thumb|Jan Pieterszoon Sweelinck: kopergravure van Jan Harmensz. Muller, 1624. Kunstverlag Lucien Mazenod, Genève, 1946. Jan Pieterszoon Sweelinck (ook Swelingh, Swelinck e.a.) (Deventer, [?] zomer of herfst 1561 – Amsterdam, 16 oktober 1621) was een Nederlands componist, organist, klavecinist, muziekpedagoog, muziekorganisator en ensembleleider. Hij geldt als de belangrijkste (Noord)Nederlandse componist van de Vroegmoderne tijd, in de overgang van renaissance- naar barokmuziek.
Levensloop Familie Jan Pieterszoon Sweelinck was de oudste van vier kinderen van Peter (Pieter) Swibberts (ca. 1535-1573) en Elsken Jansdochter Sweling (1538-1585), later gespeld als Elsgen Sweelinck, dochter van de Deventer stadschirurgijn Mr. Johan (Jan) Hendrickszoon Sweelinck en Marie (Merrie) Snoick. De kinderen - naast Jan Pieterszoon waren dit de latere schilder Gerrit Pieterszoon en de dochters Marie en Tryntgen - hanteerden de achternaam van hun moeder. Dit was niet alleen vanwege de vooraanstaande positie van haar familie in Hanzestad Deventer, maar nog meer vanwege het bastaardschap van Sweelincks vader, die zoon was van de rooms-katholieke priester Swibbert van Keyserswerth en zijn concubine Wibbe Moring. Geestelijken die hun celibaatsgelofte verbraken waren in de 16de eeuw een veelvoorkomend verschijnsel, waartegen zich felle protesten keerden. De maatschappelijke positie van kinderen van priesters was in die tijd laag, met name in stedelijke centra.
Sweelincks grootvader Swibbert van Keizersweerd was afkomstig uit het toentertijd Nederlandssprekende Rijnland in westelijk Duitsland. Hij was muzikaal begaafd en werd organist van de abdij van Keyserwerth (thans Düsseldorf-Kaiserswerth). Hij werd er tot priester gewijd. Op zeker moment verhuisde hij naar Deventer, waar hij organist en, als kanunnik, vicaris werd van het Sint Paulusaltaar in de Sint-Lebuïnuskerk. In deze periode stichtte hij het vanwege zijn priesterschap verboden gezin met uiteindelijk zeven kinderen, onder wie Pieter, die zijn opvolger zou worden als organist van de Sint-Lebuïnuskerk, en Gerrit, die evenals zijn vader Swibbert daar vicaris werd en bovendien de schola cantorum van deze kapittelkerk leidde. In 1574 stond deze Gerrit geregistreerd als organist van de Sint-Lebuïnuskerk, die inmiddels de status van kathedraal had gekregen vanwege de oprichting van het bisdom Deventer in 1559. In Jan Pieterszoon Sweelincks directe voorgeslacht kwamen dus drie organisten voor: zijn vader, zijn grootvader en een oom.
Jeugd Lange tijd werd aangenomen dat Jan Pieterszoon in 1562 werd geboren, maar het in 2021 verschenen boek van Pieter DirksenPieter Dirksen, Jan Pieterszoon Sweelinck - de Orpheus van Amsterdam, deelhoofdstuk Geboortejaar, pag. 10-12 baseert zich op onderzoek van Simon GrootSimon Groot, De negentiende-eeuwse herontdekking van J.P. Sweelinck (1562-1621), in Jaarboek van het Genootschap Amstelodamum 104 (2012), pag. 153-163. bij de conclusie dat dit in de zomer of herfst van 1561 moet zijn geweest. Jan Pieterszoon werd als eerste zoon in het gezin geboren. In 1564 verhuisde hij met zijn vader en moeder naar Amsterdam, waar zijn vader organist werd van de Oude of Sint Nicolaaskerk, de belangrijkste stadskerk van Amsterdam. Van Sweelincks vader, oom en grootvader zijn geen composities overgeleverd. Over de jeugd van Sweelinck valt slechts weinig met absolute zekerheid te zeggen.
Sweelinck leerde het klavierspel op orgel en klavecimbel vermoedelijk van zijn vader Pieter, die tot aan zijn dood in 1573 organist was van de Oude Kerk. Pieter Swibbertszoon werd opgevolgd door Cornelis Boscoop. Aangenomen wordt dat die de muzikale vorming van Jan Pieterszoon heeft voortgezet in aansluiting op de dood van Pieter Swibbertszoon. In ieder geval is gedocumenteerd dat Sweelinck vanaf 1580 'voor vast' aan de Oude Kerk is verbonden (documenten uit de tijd daarvoor zijn verloren gegaan). Uit een latere uitlating van zijn vriend Cornelis Plemp valt echter op te maken dat Sweelinck al in 1577, op 15-jarige leeftijd, als vaste organist aan de Oude Kerk werkzaam was.
