Plateosaurus is een geslacht van uitgestorven plantenetende dinosauriërs dat behoorde tot de groep van de Sauropodomorpha en leefde in het Laat-Trias (Norien-Rhaetien).
Vondst en naamgeving Ontdekking In september 1834 berichtte de scheikundige professor Johann Friedrich Philipp Engelhardt uit Neurenberg aan de 12. Versammlung Deutscher Naturforscher und naturforschender Ärtze te Stuttgart dat hij dat jaar uit een leemgroeve de beenderen verworven had van een reusachtige sauriër. Het is niet helemaal zeker waar de vindplaats lag. Meestal wordt die aangegeven als Buchenbühl op de Haidberg bij Heroldsberg maar ook groeven bij Güntersbühl, Nuschelberg of Altdorf bei Nürnberg zijn gesuggereerd. Het is ook mogelijk dat de botten uit verschillende locaties afkomstig waren. Engelhardt besloot zijn hele verzameling aan zulke vondsten te verzenden naar een expert, Christian Erich Hermann von Meyer, die toen al een grote reputatie als paleontoloog had opgebouwd. Hoewel het begrip 'dinosauriër' nog niet bestond, begreep von Meyer meteen dat de vorm verwant moest zijn aan de in Engeland gevonden Iguanodon en Megalosaurus. Hij had voor zulke grote landreptielen al in 1830 een aparte indeling bedacht, die hij in 1845 de naam Pachypoda zou geven die het echter in de wetenschapsgeschiedenis af zou leggen tegen de door Richard Owen in 1842 benoemde Dinosauria.
Benoeming van Plateosaurus engelhardti left|thumb|Hermann von Meyer benoemde Plateosaurus Op 4 april 1837 benoemde von Meyer de typesoort Plateosaurus engelhardti. Het was de eerste Duitse Mesozoïsche dinosauriër die een naam kreeg. De soortnaam werd door von Meyer niet nader toegelicht. De soortaanduiding — die soms incorrect als engelharti is geschreven omdat Engelhardt ook wel Engelhart werd genoemd — is eenvoudig te begrijpen: zij eert de ontdekker. De geslachtsnaam echter zou tot het begin van de eenentwintigste eeuw nog een twistpunt blijven. In 1844 gaf Louis Agassiz in de Nomenclator Zoologicus als eerste een etymologie: von Meyer zou het woord gevormd hebben door een combinatie met het Klassiek Griekse πλάτη, platè, 'plat vlak', 'roeispaan'. De Duitse geoloog Hanns Bruno Geinitz gaf in 1846 een afwijkende duiding: de naam zou afgeleid zijn van het Griekse πλατύς, platys, in de betekenis van 'breed', 'krachtig'; overigens is πλάτη een zelfstandig naamwoord dat van πλατύς is afgeleid. Dat lijkt een redelijke verklaring want Plateosaurus was duidelijk een breed en forsgebouwd dier. Agassiz, kennelijk vermoedend dat von Meyer per abuis de naam fout uit platys gevormd had, emendeerde de naam in 1846 tot Platysaurus. Naar huidige normen is zo'n correctie echter niet toegestaan en is Platysaurus een jonger synoniem van het eerder benoemde, wel geldige Plateosaurus. Veel boeken volgden echter Agassiz in zijn oorspronkelijke interpretatie en gaven de betekenis als 'platte sauriër', soms met uitleg dat dit verwees naar bepaalde platte skeletelementen of de platte tanden — hoewel die in 1834 nog niet gevonden waren. In 2003 meende ook Markus Moser dat de naam niet direct uit platys zou kunnen zijn afgeleid en suggereerde als alternatief πλατεῖα, plateia, 'brede weg'. Al in 1995 had Ben Creisler er echter op gewezen dat een combinatie met platys die Plateosaurus opleverde mogelijk was via het genitief daarvan, plateos. Op die manier kan een correcte etymologie verzoend worden met een plausibele betekenis. Daarnaast heeft Creisler gesteld dat de naam afgeleid zou kunnen zijn van πλάτος, platos, 'breedte', wat de betekenis handhaaft maar beter aansluit bij het feit dat von Meyer andere namen gebaseerd op platys wel als Platy~ vormde.
