Vasco da Gama (Sines, Portugal; 1460 of 1469 – Cochin, Portugees-Indië; 24 december 1524) was een Portugese ontdekkingsreiziger en de leider van de eerste expeditie van Portugal naar Indië. Hij was de jongere broer van Paulo da Gama.
Jeugd Over het vroege leven van Vasco da Gama is weinig bekend. Hij was afkomstig uit een adellijke familie. Zijn vader was Estêvão da Gama, gouverneur van Sines en Silves. Deze had goede connecties aan het Portugese hof. Da Gama’s eerste wapenfeit dateert uit 1492. Koning João II belastte hem met de taak represailles uit te voeren tegen de Franse koopvaardijschepen in de haven van Setúbal en havens in de Algarve. De reden voor deze represailles waren aanvallen van Franse piraten op Portugese schepen aan de West-Afrikaanse kust.
Ontdekkingsreis naar Indië Achtergrond van de reis naar Indië Het was een lang gekoesterde wens van de Portugezen om een zeeroute van Afrika naar Indië te vinden en zo te kunnen profiteren van de lucratieve specerijenhandel. Sinds de dagen van Hendrik de Zeevaarder hadden de Portugezen de westkust van Afrika verkend. Na de twee reizen van Diogo Cão had Bartolomeus Diaz in 1488 Kaap de Goede Hoop gerond en vervolgens de Zuid-Afrikaanse kust verkend tot aan de Grote Visrivier, 850 kilometer ten oosten van de Kaap. Diaz’ tocht bewees dat de Indische Oceaan vanuit Europa over zee te bereiken was.
miniatuur|450px|center|Vertrek uit Lissabon(1936), muurschildering door John Henry Amshewitz, Universiteit van de Witwatersrand
Pêro da Covilhã was gelijktijdig met Diaz op een missie via de Rode Zee naar de Indische Oceaan gestuurd. Na de handelscentra Calicut en Goa aan de zuidwestkust van het Indisch subcontinent te hebben bezocht, verkende Da Covilhã ook nog Sofala in het huidige Mozambique en Madagaskar. Hoewel het niet helemaal zeker is of Da Covilhã’s verslag Lissabon op tijd bereikt heeft, was het duidelijk dat de route om Afrika tot de mogelijkheden behoorde. Het organiseren van een nieuwe expeditie werd nog dringender voor Portugal toen Christoffel Columbus in 1493 in Spaanse dienst terugkeerde van zijn reis over de Atlantische Oceaan. Hij beweerde Indië via een westwaartse route bereikt te hebben.
Toch duurde het nog tot 1497 voordat de expeditie naar Indië vertrok. Diaz’ beschrijving van de schrikwekkende stormen rond Kaap de Goede Hoop kunnen twijfel hebben gezaaid over de haalbaarheid van de route. Er was ook een stroming aan het hof, die zich liever wilde concentreren op de winstgevende handel in goud en slaven aan de Afrikaanse kust. Het is verder mogelijk dat men het verslag van Da Covilhã wilde afwachten en er zijn ook theorieën, dat er wel degelijk verkenningen in de zuidelijke Atlantische Oceaan werden uitgevoerd. De Portugezen stonden erom bekend dat ze hun maritieme vorderingen zo lang mogelijk geheimhielden. De nieuwe koning Manuel hakte uiteindelijk de knoop door en gaf toestemming voor de expeditie van Vasco da Gama en Paulo da Gama.
De vloot thumb|De vloot van Vasco da Gama, de São Rafael, Berrio en São Gabriel(ca. 1558), Visconde de Juromenha
Onder supervisie van Bartolomeus Diaz werden twee kraken gebouwd, het vlaggenschip de São Gabriel en haar zusterschip São Rafael. De kraken waren 178 ton zwaar en robuuster dan de karvelen, waarmee de Portugezen tot dan toe hun ontdekkingsreizen hadden ondernomen. Da Gama’s broer Paulo voerde het bevel over de São Rafael. Daarnaast was er nog een kleiner karveel de Berrio onder leiding van Nicolau Coelho en een bevoorradingsschip. De bemanning telde 170 koppen, onder wie een aantal veroordeelde misdadigers. Da Gama had de beschikking over zeer ervaren stuurlieden, zoals Pedro Escobar en Pêro de Alenquer, veteranen van de tochten van Diogo Cão respectievelijk Bartolomeus Diaz. Op 8 juli 1497 vertrok de vloot uit Lissabon.