Na de dood van zijn vader heeft Sweelinck vermoedelijk ook les gehad van Jan Willemszoon Lossy (ca. 1545-1629), stadsspeelman van Haarlem. Mogelijk kreeg hij ook les van de organisten van de Grote of Sint Bavokerk aldaar, Claas Albrechtszoon van Wieringen en Floris van Adrichem, die dagelijks het toenmalige hoofdorgel in de koorruimte van die kerk bespeelden.
Venetiaanse invloed Het is onbekend bij wie Sweelinck zijn enorme vaardigheid in het componeren van met name zijn ensemblemuziek heeft ontwikkeld. Het hoge niveau van deze composities - waaronder meerstemmige toonzettingen van het gehele Geneefse psalter en van katholieke liturgische teksten en gezangen - kan niet terug te voeren zijn op uitsluitend zelfstudie.
In dit verband kan zeker waarde worden gehecht aan de mededeling van de 18e-eeuwse Duitse musicograaf Johann Mattheson, dat Sweelinck in Venetië bij Gioseffo Zarlino gestudeerd heeft. Tegenwoordig zijn er onderzoekers die menen dat dit op een misverstand berust. Sweelinck was in ieder geval zeer goed bekend met Zarlino's leerboeken over muziek. Sweelincks traktaat met compositieregels, dat door verschillende Duitse leerlingen werd gekopieerd en waarop zij en later hun leerlingen voortborduurden, blijkt gebaseerd op de derde druk van Zarlino's beroemde en wijd en zijd in Europa verspreide muziek- en compositieleer Istitutioni harmoniche. Sweelinck hoeft dan ook niet in Italië te zijn geweest: hij kan in Nederland met Zarlino's schoolmakende muziektraktaat in aanraking zijn gekomen.
Het zou niet uitzonderlijk zijn geweest als hij op jonge leeftijd (tussen zijn 11de en 15de levensjaar) voor studiedoeleinden in Venetië kan zijn geweest. Van andere belangrijke 16e-eeuwse musici zoals Elias Nicolaus Ammerbach en John Bull weten wij dat zij op jonge leeftijd op studiereis gingen naar verre oorden, in hun geval naar Venetië en Spanje. Bovendien weten wij uit het beroemde Schilder-Boeck uit 1604 van Carel van Mander dat Sweelincks jongere broer, de kunstschilder Gerrit Pieterszoon (1566-1612), voor studie in Italië is geweest zoals zo veel Noord- (en Zuid-)Nederlandse kunstschilders dat in die tijd deden. Het valt niet uit te sluiten dat Gerrit dit in het gezelschap van zijn oudere broer Jan heeft gedaan. De Italiaanse studiereis van de jonge Sweelincks kan zijn georganiseerd (en bekostigd) door Italiaanse kooplieden uit Amsterdam, relaties van hun overleden vader.Tussen de handelssteden Amsterdam en Venetië bestonden intensieve contacten in de gehele 16de, 17de en de vroege 18de eeuw. De exclusieve uitgavecontracten die de Amsterdamse drukker en muziekhandelaar Estienne Roger wist te sluiten, via hun vertegenwoordigers in Amsterdam, met de componisten-musici Arcangelo Corelli (te Rome) en Antonio Vivaldi (te Venetië) vloeien hieruit regelrecht voort.
Een andere aanwijzing van Sweelincks pedagogische betrekkingen met Venetië - in persoon of door analyse van composities die in deze stad ontstaan zijn - is te vinden in zijn klavieroeuvre. Zijn toccata's en fantasia's zijn in stilistisch opzicht nauw verwant met klaviercomposities van Andrea Gabrieli, de organist van de San Marco.
Huwelijk In 1590 trouwde Sweelinck met Claesgen Puyner (?? - 2 januari 1637), dochter van een koopman uit Medemblik. Zij kregen zes kinderen: Dirk (1591-1652), Pieter (1593 - 1670), Dyeuwer (1596-1597), Ysbrandt (ca. 1600 - 1662), Jan (circa 1602 - 1662) en Elsge (1602-1664). Het echtpaar woonde in de Koestraat, op het terrein van een voormalig klooster.
