Bridge is een kaartspel dat valt onder de noemer denksporten. Het spel vereist concentratie, logisch denken, geheugen, en goede samenwerking tussen partners. Het spel wordt gespeeld met – per tafel – vier personen en 52 speelkaarten. Iedere speler krijgt 13 kaarten. De spelers worden aangeduid met de windrichtingen: Noord, Oost, Zuid, en West. Noord en Zuid spelen samen en vormen een paar; zij spelen tegen Oost en West, die ook samenspelen en een paar zijn. Een paar kan ad hoc gevormd worden, maar veel bridgers hebben vaste partners met wie ze jaren samenspelen. Zo leren ze elkaar begrijpen en vertrouwen; onmisbaar om goed te kunnen bridgen.

Een bridgespel bestaat uit twee delen: het bieden en het spelen. Het bieden lijkt op een veiling bij opbod. Het hoogste bod wordt het contract en bepaalt de kaders voor het spelen: welke kleur troef is, en hoeveel slagen de bieders van het contract beloven te halen. Tijdens het spelen proberen de bieders van het contract dit aantal slagen te halen, en de tegenstanders proberen dit te verhinderen door samen ook zoveel mogelijk slagen te halen. Na 13 slagen resulteert dit in een puntenscore.

thumb|315px|Bridgetafel met biedboxen (biedingen worden gedaan door kaartjes neer te leggen). In het midden ligt het bord met vier vakjes waarin de 13 kaarten voor elke speler worden opgeborgen.

Bridge als sport Bridge is afgeleid van whist, een kaartspel dat ontstaan is in de 17de eeuw, en erg in de mode was bij de Engelse adel van die tijd.

Terwijl bij andere kaartspellen veel variaties bestaan in de spelregels, zijn de spelregels van bridge overal dezelfde. Zoals in iedere grote sport zijn er internationale toernooien, kampioenschappen en topspelers over de hele wereld.

Het spel in het kort De spelregels van bridge zijn relatief eenvoudig. Kort samengevat zijn dit de stappen: Het spel wordt gespeeld door vier spelers, verdeeld in twee paren. De spelers zitten in een kring met de spelers van hetzelfde paar tegenover elkaar. Een volledig kaartspel van 52 kaarten (geen jokers) is verdeeld over de vier spelers, zodat iedere speler 13 kaarten heeft. Elk spelletje bestaat uit twee fasen: eerst het bieden en dan het spelen. Het bieden start bij de gever en gaat met de klok mee. Ieder bod moet hoger zijn dan het vorige. Het bieden eindigt als alle spelers direct passen, of als na een bod driemaal na elkaar gepast wordt. Het hoogste bod heet het (eind)contract. Dit bod bepaalt wat de speelsoort is (dat wil zeggen welke kleur troef is: ♣///♠/zonder troef) en hoeveel slagen gehaald moeten worden door het paar dat het geboden heeft. De speler van dit paar die als eerste de speelsoort heeft geboden wordt 'leider'; zijn partner wordt 'dummy'. Het spelen start met de uitkomst: de speler links van de leider speelt de eerste kaart. Na de uitkomst legt de dummy zijn kaarten open op tafel. De spelers zijn na elkaar aan de beurt met de klok mee. De leider wijst bij iedere slag aan welke kaart de dummy speelt. De dummy beslist dat dus niet zelf; hij mag de leider geen aanwijzingen geven en mag alleen doen wat de leider zegt. Bekennen moet. Als een speler de gevraagde kleur niet heeft, heeft hij vrije keus: hij mag troeven of een andere kleur bijspelen. De hoogste kaart wint de slag en de speler van deze kaart moet voorspelen in de volgende slag. Als alle 13 slagen gespeeld zijn, wordt aan de hand van het aantal slagen dat de leider gemaakt heeft, de puntenscore berekend.

De volledige internationale spelregels zijn wel behoorlijk uitgebreid, maar behandelen met name wat er moet gebeuren bij een onregelmatigheid. Dus als bijvoorbeeld een speler biedt of speelt als hij niet aan de beurt is, een bod doet dat lager is dan het vorige, hij een kaart mist of te veel heeft, enzovoorts.

