thumb|Bioscoopjournaal uit 1967 over de tentoonstelling Fiets en Mode in het Nederlands Textielmuseum te Tilburg, over de ontwikkeling van de fiets en de bijpassende kleding

thumb|Ontwikkeling van de fiets1. Fiets van Karl von Drais (Duitsland)2. Tweewieler, Thomas McCall (Schotland, bestaan onzeker)3. Pedaalfiets, Pierre Lallement (Frankrijk)4. Hoge bi, James Starley (Frankrijk)5. Veiligheidsfiets, John Kemp Starley (Engeland)6. Racefiets7. Mountain Bike (USA)

Een fiets is een voertuig dat doorgaans met spierkracht wordt aangedreven. Een basisfiets bestaat uit twee wielen, een frame, een zadel, een stuur en een trapas met pedalen.

De meeste hedendaagse fietsen hebben een kettingaandrijving, hoewel een asaandrijving of riemaandrijving ook mogelijk is. In het begin van de 21e eeuw is de elektrische fiets in opkomst; dit soort fietsen wordt wel "e-bike" genoemd.

Van de fiets zijn andere vervoermiddelen afgeleid, zoals de vooral in Azië populaire riksja en betjak, en enkele gemotoriseerde varianten die als uitvindingen een eigen leven zijn gaan leiden: de bromfiets, snorfiets, scooter en motorfiets.

Lexicografie Etymologie De etymologische herkomst van het Nederlandse woord fiets is onbeslist. In de loop van de tijd zijn er allerlei verklaringen gegeven, maar voor geen daarvan is doorslaggevend bewijs gevonden. Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (2003). Zie Etymologiebank: fiets (rijwiel). Taalkundige Ewoud Sanders schreef in 1997 het boekje Fiets! De geschiedenis van een vulgair jongenswoord (1997). Hij komt tot de conclusie dat de etymologie van het woord "onbekend" is. Fiets! De geschiedenis van een vulgair jongenswoord (Sdu 1996), blz. 6, 37-39 (gearchiveerd)

thumb|left|'Fiets' op een Duits bord thumb|Michaux "boneshaker" van ca. 1870 thumb|Fietsen, ca. 1887 thumb|Voormalige Zwitserse legerfiets thumb|Fiets met zijspan, Denemarken 1940-1945 thumb|Mountainbike

Het woord heeft zich sinds de jaren 1880 razendsnel in het Nederlands verspreid en is overgenomen in het Fries (fyts), Nedersaksisch (fietse), Afrikaans (fiets), Indonesisch (pit) alsmede in de dialecten van de Nederrijn (fitze, fitz, vits) en andere grensstreken als Bentheim en Oost-Friesland (fiets). Het werkwoord vietsen is voor het eerst gedocumenteerd in het wielersportblad De Kampioen in 1885.Blog: Vietsen in het Vondelpark (2012). Gearchiveerd op 5 mei 2023.

Het artikel in het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) uit 1919 geeft twee alternatieve etymologieën. De eerste is dat het woord afgeleid zou zijn van de naam van de Wageningse wagenmaker Elie Cornelis Viets, die rond 1880 rijwielen maakte en repareerde. Deze voor de hand liggende verklaring werd in eerste instantie van de hand gewezen, omdat bleek dat het woord al eerder gebruikt zou zijn. Het Etymologisch woordenboek van Van Dale uit 1997 zegt hierover: "Het is in geen geval afgeleid van de Apeldoornse (sic) rijwielhandelaar E.C. Viets (1847-1921), zoals vaak is gesuggereerd: onder kostschooljongens in de buurt werd fiets al gebruikt voordat Viets zijn handel begon." en Van Dale Etymologisch woordenboek: De herkomst van onze woorden, 1997. De voornoemde verklaring is echter niet volledig van de hand te wijzen. De naamkundige Leendert Brouwer toonde in 2012 aan dat de familie Viets in 1870 misschien nog geen rijwielen produceerde, maar ze wel leverde, onder meer naar Leeuwarden. Als bondsrijwielhersteller had Viets een goede naam bij de toenmalige wielersporters. Een fiets van Viets in: Genealogie 18 (2012), p. 16-19. Samengevat door Nico Zuijdervliet, Een fiets van Viets: Over de herkomst van een eponiem.

