijn relatief eenvoudig onder de lichtmicroscoop te zien en werden hierdoor al in de 18e eeuw ontdekt. De diertjes werden in 1773 voor het eerst beschreven en getekend door Johann August Ephraim Goeze (1731–1793), een Duitse pastor en zoöloog. Hij noemde de diertjes 'kleine waterbeer' (kleiner Wasserbär) omdat het wat gekromde lichaam en de onhandige tred hem deden denken aan een beer.

De Italiaanse bioloog Lazzaro Spallanzani (1729–1799) was geïnteresseerd in het vermogen van sommige diertjes om uit te drogen om later weer volledig functioneel te worden. Spallanzani was de eerste die ontdekte dat beerdiertjes in extreme omstandigheden kunnen overleven door vrijwel geheel uit te drogen. In 1776 gaf hij een wetenschappelijke naam aan de groep; Tardigrada. De naam is een verwijzing naar hun trage manier van voortbewegen. Tardigrada betekent vrij vertaald 'langzame stapper'.

De diertjes werden rond 1869 ook onderzocht door de Britse bioloog Thomas Huxley. Zij deden hem door het bolle, iets gekromde lichaam en de wat onhandige, slingerende manier van voortbewegen − net als Goeze − denken aan een beer. Huxley gaf ze de naam 'water bears' (waterbeertjes). Hieraan is ook de Nederlandstalige naam beerdiertjes te danken.

Verspreiding en habitat Het verspreidingsgebied van beerdiertjes beslaat de gehele aarde: ze hebben een kosmopolitische verspreiding. Er zijn soorten bekend in gebieden van de polen tot aan de evenaar, zowel in zee als op het land. Op het land worden ze aangetroffen in vochtige planten zoals mossen, maar ook in vochtig zand. Ze zijn waargenomen in het Himalayagebergte tot boven de 6000 meter, in zeeën tot een diepte van 4690 meter en in zoetwatermeren tot een diepte van 150 meter.

Habitat miniatuur|De mossoort Coscinodon cribrosus is een geschikte leefomgeving van het beerdiertje Macrobiotus persimilis.

Beerdiertjes komen voor in zeer uiteenlopende leefomgevingen. De meeste soorten leven in vochtige plekken op het land, maar beerdiertjes komen ook voor in zout en in zoet water. Enkele soorten komen vrijwel wereldwijd op land voor, zoals Macrobiotus hufelandi. De meeste soorten leven echter in gebieden met een gematigd klimaat en slechts een relatief klein aantal soorten komt voor in tropische gebieden. Beerdiertjes bewonen de kleinst mogelijke microhabitats; sommige soorten zijn zo klein dat ze kunnen leven in de ruimtes tussen de zandkorrels op het strand (interstitieel).

Landbewonende soorten hebben een voorkeur voor planten die groeien onder overwegend vochtige omstandigheden, zoals mossen en korstmossen. Beerdiertjes komen algemeen voor in haakmossen (Rhytidiadelphus), zoals riempjesmos en gewoon haakmos. De diertjes gebruiken de mossen niet alleen als voedsel, maar benutten ook de vele vertakkingen van het mos om zich te verschuilen tegen grotere predatoren. Ook in levermossen komen ze voor. Op land levende soorten kunnen slecht tegen stromend water omdat ze makkelijk worden weggespoeld.

Beerdiertjes komen voor in omgevingen met grote temperatuurschommelingen; tevens zijn ze bestand tegen een sterk wisselende vochtigheid. Beerdiertjes bewonen vaak tijdelijke wateren, zoals waterplassen en droogvallende meren en rivieren. Soorten die in mossen leven drogen regelmatig uit bij een gebrek aan regen. Soorten die in getijdengebieden leven worden blootgesteld aan droogte en aan de zon elke keer als het eb wordt. Dergelijke soorten leven in constant stromend water en hebben langere klauwtjes om zich beter aan het substraat te hechten. Van slechts enkele soorten die in het water leven is bekend dat ze kunnen zwemmen. Bij deze soorten zwelt het lichaam op door water op te nemen; het lichaam lijkt dan enigszins op dat van een kwal.

Beerdiertjes kunnen massaal voorkomen: in een enkele pluk mos kunnen vele honderden exemplaren leven. Bij een onderzoek in 1929 werden in een droog plukje mos van 0,0286 gram 660 beerdiertjes geteld, wat neerkomt op 22.000 exemplaren per gram. Tijdens een onderzoek in 1977 bleken er gemiddeld 228,7 beerdiertjes op een vierkante centimeter mos te leven.

Beerdiertjes kunnen in uitgedroogde toestand – waarbij ze zeer klein en licht zijn – meegenomen worden door de wind. Zo kunnen ze gebieden koloniseren die op relatief grote afstand liggen van de plaats waar ze zijn opgedroogd.

