Albanië (Albanees: ), officieel de Republiek Albanië (Albanees: ), is een land in Zuidoost-Europa. Het land ligt in het zuidwesten van de Balkan aan de Ionische en Adriatische Zee. Albanië grenst kloksgewijs aan Montenegro, Kosovo, Noord-Macedonië en Griekenland. De hoofdstad van Albanië is Tirana.
Albanië werd in 1912 onafhankelijk van het Ottomaanse Rijk en is sinds 1991 een parlementaire republiek na de val van het communisme. De enige officiële taal in Albanië is Albanees. Het land heeft een oppervlakte van 28.748 km² en telt ruim 2,3 miljoen inwoners.
Albanië is lid van de Verenigde Naties, de NAVO, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, de Raad van Europa, de Centraal-Europese Vrijhandelsassociatie, de Unie voor het Middellandse Zeegebied, de Wereldhandelsorganisatie en de Organisatie voor Islamitische Samenwerking. Sinds 24 juni 2014 is Albanië kandidaat-lid van de Europese Unie.
Etymologie Het eerste Albanese vorstendom, het vorstendom Arbër, ontstond in 1190. Het werd door de Albanezen aangeduid als "Arbëria". Tot de 17e eeuw gebruikten Albanezen, afhankelijk van de Toskische of Gegische dialectgroep, voor zichzelf de benamingen "Arbëror" en "Arbën". Vanaf de 17e eeuw werd de benaming "Shqiptar" aangenomen. Het Albanese woord "Shqiponja" betekent adelaar, terwijl "Shqipëria" wordt vertaald als land van de adelaar. In het standaard-Albanees (Toskisch) is de benaming voor Albanië "Shqipëria"; de onbepaalde vorm is "Shqipëri". In het Gegisch zijn dit respectievelijk "Shqipnia" en "Shqipni". De officiële naam van het land luidt "Republika e Shqipërisë", letterlijk "de Republiek van Albanië".
De internationale benaming "Albania" is afgeleid van het middeleeuws Latijn en verwijst naar de Illyrische stam Albanoi, die het gebied in de oudheid regeerde.
Geschiedenis
thumb|Viering van de Albanese onafhankelijkheid |250px thumb|200px|Ismail Qemali (1844-1919), eerste staatshoofd van het moderne Albanië Albanië verklaarde zich na een reeks opstanden op 28 november 1912 onafhankelijk van het Ottomaanse Rijk. In december van dat jaar werd de Voorlopige regering van Albanië gevormd. Premier Ismail Qemali werd het eerste staatshoofd. De zuidelijke stad Vlorë fungeerde als hoofdstad van de nieuwe staat.
De Albanese onafhankelijkheid werd uitgeroepen tijdens de Eerste Balkanoorlog. De legers van Servië, Montenegro en Griekenland bezetten destijds grote delen van de door Albanezen bevolkte gebieden nadat de drie landen, en Bulgarije; echter niet betrokken bij de bezetting van Albanië, een bondgenootschap vormden om de Ottomaanse troepen uit de Balkan te verdrijven. Deze drie landen beschouwden de Albanezen, die zich merendeels tot de islam hadden bekeerd gedurende de vier eeuwen durende Ottomaanse heerschappij, in veel gevallen als verbonden met het Ottomaanse Rijk en wilden mede hierdoor aanspraak maken op gebieden in Albanië. Als gevolg hiervan trokken Servische troepen het noorden en oosten binnen, Montenegro bezette gebieden in het noordwesten en Griekse troepen trokken Zuid-Albanië binnen. Er vonden gewapende opstanden en guerrilla-activiteiten plaats, maar een eigen gestabiliseerde krijgsmacht had Albanië nog niet. De strijd ging op verschillende plaatsen gepaard met geweld tegen de burgerbevolking. Tijdens de Balkanoorlogen wist Albanië onder meer Shkodër te behouden nadat de stad na een belegering was overgedragen, terwijl ook de kustlijn uiteindelijk behouden bleef.
