miniatuur|Middelste bonte specht in Limburg - België De middelste bonte specht (Dendrocoptes medius, tot 2015 algemeen als Dendrocopos medius) is een vogel uit de familie van de spechten (Picidae). Het is een standvogel in een groot deel van Europa en het zuidwesten van Azië.

De middelste bonte specht vertoont uiterlijke overeenkomsten met de grote bonte specht (Dendrocopos major), maar is wat kleiner en meer gedrongen. In tegenstelling tot de meeste spechtensoorten hebben het mannetje en het vrouwtje vrijwel hetzelfde uiterlijk. De middelste bonte specht roffelt zelden en foerageert voornamelijk in de toppen van bomen met een ruwe bast. Hier voedt hij zich voornamelijk met insecten en boomsappen. De habitat bestaat voornamelijk uit oude loofbossen, met name bossen met veel eiken.

Veldkenmerken Een volwassen middelste bonte specht heeft een lichaamslengte van ongeveer 19,5 tot 22 centimeter. Dit is iets kleiner dan de grote bonte specht (Dendrocopos major), die 20 tot 24 centimeter meet. (2008). De Nieuwe Tirion natuurgids Vogels, Tirion Natuur, p. 126, 127 Dit verschil lijkt echter groter door de kortere snavel, de rondere kop en het gedrongener uiterlijk van de middelste bonte specht. De vleugelspanwijdte bedraagt ongeveer 34 centimeter en het gewicht varieert tussen de 50 en 85 gram.

thumb|links|Middelste bonte specht in Wrocław, Polen Het verenkleed van de middelste bonte specht is aan de bovenzijde glanzend zwart. De zwarte vleugels hebben witte ovale vleugelvlekken aan de basis en een witte, brede bandering. De schouder en onderzijde is wit. De borst en flanken zijn bedekt met zwarte, verticale strepen en vertonen vaak gele tinten. Van de buik tot de anaalstreek verloopt de kleur van het verenkleed van vuilroze naar rood. De staart is zwart, met uitzondering van de zwart-wit gebandeerde buitenste staartpennen.

De middelste bonte specht heeft een relatief korte, lichtgrijze snavel die minder sterk is dan bij veel andere spechten. De iris is rood tot roestbruin en steekt meestal duidelijk af in het gezicht. Het gezicht is met uitzondering van een vage donkere snorstreep overwegend wit, net als het voorhoofd, de keel en nek. Door de spaarzame zwarte veertjes in het gezicht heeft de specht soms een smoezelig uiterlijk. Het wit van het gezicht en de schouder wordt gescheiden door een horizontale zwarte vlek, die in tegenstelling tot bij de grote bonte specht niet doorloopt tot in de nek.

thumb|Bij het vrouwtje is de kleurgrens tussen de rode kopkap en de zwarte nek soms minder scherp dan bij het mannetje Beide geslachten hebben een geheel rode kopkap zonder zwarte bies. Bij verstoring of opwinding worden de rode kopveren opgezet. Op het achterhoofd heeft het mannetje meestal een duidelijke grens tussen het rood van de kopkap en het zwart in de nek. Het vrouwtje heeft een iets minder felrood gekleurde kopkap. De overgang tussen het rood en het zwart op het achterhoofd is soms vager en vertoont soms ook gelige of bruinige tinten. Buiten dit verschil, dat niet altijd aanwezig is en in het veld moeilijk is te onderscheiden, bestaat er geen noemenswaardige seksuele dimorfie. Hiermee onderscheidt de middelste bonte specht zich van de meeste andere spechtensoorten.

De juveniel van de middelste bonte specht is valer en minder contrastrijk gekleurd. De kopkap is minder felgekleurd, het gezicht is grijzer, de iris is grijs of bruin, en de vleugels hebben een bruine tint.

