De dalai lama is de belangrijkste tulku, gereïncarneerde lama, van de gelug, een van de tradities binnen het Tibetaans boeddhisme.
De eerste persoon die tijdens zijn leven die benaming dalai lama kreeg was Sönam Gyatso (1543-1588). In de chronologische lijst van de successie geldt hij als de derde dalai lama. Zijn twee voorgangers als belangrijkste tulku van de gelug, Gendün Drub en Gendün Gyatso, ontvingen die benaming postuum.
Vanaf de vijfde dalai lama Ngawang Lobsang Gyatso (1617–1682) kunnen de dalai lama's beschouwd worden als de belangrijkste lama's van het Tibetaans boeddhisme. De vijfde dalai lama was samen met zijn dertiende ambtsgenoot Thubten Gyatso (1876–1933) de enige die bestuurlijke en politieke macht over Tibet heeft uitgeoefend. De zesde tot en met twaalfde dalai lama hebben niet of nauwelijks politieke of bestuurlijke invloed kunnen uitoefenen. Het grootste deel van de 18e en 19e eeuw werd het land bestuurd door Tibetaanse regenten, vanaf 1724 onder een vorm van supervisie en controle door één en later twee Chinese ambans.
De opvatting dat de dalai lama de spiritueel leider van het gehele Tibetaans boeddhisme is, dateert van de 20e eeuw en is niet onomstreden. De opvatting heeft voornamelijk in de periode van de ballingschap gestalte gekregen.
Naamgeving right|200px|thumb|Altan Khan in een boeddhistisch icoon Dalai lama is een samenstelling van twee woorden: het woord dalai, Mongools voor oceaan het woord lama, Tibetaans voor goeroe of leraar
Vrijwel alle Tibetaanse tradities ondernamen vanaf het midden van de zestiende eeuw missieactiviteiten onder de Mongoolse stammen. Na eerdere ontmoetingen met vertegenwoordigers van andere tradities nodigde Altan Khan (1507–1582), leider van de Tümed-Mongolen, de belangrijkste lama van de gelug Sönam Gyatso (1543–1588) uit voor een bezoek aan zijn gebied. Sönam Gyatso predikte daar in 1578 het boeddhisme en wist het hof en de elite van de stam te bekeren.
Er werden onderling titels uitgewisseld. De khan gaf Sönam Gyatso de titel prachtige Vajradhara, goede, briljante, prijzenswaardige oceaan, afgekort tot oceaan lama dan wel dalai lama. Het is een titel die in Mongoolse bronnen al in de dertiende eeuw te vinden valt als Oceaan Khan. (Dalai Khan) Het feit, dat de naam Gyatso in het Tibetaans ook Oceaan betekent, kan ook een rol hebben gespeeld.
De Tibetanen zelf gebruiken meestal de titel Gyalwa Rinpoche ("waardevolle overwinnaar", in de romanisatie van Wylie: rgyal-ba rin-po-che), De bijnaam van de veertiende dalai lama, Tenzin Gyatso, is Kundun, wat "aanwezigheid" betekent. In het Westen wordt hij gebruikelijk met de titel Uwe Heiligheid aangesproken.
Geschiedenis Ontstaan van de gelug thumb|Tsongkhapa Anders dan bij de andere grote tradities kan de gelug geen specifieke Indiase meester identificeren als de bron voor hun leerstellingen, hoewel het zich erfgenaam acht van de traditie van Atisha (982–1054). De vader van het geestelijk gedachtegoed is Tsongkhapa (1357–1419). Tsongkhapa was de eerste Tibetaanse hervormer van het Tibetaans boeddhisme. De Tibetaanse leraren in de eeuwen daarvoor hadden indrukwekkende prestaties geleverd op het gebied van vertalingen vanuit het Sanskriet en het ordenen en systematiseren van de teksten. Geen van hen had echter in theologische zin een innovatie aan de leer toegevoegd.