Route naar de Kaap De reizen van Diogo Cao en Bartolomeus Diaz hadden geleerd dat het moeilijk was voortgang te boeken langs de zuidwestkust van Afrika. Na de doldrums in de bocht van Guinee kreeg men te maken met de constante tegenwind van de zuidoostpassaat. Dias had echter ook geconstateerd dat ter hoogte van de Kaap de westenwinden overheersten. De Portugese stuurlieden hadden daarom een zeer gedurfde manoeuvre bedacht: bij Sierra Leone koos de vloot een zuidwestelijke koers naar open zee. Toen ze uiteindelijk de westenwinden oppikten op dertig graden zuiderbreedte, werd een oostelijke koers in de richting van de Kaap genomen. De schepen voeren in 93 dagen 9500 kilometer over open zee, een tot dat moment niet eerder vertoonde prestatie. Deze route met zijn grote volta do mar over de zuidelijke Atlantische Oceaan werd voor alle latere zeiltochten van Europa naar de Kaap de norm. Bij deze lange tocht over de oceaan stak de vloek van de zeeman, scheurbuik, gewoonlijk de kop op onder de bemanning. Deze ernstige aandoening wordt veroorzaakt door gebrek aan vers voedsel, vooral vitamine C.
Op 4 november ging de vloot voor anker in de Sint Helenabaai, ten noorden van Kaap de Goede Hoop. Aanvankelijk was het contact met de plaatselijke Khoikhoi vriendschappelijk, nadat Da Gama een van hen had getrakteerd op een etentje aan boord. In het reisverslag werden de Khoikhoi als volgt beschreven:
Later kwam het toch tot een conflict. Op 16 november werd een groepje Portugezen door de Khoikhoi met speren terug naar de schepen gejaagd. Da Gama en enkele anderen raakten daarbij gewond. Het ronden van Kaap de Goede Hoop kostte een week door de tegenwind, maar daarna konden de Portugezen ankeren in de Mosselbaai, waar het bevoorradingsschip werd achtergelaten.
De tocht langs de Zuid-Afrikaanse kust verliep wisselvallig. Een storm uit het westen bracht ze vlug langs Kaap Recife, maar daarna werden ze weer drie dagen teruggedreven door de sterke Agulhasstroom. Met Kerstmis passeerden de Portugezen de kust die ze Natal doopten. Watergebrek dwong Da Gama op 10 januari 1498 aan te leggen bij de monding van de Inharrime in Mozambique. Ze werden daar verwelkomd door een grote menigte plaatselijke bewoners, die uitgedost waren met koperen versieringen en niet vreemd opkeken van zulke grote zeilschepen. De Indische Oceaan was duidelijk bereikt. Na Inharrime verbleef de vloot vanaf 25 januari een maand lang aan de noordelijke monding van de Zambezi om de bemanning te laten bijkomen van de scheurbuik en herstelwerkzaamheden aan de schepen uit te voeren. Deze schade beperkte zich overigens tot een gebroken mast. Da Gama had voor de kust van Zuid-Afrika duidelijk minder zware omstandigheden gehad dan Bartolomeus Diaz tien jaar eerder.
Naar Calicut thumb|Route van de eerste reis
Verder noordwaarts deed de vloot op 2 maart de eerste echte havenplaats aan, het Ilha de Moçambique. Deze plaats dreef regelmatige handel met Indië en Arabië en de islamitische sultan was dan ook niet onder de indruk van Da Gama’s beperkte geschenken: een rode hoed, tinnen belletjes en koperen armbanden. Da Gama’s expeditie was beter uitgerust als ontdekkingsvloot dan als handelsvloot. De sfeer werd al snel vijandig en Da Gama vertrok onder het afvuren van zijn kanonnen. Hij had wel twee loodsen weten te ronselen, die de expeditie onder dreiging van geseling naar het noorden begeleidden. Via Kilwa kwam de vloot in Mombassa aan, waar de Portugezen opnieuw in conflict kwamen met de lokale bevolking en een schip kaapten dat beladen was met goud en zilver. Da Gama had een vast patroon ontwikkeld bij het aandoen van de havens in Oost-Afrika: de Portugezen bleven op de schepen tot er tegemoetkomende bootjes kwamen, waarvan ze dan een aantal mensen gijzelden. Vervolgens stuurde Da Gama een van de veroordeelde bemanningsleden naar de wal om zijn eisen te dicteren. Zijn reputatie snelde hem echter vooruit: in Mombassa was men voorbereid en kende deze tactiek geen succes.
