Michel Servet (Spaans: Miguel Serveto; Latijn: Michael Servetus) of Michel de Villeneuve (Spaans: Miguel de Villanueva; Latijn: Michael Villanovanus) (Villanueva de Sigena, 29 september 1511 – Genève, 27 oktober 1553) was een Spaanse arts, theoloog en veelzijdig geleerde. Hij was vanaf 1540 lijfarts van de aartsbisschop van Vienne. Vanwege zijn antitrinitarische gedachtegoed werd Servet zowel in het katholieke Vienne als in het protestantse Genève ter dood veroordeeld. Zijn vuurdood in het Genève van Calvijn waarschuwde christelijk Europa dat ook gereformeerden bereid waren ketterse opinies te bestraffen met de dood.Perez Zagorin, How the Idea of Religious Toleration Came to the West, Princeton University Press, 2013, p. 96

Levensloop Servet studeerde rechten aan de universiteit van Toulouse. Daar kreeg hij onder anderen les van Jean de Cadurce, een dominicaan en rechtsgeleerde die in 1532 wegens zijn lutherse gedachtegoed werd terechtgesteld. Servet was aanwezig bij de kroning van Karel V tot koning en reisde in diens gevolg naar Duitsland. Servet was in dienst bij de keizerlijke biechtvader Quintana.

Servet ontwikkelde inzichten over de Drie-eenheid (Triniteit) die afweken van de kerkelijke leer. Rond 1530 probeerde hij tevergeefs Johannes Oecolampadius hiervoor te winnen. In oktober van dat jaar ging Servet naar Straatsburg, waar hij Wolfgang Capito en Martin Bucer kende. Zijn werk De trinitatis erroribus publiceerde Servet in Hagenau (1531). De Raad van Bazel liet vele exemplaren van dit boek vernietigen. Bucer oordeelde over Servet dat men hem de "de ingewanden uit het lichaam zou moeten rukken". Het weerhield Servet er niet van zijn denkbeelden verder uit te werken in Dialogi de trinitate (1532).

Omdat zijn antitrinitarisme zowel in protestantse als in katholieke ogen ketters was, ging hij onder de schuilnaam Villeneuve in Frankrijk wonen. Vanaf 1533 werkte hij in Lyon als corrector bij de uitgevers Melchior en Gaspard Trechsel. Hij verzorgde er een editie van Ptolemaeus' Geographia (1534) en voegde een inleiding toe met zijn aardrijkskundige inzichten. Onder invloed van de neoplatonist Symphorien Champier vatte hij ook belangstelling op voor geneeskunde.Gary W. Jenkins, Calvin's Tormentors. Understanding the Conflicts That Shaped the Reformer, 2018

In 1536 schreef Servet zich in aan de Universiteit van Parijs om geneeskunde te studeren. Hij werd assistent van professor Johann Winter von Andernach in opvolging van Andreas Vesalius. Dankzij Syruporum universa ratio (1537), een farmacologisch traktaat over siropen, verwierf Servet wat inkomsten. Hij kreeg ook lesopdrachten, die hij gebruikte om het over medische sterrenwichelarij te hebben, een gevaarlijk onderwerp in Parijs. Toen hij zijn denkbeelden daarover ook nog op schrift stelde onder de titel In quendam medicum apologetica disceptatio pro astrologia (1538), spande Jean Tagault, decaan van zijn faculteit, een rechtszaak aan.Gary W. Jenkins, Calvin's Tormentors. Understanding the Conflicts That Shaped the Reformer, 2018 Het Parlement van Parijs verbood verdere verspreiding van het traktaat, maar voor het overige was het arrest van 18 maart opvallend mild voor de auteur.

Niettemin zal Servet hebben begrepen dat zijn toekomst in Parijs er niet rooskleurig uitzag. Zonder zijn studies te voltooien, trok hij weer naar Zuid-Frankrijk en in 1540 vestigde hij zich te Vienne, waar hij werkte voor aartsbisschop Pierre Palmier. Naast medische en editoriale bezigheden zette hij zich weer aan het schrijven over het herstel van het christendom. Hij begon hierover te corresponderen met Johannes Calvijn en stuurde hem in 1546 zelfs delen toe van wat de Christianismi restitutio zou worden. Calvijn was geschandaliseerd en weigerde ze te retourneren.