België en Nederland Op de stranden van België en Nederland zijn de soorten Batillipes phreaticus, het zeebeertje (Echiniscoides sigismundi), Batillipes mirus en Batillipes tubernatis aangetroffen. Het vulpenstekelstrandbeerdiertje (Batillipes pennaki) werd voor het eerst in 2015 ontdekt op de stranden van de Oosterschelde. In Nederland zijn achttien verschillende soorten beerdiertjes aangetroffen, deze zijn in de onderstaande uitklapbare tabel weergegeven. Soorten beerdiertjes in Nederland Naam Auteur Familie Milnesium tardigradum Doyère, 1840 Milnesiidae Diphascon chilenense Plate, 1888 Hypsibiidae Hypsibius convergens Urbanowicz, 1925 Hypsibiidae Hypsibius dujardini Doyère, 1840 Hypsibiidae Pseudobiotus kathmanae Nelson, Marley & Bertolani, 1999 Hypsibiidae Ramazzottius novemcinctus Marcus, 1936 Hypsibiidae Ramazzottius oberhaeuseri Doyère, 1840 Hypsibiidae Dactylobiotus macronyx Dujardin, 1851 Macrobiotidae Macrobiotus areolatus Murray, 1907 Macrobiotidae Macrobiotus echinogenitus Richters, 1903 Macrobiotidae Macrobiotus hufelandi Schultze, 1833 Macrobiotidae Minibiotus intermedius Plate, 1888 Macrobiotidae Batillipes mirus Richters, 1909 Batillipedidae Vulpenstekelstrandbeerdiertje(Batillipes pennaki) Marcus, 1946 Batillipedidae Batillipes phreaticus Renaud-Debyser, 1959 Batillipedidae Batillipes tubernatis Pollock, 1971 Batillipedidae Zeebeertje(Echiniscoides sigismundi) Schultze, 1865 Echiniscoididae Echiniscus testudo Doyère, 1840 Echiniscoididae

Uiterlijke kenmerken Waterbeertjes hebben een bilateraal symmetrisch lichaam. Het is opgebouwd uit vijf segmenten: het voorste segment is het kopsegment, gevolgd door vier lichaamssegmenten die elk een paar poten dragen. miniatuur|upright=1.2|De soort Beorn leggi bekeken van de dorsolaterale zijde (links) en de ventrolaterale zijde (rechts)

Waterbeertjes behoren tot de kleinste meercellige dieren. De grootste soorten bereiken een lichaamslengte van 1,2 millimeter. De kleinste soorten zijn in het volwassen stadium 0,08 millimeter lang. De soorten die in zee leven blijven vaak erg klein, en worden meestal niet langer dan 0,1 tot 0,3 mm. Mannetjes worden bij veel soorten ongeveer even groot als vrouwtjes, bij sommige soorten blijven ze veel kleiner.

De soorten uit het geslacht Pseudechiniscus zijn een voorbeeld van een groep van kleinere soorten, zij worden ongeveer 0,1 tot 0,25 millimeter lang. De soorten die tot het geslacht Milnesium behoren zijn groter en kunnen tot ongeveer een millimeter lang worden. Macrobiotus hufelandi is een van de grootste soorten en bereikt een lengte tot 1,2 millimeter. Alle andere soorten hebben een lengte die hier tussenin ligt, zoals Diphascon (0,2 - 0,4 mm), Ramazzottius (0,2 - 0,35 mm) en Hypsibius (tot 0,35 mm).

Grotere soorten beerdiertjes zijn op een objectglaasje met het blote oog nét zichtbaar als de lichtval optimaal is. Het diertje is dan te zien als een minuscuul, bleek stipje.

Kop miniatuur|Microscopische opname van een beerdiertje met focus op de kop Het segment aan de voorzijde van het beerdiertje, ook wel het kopsegment of cephalon genoemd, vormt de kop. Bij sommige soorten is de kop enigszins afgesnoerd van het lichaam. Op het kopsegment zijn bij een aantal soorten kleine uitsteekseltjes aanwezig zoals papillen of haartjes (cirri) die dienen als tastorganen. Ook meer opvallende uitsteeksels aan de kop zijn echter niet ongebruikelijk. De soort Cornechiniscus cornutus bijvoorbeeld heeft twee hoornachtige structuren aan de bovenzijde van de kop. De kop met de ogen en de mondopening vormt geen rechte lijn met het lichaam, maar is vaak iets onder het lichaam gekromd.

De ogen zijn alleen onder een sterke microscopische vergroting te zien. Niet alle soorten hebben echter ogen; dit verschilt per groep. Soorten uit het geslacht Diphascon hebben altijd ogen. Binnen het geslacht Hypsibius komen zowel soorten met als soorten zonder ogen voor. De ogen zijn eenvoudig en bestaan uit vijf cellen waarvan er één lichtgevoelig is, deze is voorzien van pigmenten. De lichtgevoelige cel staat in verbinding met de zenuwknopen of ganglia. Bij veel soorten is onder de huid een doorzichtige structuur aanwezig die dient als lens. Deze lens lijkt op de enkelvoudige oogcellen van sommige insecten (ocelli) en wordt ook wel ommatidium genoemd. De kleur van de ogen is meestal bleek tot wit, maar kan ook rood (geslacht Echiniscus) of zwart (geslacht Pseudechiniscus) zijn. Omdat beerdiertjes zo klein zijn, zijn de ogen op veel foto's niet zichtbaar. Vaak wordt op het lichaam of de poten gefocust waardoor de ogen wegvallen.

De plaats van de mondopening hangt af van het voedsel dat gegeten wordt. Bij de detritus-etende soorten is de mondopening aan de onderzijde van de kop gelegen. Bij de andere beerdiertjes is de mond aan het uiteinde van de kop gepositioneerd. Als een beerdiertje vervelt gaan de monddelen als eerste verloren, en nadat de vervelling is voltooid worden weer nieuwe gevormd. Als gevolg hiervan kan een beerdiertje tijdens de vervelling niet eten.

Lichaam miniatuur|Microscopische opname van een onbekende soort