De internationale erkenning en de definitieve grenzen van Albanië werden vastgesteld tijdens de Vrede van Londen in juli 1913 als gevolg van de Balkanoorlogen. Albanië moest daarbij aanzienlijke gebieden afstaan aan Servië, Montenegro en Griekenland. Hierdoor kwam een groot deel van de etnisch Albanese bevolking buiten de grenzen van de nieuwe Albanese staat te wonen. Italië en Oostenrijk-Hongarije steunden de oprichting en onafhankelijkheid van Albanië mede vanuit strategische overwegingen. Zij wilden voorkomen dat Servië een dominante positie aan de Adriatische Zee zou verwerven. Aan de andere kant waren de bondgenoten van Servië, onder wie Rusland en Frankrijk, tegen uitbreiding van de Albanese staat. thumb|Kaart van Albanië in 1913 (wit); de lichtbruine gebieden moest het afstaan aan de buurlanden, zo bepaalde de Vrede van Londen De grootmachten besloten in 1913 dat de Duitse prins Wilhelm zu Wied, een familielid van Wilhelmina der Nederlanden, als vorst van Albanië zou optreden. De Albanese premier Ismail Qemali steunde de benoeming. Wilhelm zu Wied wees het aanbod aanvankelijk af, maar aanvaardde uiteindelijk de troon. In februari 1914 ontstond het vorstendom Albanië. Durrës werd de zetel van de regering. Later werd ook Lushnjë als regeringscentrum gebruikt. Het bewind van vorst Wilhelm zu Wied werd al snel geconfronteerd met opstanden, regionale machtsstrijd en het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. thumb|200px|Bezetting van Albanië (1914) tijdens de Eerste Wereldoorlog Nadat Wilhelm zu Wied in 1914 het land had verlaten, viel het centrale gezag verder uiteen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd Albanië door verschillende strijdende partijen bezet. Servische en Montenegrijnse troepen trokken zich terug nadat zij door de Oostenrijks-Hongaarse strijdkrachten waren verslagen. Oostenrijk-Hongarije bezette vervolgens grote delen van Noord- en Centraal-Albanië. Het Koninkrijk Bulgarije bezette delen van het oosten van Albanië, terwijl Frankrijk in het zuidoosten onder meer Korçë en Pogradec onder controle bracht. Italiaanse troepen bezetten delen van Zuid-Albanië. In 1920 trokken de Italianen zich na de Vlora-oorlog terug.
Tijdens de Vredesconferentie van Parijs na de Eerste Wereldoorlog werd opnieuw over de toekomst en de grenzen van Albanië onderhandeld. Er bestonden plannen en voorstellen om Albanese gebieden geheel of gedeeltelijk aan buurlanden toe te wijzen. De Amerikaanse president Woodrow Wilson verzette zich tegen een verdeling van Albanië en steunde het behoud van een onafhankelijke Albanese staat. In 1920 werd het Congres van Lushnjë gehouden, waarbij Albanese politieke leiders de onafhankelijkheid en territoriale integriteit van het land bevestigden en een nieuwe politieke structuur voor de Albanese staat vormden. Tijdens het congres werd Tirana de hoofdstad van Albanië, waarmee het land een centraal gelegen regeringscentrum kreeg.
Gedurende het begin van de 20e eeuw bleven grensgeschillen tussen Albanië en Griekenland bestaan over de regio Epirus waarna een Noord- en Zuid-Epirus ontstond. De Griekse bevolking vormde een belangrijke minderheid in Noord-Epirus, welke in Zuid-Albanië ligt. De Grieken riepen de regio eenzijdig onafhankelijk van Albanië, waarna er een kortstondig conflict ontstond met Albanese autoriteiten. De Albanese regering probeerde haar gezag over het gebied te vestigen en zette daarbij onder meer soldaten, politie en gendarmerie in waarna het conflict met Griekse opstandelingen escaleerde. De internationale grenzen werden uiteindelijk vastgelegd door de grote mogendheden, waarbij Noord-Epirus onderdeel bleef van Albanië. thumb|left|200px|Koning Zog I van Albanië (1895-1961) In 1924 brak een politieke crisis uit die leidde tot de val van premier Ahmet Zogu en de vorming van de regering van Fan Noli. Deze regering voerde hervormingen door, maar hield slechts enkele maanden stand; later dat jaar keerde Zogu met gewapende steun terug en nam hij de macht opnieuw over. In 1925 werd Albanië een republiek en werd Ahmet Zogu president. In 1928 riep hij het land uit tot een koninkrijk en nam hij als koning de naam Zog I aan. Daarmee werd de monarchie hersteld zoals die in de middeleeuwen onder Skanderbeg bestond. Onder het bewind van koning Zog I onderging Albanië een periode van modernisering en verstedelijking, mede met financiële en politieke steun van Italië. Ook het Albanese leger kwam sterk onder Italiaanse invloed te staan. De afhankelijkheid van Italië nam gedurende de jaren 1930 verder toe. In 1939 viel Italië Albanië binnen tijdens de Italiaanse invasie van Albanië. Koning Zog I en het Albanese koningshuis gingen daarop in ballingschap. Albanië werd vervolgens onderdeel van het door Italië bestuurde koninkrijk Albanië en stond onder het gezag van de Italiaanse koning Victor Emmanuel III.