Servet aanvaardde de christelijke leer van de drie-eenheid niet: hij zag Jezus als een voorbeeldig mens en de Heilige Geest als een kracht. Hij vergeleek de drievuldigheid met een monster met drie koppen. Hij wilde niet weten van drie Personen binnen de Godheid, maar sprak van drie krachten. Mohammed noemde hij een echte hervormer die een terugkeer naar het pure monotheïsme predikte. Een Latijnse vertaling van de Koran was net beschikbaar gekomen. Hij verwierp ook de kinderdoop en Calvijns opvatting dat rechtvaardiging (zondeloos worden voor God) uitsluitend mogelijk zou zijn door geloof. Calvijn kon deze kritiek niet verwerken. In het conflict tussen de beiden speelden niet alleen ideologische tegenstellingen een rol maar ook persoonlijke. Calvijn had veel moeite met de in zijn ogen arrogante houding van Servet. Al op 3 februari 1546 schreef Calvijn aan Guillaume Farel dat hij het voornemen had Servet om te laten brengen zodra hij daar de gelegenheid voor zou hebben. (Si venerit, modo valeat mea autoritas, vivum exire nunquam patiar, d.w.z. "Wanneer hij hier komt, als mijn gezag ook maar iets waard is, zal ik niet toestaan dat hij levend vertrekt.")

In 1552 trof Servet voorbereidingen om Christianismi restitutio clandestien te drukken in een afgelegen huis dat hij huurde. Het boek vermeldde geen drukker, alleen de initialen M.S.V. Maar Calvijn wist wie erachter zat. Via zijn inlichtingennetwerk had hij lucht gekregen van de onderneming en onmiddellijk maakte hij de Inquisitie erop attent. Aangezien hij niet rechtstreeks contact kon nemen met zijn aartsvijanden, liet hij zijn vertrouweling Guillaume de Trie schrijven naar diens katholieke neef Antoine Arney, met als resultaat dat grootinquisiteur Matthieu Ory op 16 maart 1553 Servet verhoorde. Vermoedelijk dankzij aartsbisschoppelijke bescherming had Servet sporen kunnen wissen en werd hij niet onderworpen aan tortuur. De zaak leek afgedaan, maar Calvijn gaf niet op. Via de connectie De Trie-Arney maakte hij het nodige bewijsmateriaal over, in de vorm van de brieven en het manuscript die Servet hem confidentieel had toegestuurd. Op 4 april 1553 liet de Inquisitie Servet aanhouden in Vienne. Al na enkele dagen wist hij te ontkomen uit de gevangenis, maar het ketterijproces ging door en hij werd op 17 juni bij verstek veroordeeld tot de dood. Hij en zijn boek werden in effigie verbrand.

Ondertussen had Servet op de vlucht naar Italië een roekeloze tussenstop gemaakt in Genève. Daar woonde hij op zondag 13 augustus 1553 een dienst bij in de Madeleinekerk, die door Calvijn werd geleid. Hij werd er herkend en gevangengenomen. Servet werd voor de keuze gesteld om ofwel te worden uitgeleverd aan het katholieke bewind in Vienne of in het protestante Genève te worden berecht. Servet koos voor Genève.

Het kwam tot een rechtszaak bij de Raad van Genève, een wereldlijke rechtbank. Het vonnis, uitgesproken op 26 oktober, vond Servet schuldig aan ketterij en veroordeelde hem tot de brandstapel. Als grond hiervoor werd zijn verwerping van de drievuldigheid en van de kinderdoop aangehaald. Naar eigen zeggen had Calvijn vergeefs verzocht om een andere executiewijze, hoewel in de rechtbanknotulen geen spoor te vinden is van enig debat hierover.Bainton 1953, p. 207 Calvijn ging wel in op de vraag van Servet voor een bezoek in de gevangenis. Volgens Calvijns verslag van de onmoeting vroeg Servet hem om vergiffenis, maar weigerde hij zijn dwalingen te herzien, waarop Calvijn hem achterliet zonder nog een woord aan hem te verspillen.