Tsongkhhapa formuleerde een nieuwe synthese tussen de oorspronkelijke erfenis van het boeddhisme uit India en zorgvuldige studie van teksten. In het Madhyamaka was sinds Nagarjuna (2e eeuw na Chr.) de leer van de twee waarheden aanwezig. Daarbij wordt een conventionele waarheid en een hoogste waarheid onderscheiden.In het Tibetaanse boeddhisme kon men op het niveau van de conventionele waarheid door boeddhistische logica tot de conclusie komen, dat het onmogelijk is dat dingen op zichzelf bestaan. Er zijn geen essenties, alles ontstaat door wederzijds afhankelijk ontstaan.thumb|left|Monniken van de gelugKennis van de hoogste waarheid werd echter slechts bereikt door tantrische praktijk en meditatie. Tsongkhapa's belangrijkste innovatie betreft de leer dat de uitgangspunten van boeddhistische logica ook voor het niveau van de hoogste waarheid gerespecteerd dienden te worden.
In veel literatuur wordt Tsongkhapa - volstrekt onterecht - beschreven als de stichter van de gelug. Er is niets in het leven of het werk van Tsongkhapa, dat er op wijst dat hij de intentie zou hebben gehad een nieuwe religieuze traditie of school te stichten. Tsongkhapa trok een grote groep van getalenteerde volgelingen aan. In de laatste jaren van zijn leven werd door zijn volgelingen het klooster Ganden gesticht. De eerste volgelingen werden ook Gandenpa's genoemd, vanwege hun verbondenheid met het nieuwe klooster.
Khädrub Je (1385–1438) was de eerste die een herkenbare eigen identiteit van de Gandenpa's creëerde. Hij deed dat op een zichtbare manier door de leidinggevenden van het klooster Ganden een gele hoed te laten dragen. Dat idee had Khädrub overgenomen van de Bulug een stroming die met de Sakyatraditie had gebroken, maar inmiddels niet meer bestond. De Gandenpa's werden dus op die wijze de enige Geelkappen in Tibet. De term Gandenpa werd in de loop van dit proces vervangen door Gendenpa's (Genden betekent deugdzaam). Dit werd kort daarna vervangen door het synoniem Gelugpa's.
Ontwikkeling naar de hegemonie van de gelug en de vijfde dalai lama thumb|Mipam Chokyi Wangchug, de zesde shamarpa, was tot ongeveer 1620 de belangrijkste lama in Tibet. Vanaf eind vijftiende eeuw zijn de eerste verschijnselen waarneembaar van sektarische strijd tussen verschillende tradities van het Tibetaans boeddhisme, die vanaf de zeventiende eeuw grote invloed in Tibet zullen hebben. De heersende dynastie in die periode, de Rinpung, waren de patroons van de karma kagyü-traditie. Tussen de karma kagyü en de gelug waren grote doctrinaire en filosofische verschillen van inzicht. In deze periode werden de geschillen tussen de beide tradities echter vooral bepaald door de politieke strijd tussen hun beide patroons. De polarisatie tussen de geestelijke tradities was niet de oorzaak, maar veel meer de uitkomst van een in wezen politiek geschil.
Vanaf het midden van de zestiende eeuw stond het grootste deel van Centraal-Tibet onder het gezag van de Tsang-dynastie. Ook de Tsang waren overtuigde volgelingen van de karma kagyü-traditie. De Shamarpa en vooral de Karmapa waren in deze periode de belangrijkste lama's van het Tibetaans boeddhisme.
Vierde dalai lama thumb|Chöying Dorje, de tiende karmapa was daarna tot 1642 de belangrijkste lama Bij de dood van Sönam Gyatso had de gelug geen enkele Tibetaanse patroon van enige militaire betekenis. De hiërarchie van de gelug stond dan ook voor de vraag op welke wijze de Mongoolse alliantie voortgezet kon worden. Een deel van de hiërarchie was van opvatting, dat dit diende te gebeuren door de reïncarnatie van Sönam Gyatso in Yönten Gyatso, (1589–1616), een achterkleinzoon van Altan Khan, te vinden. Een andere factie was echter fel tegen een Mongoolse dalai lama gekant en schoof een andere kandidaat naar voren. De impasse duurde negen jaar. De pro-Mongoolse factie organiseerde, dat in 1600 een groep Mongoolse edelen vergezeld door een stevig militair escorte naar Lhasa kwam en dwong op deze wijze de erkenning van Yönten Gyatso af. Zijn selectie was van grote betekenis voor de verdere ontwikkeling van het boeddhisme in Mongolië, maar Yönten Gyatso zelf bleef zijn hele verdere leven een marionet in handen van de hiërarchie van de gelug.