Het bieden Het doel Via het bieden communiceren de spelers met hun partner over hun verdeling (het aantal kaarten per kleur) en hun kracht (de hoogte van hun kaarten). Uiteindelijk probeert ieder paar het beste contract te bereiken: het contract waarmee ze het hoogste aantal punten denken te halen. In de puntentelling wordt hoog bieden beloond met bonuspunten voor een 'manche' of een 'slem'. Vanwege die bonuspunten is het bieden altijd gericht op het onderzoeken of een manche of slem mogelijk is. Óf op het saboteren van de tegenstanders in die zoektocht, bijvoorbeeld door snel hoog te bieden.

Verder maakt de puntentelling onderscheid tussen de verschillende kleuren. Zo zijn bijvoorbeeld de hoge kleuren, harten en schoppen, meer waard dan de lage kleuren, klaveren en ruiten. In de hoge kleuren hoeven er minder slagen gehaald te worden om de manchebonus te verdienen. Dit maakt dat het bieden veel sterker gericht is op het troef maken van een hoge kleur dan een lage kleur. thumb|315px|Biedbox en speelkaarten

De biedkaarten Bieden wordt gedaan door het leggen van een biedkaartje uit de 'biedbox' of 'bidding box': een bak met biedkaartjes zoals op de foto hiernaast. Vroeger bood men mondeling, maar dit gaf veel ruimte voor ongeoorloofde informatie. Bovendien moet je dan alle biedingen onthouden. De biedbox is inmiddels de standaard, zelfs bij de gezelligheidsverenigingen.

Een bod bestaat uit een getal (minimaal 1 en maximaal 7) en een speelsoort. De speelsoort is een van de vier kleuren (♣///♠) of sans atout (zonder troef). Het getal betekent het aantal slagen boven 6 slagen die gehaald moeten worden als het bod het contract wordt. Een bod geeft dus minimaal 7 (1+6) en maximaal alle 13 (7+6) slagen aan.

De volgorde van de speelsoorten is reglementair vastgelegd en is, van laag naar hoog: klaveren (♣) ruiten () harten () schoppen (♠) sans atout (SA of NT), in spreektaal ook wel afgekort tot 'sans'. (NT staat voor 'no trump' en kom je in Nederland alleen in geschrift tegen.)

Naast een bod doen (het bieden van een speelsoort) is het ook mogelijk om te passen (P), doubleren (X) of redoubleren (XX). Passen betekent meestal niets. Het doublet en het redoublet zijn speciale biedingen die de punteninzet verhogen (ongeveer verdubbelen resp. verviervoudigen). Een doublet kan alleen gedaan worden op een bod van de tegenpartij en betekent traditioneel: "Ik denk niet dat de tegenstanders halen wat zij geboden hebben." Een redoublet kan alleen gedaan worden op een doublet van de tegenpartij en betekent traditioneel: "Ik denk dat wij wel halen wat wij geboden hebben, ook al denkt de tegenpartij van niet." Een redoublet komt zelden voor.

Elk doublet of redoublet wordt weer opgeheven door een nieuw bod. Het blijft dus alleen staan als er direct na het (re)doublet drie keer opeenvolgend gepast wordt.

Het biedverloop Startend bij de gever moet iedere speler op zijn beurt een bieding doen. Een bieding is een bod (een speelsoort bieden), een pas of een (re)doublet. Als een speler een bod doet, moet dat hoger zijn dan het vorige bod. Hoger wil zeggen of een hoger aantal (bijvoorbeeld 2♣ is hoger dan 1SA), of hetzelfde aantal met een hogere speelsoort (bijvoorbeeld 1♠ is hoger dan 1). Het laagste bod is dus 1♣ en het hoogste bod is 7SA. Behalve het bovenstaande, en de regels voor (re)doubleren, zijn er geen restricties aan wat je mag bieden. Je mag dus bijvoorbeeld gewoon passen en een biedronde later een bod doen, of iedere ronde een bod doen, of alleen maar passen, of doubleren en later weer bieden, etc. etc. etc. Het bieden is afgelopen als er drie spelers na elkaar passen. De enige uitzondering hierop is de eerste biedronde: als het bieden begint met drie keer pas, komt de vierde speler wel gewoon aan de beurt. Past die ook – begint het spel dus met vier keer pas – dan heet dat een 'rondpas' en is er geen speelronde. Het hoogste bod wordt het contract van het spel. Het paar dat dit contract heeft geboden (leider en dummy) zal proberen minstens zes slagen te maken plus het genoemde aantal. Is er bijvoorbeeld 4♠ geboden, dan moeten er dus tien slagen worden gemaakt met schoppen als troef. De tegenstanders ('verdedigers') zullen proberen dit te verhinderen door zelf zo veel mogelijk slagen te maken.