Daags nadien werd het doodsvonnis uitgevoerd. Servet werd geestelijk bijgestaan door Guillaume Farel, die vooral poogde hem nog tot inkeer te brengen. Toen hij op weg naar het schavot op zijn knieën zakte en de raadsleden smeekte de straf om te zetten in onthoofding, uit vrees dat de pijn hem tot wanhoop zou drijven, kwam Farel tussen met de vraag of hij bereid was zich voor een mildere straf te herroepen. Hij weigerde, waarop de levende verbranding werd gehandhaafd.Bainton 1953, p. 211Guus Kuijer, Het doden van een mens, 2007 Hij werd met een ijzeren ketting en touw aan de staak vastgemaakt. Een exemplaar van de Christianismi restitutio was aan zijn arm gebonden en een met zwavel besprenkelde kroon van takken en bladeren werd op zijn hoofd geplaatst. Hij kreeg niet de gunst voorafgaandelijk te worden gewurgd of bewusteloos geslagen. Voor de verbranding werd groen hout gebruikt, waardoor het een half uur duurde voor hij de geest gaf.Bainton 1953, p. 211-212

Nachleben Op de terechtstelling van Servet volgde in 1554 een polemiek over religieuze tolerantie. De gereformeerde leiders verdedigden de doodstraf voor ketters in het algemeen en voor Servet in het bijzonder: Calvijn in Fidelis expositio errorum M. Serveti et brevis eorum refutatio en Beza in De haereticis a civili Magistratu puniendi. De geleerde humanist Sebastian Castellio ging onder pseudoniem tegen hen in met De haereticis, an sint persequendi en andere geschriften.De haereticis non puniendi en Contra libellum CalviniGuus Kuijer, Het doden van een mens, 2007

Hoewel met moeite drie exemplaren van Servets Christianismi restitutio aan vernietiging ontsnapten, kregen zijn theologische denkbeelden een onverwacht vervolg doordat Giovanni Valentino Gentile en Giorgio Biandrata ze uitdroegen in Polen, Litouwen en Transsylvanië, waar ze vruchtbare grond vonden in het unitarisme.Jerome Friedman, "Servetus, Michael" in: The Oxford Encyclopedia of the Reformation, ed. Hans J. Hillebrand, 2005

Bloedsomloop Boek V van de Christianismi restitutio (1553) bevat een beroemde passage die wordt beschouwd als een vroege beschrijving van de kleine bloedsomloop. Servet schreef de betreffende zinnen om met een fysiologisch argument zijn beweringen over de ziel en de Heilige Geest te ondersteunen. Deze kleine anatomische terzijde in een omvangrijk theologisch werk, dat bovendien werd vernietigd, oefende weinig of geen invloed uit op de medische wereld. Toch wordt niet helemaal uitgesloten dat Realdo Colombo er kennis van zou kunnen hebben gehad.Raphael Suy en Inge Fourneau, "De ontdekking van de pulmonaire transit in de zestiende eeuw" in: De medische renaissance anders bekeken (1400-1600), Garant, 2016, p. 35

Eerbetoon en gedenking Gedenkteken van Champel miniatuur|Monument voor Michel Servet, Champel (Zwitserland) miniatuur|Gedenkplaat op de Place du Salin in Toulouse voor studenten en leraren aan de Universiteit van Toulouse die terechtgesteld werden: Lucilio Vanini, Étienne Dolet, Michel Servet en Giordano Bruno In Champel, nabij Genève is op de plaats van de brandstapel een gedenkteken voor Servet opgericht, op 27 oktober 1903, 350 jaar na zijn executie.

Tijdens een internationaal congres van vrijdenkers in Genève 14 september-18 september 1902 deed de Spanjaard Pompeyo Gener (1848-1919) het voorstel om een monument voor Servet op te richten. Daartoe werd een internationale commissie in het leven geroepen. De gereformeerde kringen in Genève slaagden erin het project te saboteren. Zij richtten een eigen monument op. Dat was niet zozeer een gedenken van het lot van Servet alswel een verontschuldiging voor het handelen van Calvijn. De inscriptie werd opgesteld door Émile Doumergue, hoogleraar aan de theologische faculteit van Montauban en overtuigd calvinist. De voorzijde luidt:

Fils respectueux et reconnaissants de Calvin notre grand réformateur mais condamnant une erreur qui fut celle de son siècle et fermement attachés à la liberté de conscience selon les vrais principes de la Réformation et de l'Évangile nous avons élevé ce monument expiatoire le XXVII octobre MCMIIIAls eerbiedige en dankbare zonen van Calvijnonze grote hervormerdie echter een fout veroordelendie eigen was aan zijn eeuwen vast verbonden met de vrijheid van gewetenvolgens de ware grondbeginselen van de reformatieen het evangeliehebben wij dit verzoeningsteken opgerichtop 27 oktober 1903

Op de achterzijde van de steen staan slechts de geboorte- en sterfdatum van Servet en het kale feit van zijn executie op de brandstapel vermeld: