De Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland, kortweg: Vereniging Natuurmonumenten of Natuurmonumenten, is een Nederlandse natuurbeschermingsorganisatie, opgericht in 1905, die natuurgebieden in Nederland aankoopt en beheert. Het eerste gebied dat de vereniging aankocht ter bescherming, was het Noord-Hollandse Naardermeer in 1906.
Anno 2024 had de vereniging 112.619 hectare in beheer en bijna 3000 gebouwen waarvan honderden provinciaal of rijksmonument zijn. Het grootste natuurmonument is De Wieden (5847 hectare) en het kleinste Fort Ellewoutsdijk (1 ha). Natuurmonumenten is medeverantwoordelijk voor de aanleg van de Marker Wadden, een cluster van vijf kunstmatige natuureilanden, die van 2016 tot 2021 zijn aangelegd in het Markermeer.
In 2024 telde Natuurmonumenten ruim 870.000 leden en donateurs en 95.000 jeugdleden.Natuurmonumenten Jaarverslag 2024, geraadpleegd op 13 juli 2025 Het hoofdkantoor is gevestigd in Amersfoort.
Doelstelling Uit de statuten van Vereniging Natuurmonumenten: "De vereniging heeft ten doel het behoud en beheer van in natuurwetenschappelijk en landschappelijk opzicht belangrijke terreinen in Nederland met het zich daarop bevindende cultureel erfgoed. Dit geschiedt zowel ter wille van de natuur zelf als ten behoeve van het geestelijke en lichamelijke welzijn van de mens."
Haar streven is mede gericht op het bevorderen van:Statuten Vereniging Natuurmonumenten, Artikel 2: Doel], geraadpleegd op 27 juni 2021 het behoud en het herstel van natuur en landschap; de zuiverheid van water, bodem en lucht alsmede het beschermen van de stilte; het besef dat de mens hiervoor verantwoordelijkheid draagt.
Geschiedenis Achtergrond miniatuur|Naardermeer De Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland werd op 22 april 1905 te Amsterdam opgericht. Aanleiding tot de oprichting was het voorstel van B&W van Amsterdam, in november 1904, om de 'waardeloze, onvruchtbare' plassen van het Naardermeer met stadsafval te dempen en zo het afvalprobleem op te lossen. Het was de Amsterdamse onderwijzer en natuurminnaar Jac. P. Thijsse die hiertegen in verzet kwam. Thijsse kende het vogelrijke meer, als een van de zéér weinigen, door de roeitochtjes die hij er geregeld ondernam. Hij stelde voor om het Naardermeer aan te kopen en legde dit plan via brieven voor aan mogelijke medestanders. Dit was aanvankelijk vrijwel vergeefse moeite.
De Nederlandse Ornithologische Vereniging liet zich bijvoorbeeld sceptisch uit over de haalbaarheid om het meer via aankoop te redden, en ook de directie van Artis zag er weinig in. Maar in de dagbladen kwam de discussie over de plannen op gang. In december 1904 besloot de Nederlandse Natuurhistorische Vereniging (NVV), in 1901 opgericht door onder meer Eli Heimans (collega en vriend van Thijsse), om zich in een schrijven tot de gemeenteraad te wenden en zich tegen het dempingsplan te keren. Deze vereniging voerde als argument aan dat het Naardermeer een grote esthetische en 'natuurhistorische' waarde bezat; waarmee de rijke flora en fauna bedoeld werd.
Op 12 december 1904 gaf Thijsse in zijn rubriek in het Algemeen Handelsblad nog eens blijk van zijn verontrusting en spoorde hij de lezer aan zich het lot van het meer aan te trekken. Heimans viel hem bij in De Groene Amsterdammer. Een paar dagen later, 14 december, werden de plannen in de raad besproken. Aan de schoonheid van het Naardermeer werd vrijwel geen aandacht geschonken. Evenmin telden de natuurhistorische bezwaren. De meeste hoofdstedelijke politici toonden een blinde vlek voor de bezwaren die de natuurbeschermers eerder naar voren hadden gebracht. Wel was er aandacht voor de financiële en zogenaamde hygiënische bezwaren. Vooral het gevaar dat de Vecht door vervuild grondwater zou worden verontreinigd, werd uitvoerig besproken; Thijsse had ook al op de gevaren van bodemverontreiniging gewezen. Uiteindelijk gaf het financiële aspect de doorslag om niet tot demping over te gaan; het voorstel werd met 20 tegen 18 stemmen afgewezen. De NVV besteedde vervolgens op 2 januari 1905 aandacht aan de hele kwestie, aangespoord door Thijsse (die inmiddels lid was geworden van het NVV-bestuur, waar Heimans sinds 1901 in zat). Later die maand werd een besluit genomen om een bijeenkomst te beleggen voor geïnteresseerde instellingen. Het doel was om eendrachtig te komen tot de 'stichting van een lichaam' ter wille van het 'behoud van Natuurmonumenten'. Concreter: voor 'het aankopen en in eigen beheer nemen van Natuurmonumenten'.