Latere studies van het typemateriaal van Plateosaurus engelhardti thumb|Een afgietsel van SMNS 13200, het voorgestelde neotype Pas in 1855 werd het materiaal door von Meyer in detail beschreven, zij het slechts die botten die hij opmerkelijk vond. Hoewel Engelhardt al kort na de benoeming, in juni 1837, aan de griep overleden was, werden de botten eerst na von Meyers beschrijving naar de instelling overgebracht aan welke ze vermaakt waren, de Universiteit van Erlangen. In 1898 belandden ze in het Mineralogisch-Geologisch Institut. Op dat moment waren er vijfenveertig beenderen. Tegenwoordig maken de nog voorhanden zijnde resten, ongeveer de helft van het oude totaal, deel uit van de collectie van de Paläontologisch-Geologische Sammlung des Geologischen Institutes der Universität Erlangen-Nürnberg. Een moderne beschrijving ervan publiceerde Peter Malcolm Galton in de jaren tachtig van de twintigste eeuw. In de tussenliggende tijd hadden ze weinig belangstelling gekregen omdat er veel vollediger exemplaren van Plateosaurus gevonden waren. Ze blijven echter van groot belang daar alleen aan de hand van de oorspronkelijke botten kan worden vastgesteld wat nu eigenlijk de identiteit van het dier is. Dat bleek door een volgende beschrijving door Peter Wellnhofer uit 1994 die aantoonde dat Galton verschillende soorten aan Plateosaurus engelhardti gelijkgesteld had op basis van overeenkomsten in schedelbouw, terwijl er maar één schedelfragment in het typemateriaal aanwezig is. Galton zag zich hierdoor gedwongen in een serie vervolgartikelen tussen 1997 en 2000 ook de delen achter de schedel, de postcrania, in groter detail te behandelen. Daarbij baseerde hij zich echter weer op de foto's die hij in de jaren tachtig gemaakt had, zonder het materiaal zelf nog eens in persoon te bekijken. Dat leverde zoveel verwisselingen op dat Moser in 2003 zich geroepen voelde er nog eens een grote studie aan te wijden.
Moser koos in 2003 uit de reeks syntypen, het geheel van botten van het typemateriaal die niet bewijsbaar aan één individu toebehoren — vermoedelijk vertegenwoordigt ieder been zelfs een apart individu, een enkel lectotype waaraan de soortnaam nader verbonden kon worden. Dat dit niet overbodig was, bleek al uit het feit dat Galton bij een van de botten, een tweede middenvoetsbeen, vaststelde dat die tot een theropode behoorde, dus een geheel ander dier. Het lectotype was UEN 552, een heiligbeen van drie vergroeide wervels. Het heiligbeen, dat von Meyer reeds was opgevallen omdat het uit drie wervels bestond in plaats van de bij huidige reptielen gebruikelijke twee, werd geselecteerd omdat het meer onderscheidend was dan andere elementen. Ook Moser vond een fout geïdentificeerd bot: UEN 549 dat zich als een stuk schildpadschild openbaarde. De andere als Plateosaurus te identificeren botten maakte Moser tot aanvullende paralectotypen: UEN 557a, b, 561, en 562: een groep van drie ruggenwervels; UEN 550 en 558: twee staartwervels; UEN 563a-c: stukken van een rib; UEN 551: een chevron; UEN 554 en 555: samen de onderkant van een linkerdijbeen; UEN 559: de kop van een linkerdijbeen; en UEN 556: een linkerscheenbeen. In 2012 achtte Galton deze beenderen weer niet onderscheidend genoeg. Hij richtte een petitie aan de International Commission on Zoological Nomenclature om het veel vollediger skelet SMNS 13200 als vervangend neotype voor Plateosaurus engelhardti aan te wijzen met de naam Plateosaurus trossingensis, wat in 2019 goedgekeurd werd.