Reputatie Sweelincks reputatie in Amsterdam was zeer groot. Hij had de bijnaam de Amsterdamse Orpheus en verkeerde onder rijke en ontwikkelde kooplieden in Amsterdam - Nederlanders zowel als buitenlanders.
Doordat tal van jonge Duitse musici naar de Amsterdamse meester trokken oefende Sweelinck grote invloed uit op de ontwikkeling van de orgel- en klavecimbelmuziek, met name in noordelijk Duitsland. Zijn invloed zou zelfs reiken tot aan de jonge Johann Sebastian Bach, die in de orgelmeesters Johann Adam Reincken uit Hamburg en in Dieterich Buxtehude uit Lübeck - zelf leerlingen van Sweelincks oud-leerling Heinrich Scheidemann - inspirerende voorbeeldfiguren vond.
Sweelincks reputatie had ook betrekking op zijn expertise op het gebied van orgelbouw. In de loop van zijn leven werd hij meermalen aangezocht om te adviseren bij en keuringen te verrichten van nieuwe of gerestaureerde orgels. De plaatsen die hij hiervoor aandeed waren: Enkhuizen, Haarlem (1594), Deventer (1595, 1616), Middelburg (1603), Nijmegen (1605), Harderwijk (1608), Rotterdam (1610), Delft, Dordrecht (1610) en Rhenen (1616).
Van Sweelincks reputatie getuigde in de 18e eeuw het biografische muziekwoordenboek Grundlage einer Ehren-pforte (1740) van Johann Mattheson. Daarin valt in de hoofdstukken over Sweelincks leerlingen Jacob Praetorius II (hier Schulz geheten) en Heinrich Scheidemann te lezen (hier in vertaling):
Improvisator en pedagoog thumb|Belangrijkste leerling Samuel Scheidt Sweelinck moet niet alleen een voortreffelijk componist zijn geweest. Over zijn talenten als briljant improvisator aan het klavecimbel en op het orgel werd bij zijn leven reeds hoog opgegeven. Ook ging een sterke roep van hem uit als muziekpedagoog. Vooral uit noordelijk Duitsland stroomden leerlingen naar Amsterdam toe om bij Sweelinck het orgelspel en compositie te leren. Dit gebeurde tijdens het Twaalfjarige Bestand (1609-1621) tijdens de Tachtigjarige Oorlog. In die periode werd Sweelinck bezocht door belangrijke Engelse musici als Orlando Gibbons in voorjaar 1613. Voor laatstgenoemde was dit collegiale contact van grote betekenis. Gibbons wijzigde zijn componeren voor toetsinstrumenten sinds zijn bezoek aan Sweelinck in verregaande mate. Ook aan zijn 'neveninkomsten' als pedagoog dankte Sweelinck een comfortabel leven.
Leerlingen van Sweelinck waren: zijn zoon Dirk Janszoon Sweelinck, later zijn opvolger aan de Oude Kerk in Amsterdam de Deventer organist Lucas van Lenninck die de eerste leraar was van de eveneens in Deventer geboren Jan Adamszoon Reinken (in Duitsland: Johann Adam Reincken) de blinde Utrechtse Domorganist Gerrit Wijerszoon de eveneens blinde Pieter de Vooys uit Den Haag. Barend Andriessen uit Zwolle Jan Pieterszoon Rijnsburg, organist van de Sint Pieterskerk in Leiden uit Duitsland zijn belangrijkste leerling Samuel Scheidt en verder onder anderen Ulrich Cernitz, Andreas Düben, Matthias Leder, Jacob Praetorius II, Johann Praetorius, Heinrich Scheidemann, Gottfried Scheidt, Melchior Schildt, Paul Siefert en Johannes Zornicht.
Doordat op enig moment alle organistenplaatsen van de grote stadskerken van Hamburg bezet werden door oud-leerlingen van Sweelinck kreeg de Amsterdamse musicus aldaar de erenaam Hamburgs organistenmaker. Het is aan deze groep hoogbegaafde jonge Duitse musici te danken dat een belangrijk deel van Sweelincks klaviercomposities - die in de kern als compositie- en improvisatievoorbeelden bedoeld waren - bewaard bleef, door middel van handgeschreven kopieën die zij van compositie-originelen van hun leraar zelf, respectievelijk van afschriften daarvan uit diens leerlingenkring vervaardigden. In Nederland zelf is vrijwel geen handschrift met klaviercomposities van Sweelinck (als autograaf of in kopie) bewaard gebleven.
Godsdienstige overtuiging