Op 14 april arriveerde Da Gama in Malindi. Hij stelde zich dit keer gematigder op en kon zaken doen met de plaatselijke heerser, een rivaal van die in Mombassa. In Malindi troffen de Portugezen voor het eerst ook Indiërs aan, die ze aanzagen voor christenen:
Het lijkt echter waarschijnlijker dat deze Indiërs hun hindoegod Krishna aanriepen. In Malindi vond Vasco da Gama een loods, die bereid en in staat was de Portugese schepen over de Arabische Zee naar Calicut te loodsen. Bronnen uit die tijd omschrijven de man als christen, moslim of Gujarati. Vaak wordt beweerd, dat deze de bekende Arabische cartograaf Achmed Ibn Majid was, maar moderne historici stellen dat deze niet in de buurt kan zijn geweest.Fernandez-Armesto, pagina 205; Bernstein, pagina 173 Het was een bekwame loods, want na een tocht van 4200 kilometer bereikten de Portugezen op 20 mei 1498 de Indische kust op tien kilometer afstand van Calicut. Met de zuidwestmoesson in de rug verliep de overtocht zeer vlot in 23 dagen.
thumb|center|400px|Panorama van Calicut(1572), Georg Braun en Frans Hogenbergs atlas Civitates orbis terrarum
Dat Calicut een belangrijk internationaal handelscentrum was, bleek al bij de eerste kennismaking:
Toen Da Gama zelf aan land ging, zag hij nog steeds hindoes aan voor christenen. Da Gama en zijn mannen werden door Brahmaanse priesters meegenomen naar een hindoetempel, waar ze baden voor een beeld waarvan ze dachten dat het de maagd Maria was. Ondertussen werden ze omringd door weinig katholieke
Dit waren waarschijnlijk beelden van de godin Kali.
thumb|250px|Vasco da Gama bij de samorijn(1898), Veloso Salgado, collectie Sociedade de Geografia de Lisboa
De lokale heerser, de samorijn, ontving Da Gama in zijn paleis. Da Gama snoefde tijdens die bijeenkomst over de onmetelijke macht en rijkdom van de Portugese koning en eiste dat de samorijn de islamitische handelaren de toegang tot de stad zou ontzeggen. Maar bij een volgend bezoek kon hij alleen minderwaardige geschenken aanbieden, waaronder visserspetten en strengen koraal. De samorijn beet hem toe, dat als Da Gama, zoals deze beweerde, was gekomen om mensen te ontdekken, hij ook geschenken mee had moeten nemen.
De omvangrijke islamitische handelsgemeenschap was uiteraard niet blij met deze binnendringer en de betrekkingen verslechterden snel, met wederzijdse gijzelnemingen en andere incidenten. Uiteindelijk kon Da Gama bij de Indische handelaren wel een waardevolle lading specerijen aanschaffen. Na drie maanden besloot Da Gama weer te vertrekken, waar de samorijn niet rouwig om zal zijn geweest.
De terugreis De timing van het vertrek uit Calicut, 29 augustus 1498, was echter ongelukkig en geeft ook aan dat Vasco da Gama nog weinig had opgestoken over de navigatie in de Indische Oceaan. Van april tot september waait de moesson vanuit het zuidwesten, waarna hij van oktober tot maart uit de tegenovergestelde richting, het noordoosten, komt. Hij kwam niet weg en verbleef een maand op het eilandje Anjediva, iets ten noorden van Calicut. Pas op 7 januari, 132 dagen na het vertrek uit Calicut, arriveerden de drie schepen in Malindi. De overtocht had bijna de helft van de bemanning het leven gekost als gevolg van scheurbuik. Da Gama zag zich genoodzaakt om de São Rafael te verbranden en de resterende bemanning over de São Gabriel en de Berrio te verdelen.
De schepen rondden Kaap de Goede Hoop op 10 maart, waarna de oversteek van 7000 kilometer naar de Kaapverdische Eilanden slechts 27 dagen kostte. Door een storm raakten de twee schepen elkaar vervolgens kwijt. Nicolau Coelho arriveerde op 10 juli 1499 met de Berrio als eerste in Lissabon, twee jaar na het vertrek. Vasco da Gama voer door naar de Azoren, waar zijn broer Paulo aan de gevolgen van scheurbuik overleed. In september arriveerde ook Da Gama in Lissabon. In totaal overleefden 60 van de 170 bemanningsleden de tocht.
Nasleep