Een tweede verklaring van het WNT is dat het een verbastering is van het wat lange en lastig uit te spreken Franse vélocipède, wat in de 19e eeuw ook in het Nederlands als leenwoord een gebruikelijk synoniem was voor rijwiel. De eerste vermelding daarvan dateert uit 1824. Tussenvormen als vieloziepee en viezepee zijn in 1886 gedocumenteerd. De vorm fielsepee kwam bijvoorbeeld in Drenthe voor, fillesepaed in Maastricht; hij correspondeert ook met Duitse dialectvormen als flossipe (Westmünsterland), flitzepie (Solingen) en flitzepääd (Sauerland). Een redactielid van De Kampioen meende zich te herinneren dat hij het woord fiets als verkorting van vélocipède al in 1871 in Leeuwarden gehoord had. Andere fietspioniers wisten te vertellen dat het woord omstreeks 1870 op een deftig internaat in Apeldoorn, het Koloniaal Instituut van Kinsbergen, was ontstaan, vanwaar het zich naar Brummen en Wageningen had verbreid. 't Woord "fiets", in: Taal en letteren (1911), p. 407-410. Gearchiveerd op 1 mei 2023. De historicus Jan Dirk Snel benadrukt dat de meeste tijdgenoten, met name jongeren die actief waren in de wielersport, deze woordverklaring onderstreepten. Hij veronderstelt daarom dat de kortere vorm viets inderdaad door kringen van Gelderse kostschooljongens is verbreid.

Een derde verklaring stelt dat het woord viets is ontstaan uit een Limburgs en Oost-Brabants dialectwoord vietse of fiette: hard lopen, zich snel voortbewegen. Deze woorden gaan vermoedelijk terug op het Franse vitesse 'snelheid'. Ook Van Dale noemt als mogelijke herkomst "het oudere dialectwoord vietsen [zich snel verplaatsen]". Deze etymologie is voor het eerst in 1914 naar voren gebracht door de Limburgse pastoor L. Linsen. Ewoud Sanders ziet dit als de waarschijnlijkste verklaring.

Een minder voor de hand liggende verklaring stelt dat het zou zijn afgeleid van het dialectwoord fietelen of fieteren (d.i. kermishouden), waarmee een bepaalde manier van lopen die typisch bij de loopfiets hoorde wordt bedoeld. Ook heeft men verondersteld dat het een onomatopee (een klanknabootsing) van een piepend geluid zou kunnen zijn.

Volgens een alternatieve hypothese uit 2012 door Gunnar de Boel, hoogleraar vergelijkende taalkunde aan de universiteit van Gent, en zijn collega Luc de Grauwe, is het woord fiets mogelijk ontstaan uit het Duitse *Vize-Pferd. Dat zou de Duitse naam voor dit nieuwe tweewielige vervoermiddel zijn geweest; het betekent letterlijk vice-paard ofwel vervangpaard. Vize-Pferd werd volgens deze redenering tot *viez verkort, wat uitgesproken wordt als fiets. en 'Fiets 'ersatzpaard'. De etymologische kwestie revisited en beslecht?, in: Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde 127 (2011), p. 327-342. Universiteit Gent, Etymologie van het woord fiets na 140 jaar achterhaald, 21 februari 2012 (gearchiveerd). Later werd dit woord in Duitsland door Fahrrad verdrongen. Critici benadrukken dat de feitelijke onderbouwing van deze stelling ontbreekt. Ga toch fietsen!. Gepubliceerd in Dez., Die taal, die weet wat: over wat kan en niet kan in het Nederlands, 2014. Gearchiveerd op 15 november 2017.

Er zijn in het Nederlands in de loop der jaren veel uitdrukkingen en zegswijzen ontstaan met betrekking tot de fiets en het fietsen, terwijl er nog steeds geregeld nieuwe woorden worden bedacht, zoals in 2008 weesfietsen voor de door onbekende eigenaars voor langere tijd bij stations achtergelaten rijwielen die nog niet als te verwijderen wrak of verlaten fiets zijn aangemerkt.

Fiets in andere talen Het Nederlandse woord fiets is overgenomen in het Afrikaans, Fries en Nedersaksisch.

In veel andere Europese talen gebruikt men afleidingen van het Franse vélocipède of het aan het Grieks ontleende bikykel. In het Frans is tegenwoordig vélo gangbaar. Vélocipède en bicyclette zijn daar in onbruik geraakt. Overeenkomstige afkortingen zijn ook in andere landen gebruikelijk: in het Engels bike en in het Spaans bici.