Onderscheid met andere soorten De middelste bonte specht is de enige vertegenwoordiger van het geslacht Dendrocoptes in zijn verspreidingsgebied. Wel leven er een groot aantal andere 'bonte' spechten, die net als de middelste bonte specht voorheen tot het geslacht Dendrocopos werden gerekend. De kleine bonte specht (Dryobates minor) is met een grootte van 14 tot 16 centimeter aanzienlijk kleiner en heeft bovendien geen rood op de anaalstreek. (2008). De Nieuwe Tirion natuurgids Vogels, Tirion Natuur, p. 126 De grote bonte specht en de Syrische bonte specht (Dendrocopos syriacus) hebben dat wel en zijn gemiddeld slechts vijftien procent groter dan de middelste bonte specht. Deze spechten hebben een zwaardere snavel, een feller rode stuit, een egaal witte onderzijde en aanzienlijk meer zwart in de koptekening. Alleen de mannetjes van deze soorten hebben een weinig rood op de kruin. Het mannetje van de witrugspecht (Dendrocopos leucotos) heeft net als de middelste bonte specht een gestreepte onderzijde en veel rood op de kruin. Deze spechtensoort is echter nog groter dan de voornoemde soorten en heeft bovendien wit gebandeerde vleugelveren.

De juveniel van de middelste bonte specht en bovengenoemde Dendrocopos-soorten zijn lastiger uit elkaar te houden, daar ze allen een roze anaalstreek hebben en een grote rode kopkap, al is deze in tegenstelling tot bij de middelste bonte specht zwart gebiesd. Ook de hoeveelheid zwart in het gezicht en de tekening van de vleugels zijn belangrijke determinatiekenmerken.

Gedrag en leefwijze thumb|De middelste bonte specht houdt zich voornamelijk op in de middelste en bovenste boomlagen, zoals hier in het Woud van Białowieża in Polen De middelste bonte specht is een dagactieve vogel. Hij deelt zijn dag in tussen zonsopgang en zonsondergang, maar is minder actief bij slechte weersomstandigheden. De specht is een groot deel van de dag beweeglijk op zoek naar voedsel. Hij houdt zich bij voorkeur op in de middelste en bovenste vegetatielagen van loofbomen. Hierdoor is hij relatief moeilijk te ontdekken wanneer een boom blad draagt. Vroeg in de middag wordt meestal een pauze gehouden, waarin de middelste bonte specht rust, zijn veren glad strijkt of met opgezette veren zonnebaadt. De middelste bonte specht brengt deze periode doorgaans in de bovenste boomkronen door., p. 1071 Reeds voor de schemerperiode verblijft hij in de nabijheid van zijn slaapplaats. Hij brengt de nacht door in een boomholte of soms in een nestkast.

De middelste bonte specht is een standvogel die zelden van territorium verhuist. Hij overwintert in zijn broedgebied. In strenge winters vergroot de middelste bonte specht meestal zijn foerageerterritorium en kan dan ook in parken of op voederplaatsen worden aangetroffen. Ook de pas uitgevlogen jonge vogels blijven in de nabijheid van het ouderlijk territorium. In een uitzonderlijk geval werd een geringde juveniel op 55 kilometer afstand van zijn oorspronkelijke broedholte aangetroffen. (2004), p. 126

Vocale communicatie Het vocale repertoire van de middelste bonte specht is zeer divers en veel signalen vertonen geen overeenkomst met die van andere spechten in zijn leefgebied. Met name het mannetje bakent zijn territorium af met een zang die van grote afstand te horen is en ook voor de balts wordt gebruikt (). Het bestaat uit een serie van twee tot dertig opeenvolgende slepende noten en klinkt als een klagend en miauwend kwaah-kwaah, vergelijkbaar met de waarschuwingsroep van een Vlaamse gaai. Dit geluid kan van januari tot de late herfst worden waargenomen, met een piek tijdens de baltstijd van half maart tot half april.

Bij opwinding laat de middelste bonte specht een ratelend kik-kek-kek-kek-kek-kek horen, waarbij de eerste noot het hoogste klinkt (). Deze roep lijkt sterk op die van een roodpootvalk. De alarmroep lijkt op die van de merel en klinkt als een harde tjak-tjak. De middelste bonte specht laat soms ook een zacht en bedeesd kik of djuk horen. (2014), p. 250

De middelste bonte specht roffelt zeer zelden, maar gebruikt vooral zijn zang om het territorium af te bakenen. De zwakke roffel bestaat uit 18 tot 30 gelijkmatige slagen en duurt ongeveer twee seconden., p. 1060