De aardlagen waar de oorspronkelijke vondsten gedaan werden zijn die van de oberste Mittelkeuper, en bestaan in dit geval uit een conglomeraat, de knollenmergel of Feuerletten uit de Trossingenformatie die stamt uit het Triadische bovenste Norien. Ze zijn 208 tot 207 miljoen jaar oud.
Verdere vondsten van Plateosaurus trossingensis thumb|De vondstlocaties Het zou niet bij de vondsten door Engelhardt blijven. Ruim vijftig vindplaatsen zouden ontdekt worden in een gordel die zich van Frankrijk via Zwitserland door Zwaben naar het noordoosten van Duitsland uitstrekt. Dit is wel gezien als de achtergrond van de bijnaam Schwäbischer Lindwurm maar een lintworm was in de middeleeuwen een draak. Er zijn van geen enkele andere Mesozoïsche dinosauriër in Duitsland zoveel fossielen ontdekt en van geen enkele andere Triadische dinosauriër zoveel fossielen in heel Europa. Meestal werden die niet meteen als resten van Plateosaurus engelhardti onderkend doch benoemd als verschillende plateosaurussoorten of zelfs toegewezen aan heel andere geslachten. De vondsten tot 2017 vertegenwoordigen zeker tweehonderd individuen.
Vroege ontdekkingen In 1844 ontdekte de sigarenfabrikant Gottlieb Albert Reiniger op een aan zijn schoonouders toebehorend perceel te Degerloch een skelet zonder schedel. Hij vroeg de natuurkundeleraar Theodor Plieninger uit Stuttgart het te beschrijven. Dat deed deze in 1857, het fossiel aan Belodon toewijzend. Dat was echter een lid van de Phytosauria en de foute determinering zou tot een eindeloze verwarring leiden doordat ook verdere losse botten zo geclassificeerd zouden worden. Het skelet is een van de grootste bekende plateosaurusexemplaren waarvan de lengte op tien meter geschat is. In zijn eerste publicatie uit 1905 over dit onderwerp zou Friedrich von Huene dit exemplaar benoemen als een Plateosaurus reiningeri.
In 1856 werden botten gevonden bij Tübingen. In 1867 werden die door Friedrich August Quenstedt beschreven en toegewezen aan Zanclodon. Ook dat was echter geen eenduidige sauropodomorf maar gebaseerd op een in 1847 door Plieninger benoemd stuk onderkaak van onbestemde herkomst: de typesoort is Smilodon laevis, in 1847 hernoemd tot een Zanclodon laevis. De verwarring werd zo verder vergroot, hoewel Othniel Charles Marsh in 1895 veel van het materiaal bij Plateosaurus onderbracht. Het was Quenstedt die de botten uit 1856 in 1858 de Schwäbischer Lindwurm noemde. In de eerste publicatie uit 1905 maakte Von Huene hier een Plateosaurus quenstedti voor. Gedurende de negentiende eeuw zouden in Württemberg nog verschillende kleinere vondsten gedaan worden, op de Erlenberg en bij Balingen, Biesingen, Langenberg en Wüstenrot. De vondst bij Erlingen, specimen SMNS 6014 bestaande uit een gedeeltelijk skelet met schedel, werd in 1905 door von Huene in een opvolgende publicatie benoemd als Plateosaurus erlenbergiensis. In hetzelfde artikel, Über die Trias-Dinosaurier Europas, maakte Von Huene de verwarring nog groter door een specimen in 1864 gevonden bij Jächklinge, ook bij Tübingen, te benoemen als een nieuw geslacht en soort, Pachysaurus magnus. De geslachtsnaam betekent 'de zware sauriër', de soortaanduiding 'de grote'. Tanden gevonden bij Schlösslesmühle benoemde Von Huene als de soort Plateosaurus ornatus. Ze behoren tot een of ander lid van de Archosauriformes.