Tijdens zijn periode namen de spanningen tussen de karma kagyü en de Tsang-dynastie enerzijds en de gelug anderzijds steeds verder toe. In 1616 organiseerde Karma Phuntsok Namgyal, de vijfde koning uit de Tsang-dynastie, een grote conferentie waarin de nieuwe jonge karmapa Chöying Dorje (1604–1674) tot de geestelijk leider van geheel Tibet werd benoemd.
Vijfde dalai lama thumb|Güshri Khan Na de dood van Yönten Gyatso was al spoedig een kind gevonden dat als zijn reïncarnatie werd beschouwd. Er waren echter meerdere tradities, zoals onder meer de jonangtraditie die het kind claimden. De koning van Tsang verhinderde aanvankelijk de gelug een nieuwe reïncarnatie te selecteren. De strijd tussen de verschillende tradities om het kind werd echter zo intens, dat de koning de oplossing van het conflict maar zocht in de opheffing van het verbod. Door deze vertraging was inmiddels een tweede kandidaat naar voren geschoven, Dragpa Gyaltsen. Uiteindelijk werd toch Ngawang Lobsang Gyatso (1617–1682) geselecteerd en werd daarmee de vijfde dalai lama.
De situatie bleef echter uiterst precair voor de gelug. Na opnieuw hoog oplopende spanningen vormde Tenkyong Wangpo (overleden 1642), de laatste koning van de Tsang-dynastie, een coalitie met onder meer Dönyö Dorje, de koning van Beri en volgeling van de bön. De gelug had het vooruitzicht vernietigd te kunnen worden. Om aan dat lot te ontsnappen werd een beroep gedaan op de historische alliantie tussen de gelug en een aantal stammen van de westelijke Mongolen, die dateerde uit de tijd van de derde dalai lama Sönam Gyatso en Altan Khan. Sönam Chöpel, de eerste van de regenten in Tibet, vroeg Güshri Khan, de heerser van de Khoshut-Mongolen om militaire hulp.
In 1638 viel Güshri Khan met zijn troepen Centraal-Tibet binnen. Er volgde een harde en lange strijd met troepen van Tenkyong Wangpo, de laatste koning van de Tsang-dynastie, die zich in Shigatse moest overgeven. Daarna werd het grootste kampement van de karmapa aangevallen en vernietigd.
In 1642 was de burgeroorlog voorbij en was de gelug de dominante macht in Tibet geworden die het globaal drie eeuwen zou blijven. Güshri Khan bood het gebied van de dertien myriarchiën die bestonden tijdens de Mongoolse periode in Tibet aan de dalai lama aan. Güshri Khan werd formeel koning van Tibet maar keerde naar Kokonor terug.
Er was een factie in de hiërarchie van de gelug, die na de overwinning in de burgeroorlog verder wenste af te rekenen met de voormalige tegenstanders. Deze factie was voorstander van een staat die feitelijk alleen ruimte zou bieden aan de opvattingen en richtlijnen van Tsongkhapa, zoals zij die interpreteerden. Zij streefden naar de vestiging van een gelug-staat. Vanaf circa 1655 heeft de dalai lama op dit streven een sterk matigende invloed uitgeoefend. De voorstanders van de absolute suprematie van de gelug zagen ook met afkeuring toe, dat in met name de laatste vijftien jaar van zijn leven deze dalai lama in toenemende ook rituelen uit de nyingmatraditie ging uitvoeren. Deze tegenstelling binnen de gelug is de historische kern van het conflict, dat in de twintigste eeuw, tijdens het leiderschap van de dertiende en veertiende dalai lama, bekend is geworden als de Dorje Shugden-controverse.
Invloed op cultuurhistorische ontwikkeling van Tibetaans boeddhisme De vijfde dalai lama heeft een enorme invloed gehad op de cultuurhistorische ontwikkeling van het Tibetaans boeddhisme alsmede op de bestuurlijke organisatie van Tibet. thumb|Foto van het Potala uit 1938 De reïncarnatielijnen van met name de hoogste tulku's waren een afspiegeling van hun maatschappelijke, religieuze en politieke machtspositie. Voor veel gelovige Tibetanen is de overtuiging dat de dalai lama de emanatie is van Avalokitesvara (Tib.Chenrezig) even fundamenteel als voor een orthodox christen de opvatting dat Jezus de zoon van God is. Toch is deze emanatie-opvatting pas door deze vijfde dalai lama geformuleerd.