Zeventien organisaties besloten in de middag van zaterdag 22 april 1905, in de Kleine Restauratie van Artis, tot de oprichting van de 'Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten in Nederland'. Deze vergadering werd gehouden door 35 mannen op initiatief van Thijsse en Heimans. De florist Heukels zat de vergadering voor. Er werd een commissie samengesteld die de eigenlijke oprichting en statuten van de vereniging moest voorbereiden; onder meer Thijsse werd benoemd in deze commissie, maar Heimans niet. De eigenlijke oprichtingsvergadering vond plaats op 23 december 1905, waarbij bestuursleden van de nieuwe vereniging werden verkozen, onder andere de entomoloog Johannes Theodorus Oudemans (voorzitter), assuradeur Pieter van Tienhoven (penningmeester) en Jac. P. Thijsse (secretaris). Heimans werd opnieuw niet verkozen, wat hem heeft verbitterd.
Door de plotselinge bekendheid die het Naardermeer kreeg werd de eigenaar, de familie Rutgers van Rozenburg, door allerlei personen benaderd. De familie besloot daarop het Naardermeer publiek te veilen. De vereniging probeerde de familie van dit nieuwe onheil af te houden, maar stond zelf met lege handen. Nu leek het voorgenomen behoud van het natuurmonument toch nog vergeefs te zijn: het meer zou worden geveild en verkocht.
De biedingen vielen echter tegen, er werd niets verkocht. Een commissie van Natuurmonumenten ging vervolgens snel aan de slag om de opbrengsten van het meer (riet, vis, jacht, turf) te berekenen, men wilde in staat zijn de rente en de aflossing van een hypothecaire lening te bekostigen. Op 25 april 1906 besloot de vereniging een obligatielening uit te schrijven. Op 3 september 1906, bijna anderhalf jaar na de oprichting van de vereniging, werd het Naardermeer voor een koopsom van 150.000 gulden aan Natuurmonumenten overgedragen en werd zo het eerste natuurreservaat in Nederland.
De Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten is daarmee tegelijk de eerste organisatie in Nederland die zich op het praktische terrein van natuurbescherming begaf, door aankoop en beheer van gronden. Daarbij mogen echter niet die landgoedeigenaren worden vergeten, die reeds eerder beschermende maatregelen op hun terreinen troffen tot behoud van bijzondere planten en dieren, voor welke zij een liefhebbend oog hadden.
Financiële basis Vlak na de oprichting van de vereniging in 1905 schreef Thijsse: Onze eerste oproep om leden en steun had een tamelijk poover resultaat gehad. Heel goede menschen noemden onzen opzet hersenschimmig. Van de circulaires die we gestuurd hadden aan de leden van de Tweede en Eerste Kamer en aan verschillende hooggeplaatste overheidspersonen kwamen er nog geen half dozijn terug met een aanmelding voor lidmaadschap of donateurschap. Maar wij wanhoopten niet.
De algemene vergadering van 23 december 1905 trok in maart achttien personen. Daar kon de secretaris de mededeling doen van één donateur en 86 leden. Er was een schenking van ƒ 122,- binnengekomen. Er werd een omvangrijk bestuur ingesteld, dat bestond uit twaalf personen. Thijsse werd 1e secretaris. Hij en dr. Han Heinsius, prof. dr. Jan Ritzema Bos en dr. Johannes Theodorus Oudemans waren aanvankelijk de belangrijkste personen. Later vormde Thijsse samen met mr. Pieter van Tienhoven en Jan Drijver het centrale trio van de vereniging.