Tijdens de Italiaanse bezetting werden gedurende de Tweede Wereldoorlog gebieden van het door de Asmogendheden uiteengevallen Joegoslavië met een aanzienlijke Albanese bevolking aan het koninkrijk Albanië toegevoegd. Dit betrof delen van het huidige Noord-Macedonië, Montenegro, Servië en Kosovo. Een poging om ook Zuid-Epirus te annexeren mislukte. In september 1943 capituleerde Italië. Duitse troepen namen vervolgens de controle over Albanië over. Duitsland handhaafde een formeel onafhankelijke Albanese staat, maar de daadwerkelijke macht lag grotendeels bij de Duitse bezettingsautoriteiten en hun Albanese bondgenoten. Het Albanese verzet werd later steeds sterker. In november 1944 verlieten de laatste Duitse troepen het land en kwam Albanië onder controle van de communistisch geleide Nationale Bevrijdingsbeweging van Albanië. Albanië was daarmee bevrijd van de Duitse bezetting. In 1946 werd vervolgens de monarchie afgeschaft en de Volksrepubliek Albanië uitgeroepen. thumb|Kaart van Albanië (1943) tijdens de Italiaanse en Duitse bezetting gedurende de Tweede Wereldoorlog Gedurende de oorlogsjaren collaboreerden verschillende nationalistische en anticommunistische bewegingen, waaronder de Balli Kombëtar, de SS Skanderbeg-divisie en de Vulnetari, met de Italiaanse en later Duitse bezettingsmacht. Een belangrijk motief voor een deel van deze bewegingen was het streven naar een politiek verenigd gebied met een grote Albanese bevolking, dat in de nationalistische ideologie werd aangeduid als Groot-Albanië. Tegenstanders waren onder meer de communistische Albanese verzetsbeweging, de Joegoslavische partizanen, de Servische Četniks en de Nationaal Republikeinse Griekse Liga. Etnische minderheden werden tijdens de oorlog in het territoriaal uitgebreide Koninkrijk Albanië getroffen door buitensporig geweld, internering, vervolging en verdrijving waarbij ook Albanese veiligheids- en militaire eenheden een rol speelden in het streven naar etnische homogeniteit in de regio. Naast de kleinere Griekse- en Roma-doelwitten werd voornamelijk de Servische bevolking in Kosovo slachtoffer van oorlogsmisdaden.
In juni 1942 kondigde de Albanese premier, Mustafa Kruja, maatregelen tegen de Servische bevolking aan. Schattingen van het aantal Serviërs dat gedurende de oorlog uit Kosovo werd verdreven lopen uiteen en variëren van 70.000 tot 100.000. Tegelijkertijd hebben de kleinschalige Joodse gemeenschappen de oorlog in Albanië vrijwel allemaal overleefd, een zeldzame uitzondering in een door de asmogendheden bezet gebied. Na de oorlog werden de nationalistische en anticommunistische guerrillabewegingen grotendeels verslagen door de communistische strijdkrachten. Verschillende leden van deze bewegingen werden onder het latere communistische regime geëxecuteerd of gevangengezet, terwijl anderen het land ontvluchtten.