Voortbeweging thumb|De middelste bonte specht rust vaak in horizontale houding De middelste bonte specht beweegt zich doorgaans vlug en rusteloos en foerageert zelden lang op dezelfde plek. Hij is net als een boomklever in staat om ondersteboven langs een stam naar beneden te klimmen. Korte afstanden legt hij vliegend af, ook als hij zich naar een nabijgelegen plek op dezelfde boomstam verplaatst. De middelste bonte specht is een behendige vlieger en gebruikt krachtige en snel opeenvolgende vleugelslagen. In rust zit hij regelmatig als een zangvogel boven op een tak, in tegenstelling tot de meeste spechten die meestal horizontaal aan een stam rusten.

Voedsel Het voedsel van de middelste bonte spechten bestaat voor het grootste deel uit kleine insecten en hun larven en spinnen. Dit zijn met name bladluizen en verschillende boombewonende mierensoorten, zoals de glanzende houtmier en de mergelmier. Daarnaast voedt de middelste bonte specht zich met kevers, schildluizen, rupsen, langpootmuggen, muggen, vliegen en pissebedden. Houtwormen en andere houtbewonende larven worden vrijwel niet gegeten.

Plantaardig voedsel maakt een minder groot deel uit van het dieet van de middelste bonte specht dan van bijvoorbeeld de grote bonte specht. In het voorjaar voedt de middelste bonte specht zich regelmatig met boomsappen, met name van die van linden. Hij hakt daarvoor zelf gaten in de bast of zoekt door andere spechten gemaakte gaten op. In juni en juli vormen kersen en andere vruchten een belangrijke aanvulling op het voedsel. Deze worden ook aan de juvenielen gevoerd. In de herfst en de winter voedt de middelste bonte specht zich soms met noten, eikels en zaden van coniferen. Deze zaden bereikt hij door de kegelvrucht in een takvork vast te klemmen en de zaden er vervolgens uit te pikken.

thumb|links|In de winter verschijnt de middelste bonte specht ook bij voedertafels De middelste bonte specht foerageert voornamelijk in de middelste en bovenste boomlagen en heeft daarbij een voorkeur voor bomen met een ruwe, onregelmatige bast, zoals eiken. Prooidieren op de stam of tussen boomschors worden meer gegeten als die zich op takken of bladeren bevinden. De specht beweegt zich snel van de ene naar de andere plek en pikt de prooidieren met snelle bewegingen van de oppervlakte. Regelmatig vliegt hij op om insecten in de vlucht te vangen. De middelste bonte specht hakt in tegenstelling tot veel andere spechten weinig in het hout en zoekt zijn voedsel zelden op de grond of in gemengde vogelgroepen. In strenge winters foerageert de middelste bonte specht ook buiten zijn territorium en verschijnt dan ook bij voedertafels.

Conflictgedrag thumb|Territoriaal conflict in een stadspark in Wrocław, Polen De middelste bonte specht verdedigt het hele jaar door op agressieve wijze zijn territorium. Ze reageren onmiddellijk op de specifieke roep van hun soortgenoten. Een mannetje zal een vrouwtje doorgaans tolereren in het winterseizoen, maar haar bij lucratieve voedselbronnen verjagen. Ook tegenover andere spechtensoorten is de middelste bonte specht toleranter, daar deze doorgaans andere foerageermethodes gebruiken. Eekhoorns en slaapmuizen die nest- of slaapholtes in gebruik willen nemen worden door agressieve vluchtaanvallen verjaagd.

De belangrijkste predatoren van de middelste bonte specht zijn de sperwer en de marter. Bij gevaar vanuit de lucht zal de specht trachten om zich in een holte te verbergen. Wanneer dit niet lukt, drukt hij zich roerloos tegen de boomstam.Dit 'bevriezen' wordt ook bij veel andere spechtensoorten waargenomen, waaronder de zwarte specht. Marters vormen met name een gevaar voor nestjongen, daar volwassen vogels deze meestal kunnen ontvluchten door weg te vliegen. De jongen in het nest vormen ook een prooi voor veel andere vogelsoorten, waaronder ook de grote bonte specht.

Voortplanting en ontwikkeling