Van Tienhoven had enige jaren biologie gestudeerd en stond bekend als 'vogelenpiet'. Hij zou jarenlang een krachtig stempel drukken op het beleid van de vereniging. Hij werd in 1907 penningmeester, later speelde hij een centrale rol onder het voorzitterschap van Oudemans. Van Tienhoven zou internationaal uitgroeien tot een belangrijk natuurbeschermer (onder andere door de oprichting van de Nederlandse Commissie voor Internationale Natuurbescherming in 1925 en voorzitter van het Office Internationale pour la Protection de la Nature). Pas in 1927 volgde hij Oudemans als voorzitter op.
Als assuradeur had Van Tienhoven veel relaties in de financiële wereld. In het belang van de vereniging wist hij steeds opnieuw bij anderen een beroep te doen op geldelijke steun. Velen gaven spontaan in de vorm van giften en leningen. Met het geld van vermogende lieden en andere gulle gevers verkreeg de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten een behoorlijke financiële grondslag. De natuurbescherming kon in die dagen niet bij voorbaat rekenen op overheidssteun, zoals pas vele jaren later het geval zou zijn.
De inkomsten uit het terreinbezit vormden de basis voor de instandhouding van het groeiende bezit aan landgoederen en natuurterreinen van de jonge vereniging. De inkomsten bestonden uit de houtverkoop, de pacht van de jacht en de rietverkoop. Op deze manier geëxploiteerd, zou de vereniging de meer 'wetenschappelijke' reservaten als heidevelden en vogelbroedplaatsen kunnen onderhouden. Een methode tot een verantwoorde aanschaf van natuurterrein bestond er uit om allereerst een schatting te maken van wat het nieuwe terrein kon opbrengen. Daarna werd beslist hoe de aankoop gefinancierd moest worden.
Van Tienhoven stond op het standpunt dat de verwerving van 'wandeloorden' gunstig was. Dan kon je, zo redeneerde hij, het volk op de gedachte brengen van de natuurbescherming. Dit bracht hem weleens in conflict met de wetenschappelijk aangelegden binnen de vereniging. Die wilden alleen de biologisch interessante terreinen aankopen, ook al spraken die minder tot de verbeelding van het publiek.
De vereniging deed in die jaren nog geen rechtstreeks beroep op het grote publiek. Op 'Jan met de pet' oefende de wat elitair aandoende vereniging geen aantrekkingskracht uit. De nog veel voorkomende laaggeletterdheid stond de propaganda voor natuurbescherming trouwens in de weg. De vereniging kon dus nog niet bogen op maatschappelijk 'draagvlak'. De groep die belang stelde in de natuurbescherming was klein, maar invloedrijk: het ging om vermogenden, of geschoolde mensen.
Eerste aankopen miniatuur|Karakteristieke molentjes in de polder Waal en Burg op Texel Op de broedplaats de Bol op Texel kwamen in 1906 grote sterns tot broeden, de vogel had zich lange tijd niet op het eiland laten zien. De vereniging slaagde erin het eierzoeken op de Bol te pachten. Natuurlijk om er de eieren met rust te laten. De koeien van de boer vertrapten echter alle nesten, de tweede natuurbeschermingsactie van de vereniging te velde mislukte jammerlijk. In hetzelfde najaar werd het terrein geveild en verkocht, weer greep de vereniging mis. Het eerste bezit op Texel verwierf de vereniging in 1909. Het was broedplaats de Staart in de polder Waalenburg. De koopsom werd door vrienden aan de vereniging geschonken.
Volgende aankopen betroffen bosgebied. In een bestuursvergadering in 1910 sprak Oudemans de vrees uit dat het Leuvenumse bos bij Ermelo onder de bijl van de houthakker zou vallen. Het bos stond te koop. Een lening werd uitgeschreven voor de aankoop tegen ƒ 250.000. De obligatielening werd, zo kreeg het bestuur te horen, met ƒ 90.000 overtekend. Onderwijl dreigde er ook kaalslag op de Veluwezoom. Op het landgoed Haganau zou de houtopstand geveild worden. In november 1910 werd een optie verkregen voor de aankoop van het landgoed tegen een bedrag van ƒ 405.000, zonder kosten. In korte tijd werd aan ƒ 104.000 aan obligaties geplaatst.