In sommige talen is met een andere schrijfwijze het Engelse woord bicycle overgenomen, dat wil zeggen fonetisch als bajskl, zoals in het Pashtu en Dari in Afghanistan, terwijl in het Farsi in Iran, waarvan het Dari in Afghanistan een variant is, het doetsjarcha is, dus hetzelfde als bicycle en tweewieler.

In het Pools wordt rower gebruikt, naar de door John Kemp Stanley in 1885 gebouwde Rover met kettingaandrijving. In het Fins is het polkupyörä, wat wegwiel betekent.

Fiets versus rijwiel In de 19e eeuw gold het woord fiets als zeer informeel, maar het was reeds in het begin van de 20e eeuw het normale woord in de volksmond. De officiële aanduiding voor fietsen was tot 1966 in Nederland rijwiel. In 1966 werd in de Nederlandse wetgeving het woord rijwiel vervangen door fiets. Het woord rijwiel is in onbruik geraakt, behalve in enkele samenstellingen als rijwielpad en rijwielstalling.

In de Belgische wegcode (Algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg) is nog wel sprake van het woord rijwiel. Er wordt dan een betekenisonderscheid gemaakt tussen een rijwiel en een fiets, waarbij de fiets een tweewielige vorm van het rijwiel betreft. De term rijwiel wordt in deze wegcode omschreven als: "elk voertuig met twee of meer wielen, dat wordt voortbewogen door middel van pedalen of van handgrepen door een of meer van de gebruikers en niet met een motor is uitgerust, zoals een fiets, een driewieler of een vierwieler. De bevestiging van een elektrische hulpmotor met een nominaal continu vermogen van maximaal 0,25 kW, waarvan de aandrijfkracht geleidelijk vermindert en ten slotte wordt onderbroken wanneer het voertuig een snelheid van bereikt, of eerder, indien de bestuurder ophoudt met trappen, brengt geen wijziging in de classificatie als rijwiel."

Geschiedenis

Baron Karl Drais heeft de loopfiets uitgevonden. Deze bestond uit een houten frame, houten wielen met een smeedijzeren velg, een zeer eenvoudig zadel, een nog niet goed ontwikkeld stuur en een soort rem op het achterwiel. De loopfiets had geen trappers; de berijder bewoog zich voort door zich af te zetten tegen de grond. Het eerste exemplaar ontstond in 1817. Von Drais noemde zijn toestel velocipede.De Gids (gearchiveerd) Later (ca. 1830) ontwikkelde hij ook een handkar die op het spoor gebruikt kan worden. Men noemde zo'n wagentje een draisine naar Von Drais.Mit dem Rad durch zwei Jahrhunderte Eene halve eeuw wielersport, 1917

Hoewel de berijder van de vélocipède de voeten op de grond hield, was toch heel wat balanceerkunst nodig. Dit werd vervelend gevonden, en decennialang werden daarom driewielers en vierwielers gebouwd. Ze werden aangedreven op de manier waarop een spinnewiel of scharensliep wordt aangedreven, met een trapplank en een stangenstelsel.

Pas in 1865 ontstond een toestel dat op onze fiets leek. Het was een tweewieler, gebouwd door de Fransman Pierre Michaux en zijn zoon Ernest. Hun vélocipède (snelle voet, van Latijn: velox, snel en pes, voet) had een ijzeren frame en houten wielen met een ijzeren hoepel. Aan de voorwielen waren trappers gemonteerd; deze voorloper van onze fiets kende nog geen kettingaandrijving. De exacte oorsprong van het ontwerp is echter onduidelijk. Mogelijk zijn ook Pierre Lallement en de gebroeders Olivier bij de oorsprong betrokken geweest.Bicycle Design (Hadland & Lessing); MIT Press 2014, hoofdstuk 2

Door het ontbreken van een kettingaandrijving was er ook geen overbrengingsverhouding. De snelheid van de fiets kon alleen maar worden opgevoerd door het wiel waarop de trappers waren gemonteerd steeds groter te maken. Zo ontstond rond 1870 de hoge bi (bi van bicycle, tweewieler), een fiets met een zeer groot voorwiel en een klein achterwiel. Het balanceren op zo'n hoge fiets was niet gemakkelijk en bij obstakels op de weg schoot de berijder over zijn voorwiel. De Hoge Bi die gezien wordt als de start van het Hoge Bi-tijdperk was de Ariel, gebouwd door James Starley in 1871.