De betekenis van biedingen

De spelregels geven geen enkele beperking aan de betekenis van een bieding. Een bridgepaar mag hierover dus in beginsel alles afspreken wat ze wil! De meeste paren spelen echter een standaard biedsysteem aangevuld met extra afspraken, zogenoemde biedconventies. Verder kan een club of wedstrijdorganisatie bepalen dat bepaalde afspraken niet toegestaan zijn, zoals de hoogst ongebruikelijke methoden.

Het spelen thumb|272x272px|Een bridgespel tijdens het uitspelen, gezien vanuit het zichtpunt van de leider. Zijn linkertegenstander is uitgekomen met harten zeven, en de dummy ligt open op tafel. Na het bieden wordt het spel gespeeld. Het paar dat 'afspeelt' (of 'speelt') is het paar dat het contract geboden heeft en het gaat proberen te maken. Het andere paar gaat 'tegenspelen' en probeert dit te beletten door zelf zo veel mogelijk slagen te halen.

Degene van het spelende paar die als eerste de speelsoort van het contract geboden heeft, heet de leider. De tegenstander links van de leider komt uit voor de eerste slag. Vervolgens wordt de dummy opengelegd en met de klok mee door iedere speler een kaart gespeeld. In iedere slag moet bekend worden, dus de bij de uitkomst gevraagde kleur moet gespeeld worden. Als een speler die kleur niet meer heeft, mag hij troeven of overtroeven, maar dat is niet verplicht. De slag wordt gewonnen door de speler die de hoogste kaart van de gevraagde kleur heeft gespeeld, tenzij er is getroefd: in dat geval wint de hoogste troef. De volgorde van de kaarten van hoog naar laag is AHVBT98765432 (T staat voor de 10). Alle spelers nemen hun eigen kaart terug en leggen die dicht voor zich neer: verticaal als hun paar de slag won, en horizontaal als hun paar de slag verloor. De speler die de vorige slag gewonnen heeft, moet nu 'voorspelen' (de eerste kaart leggen) in volgende slag. Dit gaat zo door totdat alle 13 slagen gespeeld zijn. Dan wordt gezamenlijk bepaald wat het eindresultaat is en wordt dit genoteerd of ingevoerd in de bridgemate.

Slagen dichtleggen In slagenspelen worden de kaarten doorgaans verzameld door de winnaar van de slag. Bij bridge is het tegenwoordig gebruikelijk dat iedere speler zijn kaarten bij zich houdt. Hij legt ze dicht voor zich neer: verticaal als zijn paar de slag won, en horizontaal als zijn paar de slag verloor. Alle slagen worden op die manier neergelegd, in een rijtje van links naar rechts, half op elkaar gestapeld.

Dit heeft veel voordelen. Door de richting van neerleggen kan men aan het eind van het spel zien hoeveel slagen elke partij gehaald heeft. Op basis van de volgorde kan ook het hele spelverloop gereconstrueerd worden, wat heel belangrijk is bij bijvoorbeeld vermoeden van een overtreding. Ten slotte, en dat is bij wedstrijden essentieel, is het mogelijk dat daarna aan een andere tafel door andere spelers met dezelfde kaartverdeling wordt gespeeld, wat nodig is om de prestaties te vergelijken.

De dummy Bijzonder bij bridge is dat de leider bepaalt welke kaarten zijn partner speelt. Na de uitkomst, dus als de linker tegenstander van de leider gespeeld heeft in de eerste slag, legt de partner van de leider (de dummy) al zijn kaarten op tafel, zodat ze voor alle spelers goed zichtbaar zijn. De leider speelt zowel de kaarten van zijn eigen hand als de kaarten van de dummy. De dummy is gedurende het spelen dus niet actief bij het spel betrokken; hij mag enkel de kaarten hanteren op instructie van de leider.

Scores en wedstrijdvormen Scores in bridge: algemeen thumb|Spellenkoffer met spellen voor een B-lijn Op de standaard bridgeclub, en natuurlijk bij toernooien, speelt men wedstrijdbridge (in Nederland gewoon 'bridge' genoemd). Hierbij spelen meerdere tafels dezelfde spellen. De meeste clubs spelen in lijnen van 6 tot 8 tafels, met 24 spellen per zitting. De puntenscores van ieder spel worden onderling vergeleken.