thumb|480px|Kaart van Europa in 1708. De vroegmoderne tijdTraditioneel worden namen van historische perioden in het Nederlands met hoofdletters geschreven, maar daar wordt ook vaak van afgeweken. In de spelling volgens de Nederlandse Taalunie, die verplicht is voor overheidsdocumenten, is het sinds 2005 vroegmoderne tijd (met kleine letters), maar is de spelling met hoofdletters nog toegestaan in gespecialiseerde teksten. Evenzo voor nieuwe tijd versus Nieuwe Tijd. – ook wel nieuwe tijdIn de nieuwe eindtermen van het Vlaams onderwijs van 2019 wordt de benaming 'nieuwe tijd' vervangen door 'vroegmoderne tijd' – is een periode van enkele eeuwen in de geschiedenis van Europa, volgend op de middeleeuwen. Volgens de gangbare periodisering beslaat de vroegmoderne tijd de periode van eind vijftiende tot einde achttiende eeuw,Nederlandse universiteiten hanteren ofwel het eind van de achttiende eeuw, ofwel 1789 als begin van de moderne tijd. en wordt ze gevolgd door de moderne tijd. De naam nieuwe tijd wordt ook wel gebruikt voor de vroegmoderne en moderne tijd samen.

Belangrijke elementen in de overgang van middeleeuwen naar vroegmoderne tijd, waren het onder invloed van het humanisme veranderende mensbeeld, en de ontwikkeling van de boekdrukkunst door Johannes Gutenberg. Historisch en politiek markante cesuren waren de val van Constantinopel in 1453, de ontdekking van Amerika door Christoffel Columbus in 1492, het einde van de reconquista in hetzelfde jaar en het begin van de reformatie in 1517.

Het was ook het tijdperk waarin de Europese kolonisatie begon en de protestantse Reformatie plaatsvond, die de Europese godsdienstoorlogen tot gevolg had. In de meeste Europese staten won het centraal gezag aan betekenis; enkele landen ontwikkelden zich tot nationale staten. Ten gevolge van de ontdekking van Amerika ontwikkelden de economieën rond de kusten van de Atlantische oceaan zich in een snel tempo. Het economisch en politiek belang van Europa nam in die periode sterk toe, terwijl andere beschavingen in hun voortbestaan bedreigd werden. Een uitzondering daarop was het Chinese keizerrijk, dat onder de Ming- en de Qing-dynastie een bloeiperiode doormaakte.

Tijdens de vroegmoderne tijd begonnen twee maatschappelijke 'revoluties'. Van groot belang was de wetenschappelijke revolutie. De industriële revolutie in Engeland was "zonder enige twijfel een van de belangrijkste cesuren in de wereldgeschiedenis". (2001): Via Peking terug naar Manchester : Engeland, de Industriële Revolutie en China , Katholieke Universiteit Nijmegen, Nijmegen, p.40. Deze begon in de tweede helft van de achttiende eeuw.

Periodisering Volgens de traditionele indeling wordt de Europese geschiedenis in drie perioden onderverdeeld: Grieks-Romeinse oudheid, middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Volgens deze afspraak vormen de vroegmoderne en de Moderne Tijd samen de 'Nieuwe Tijd'. Afhankelijk van de wijze van periodisering duurt de Nieuwe Tijd tot vandaag de dag, of wordt hij opgevolgd door de Moderne Tijd, die soms 'Nieuwste Tijd' genoemd wordt.

Er is onder historici geen overeenstemming over begin- en eindpunt van de vroegmoderne tijd. De renaissance – vanaf de veertiende en vooral vijftiende eeuw, maar doorlopend tot diep in de zestiende – kan beschouwd worden als een overgangsperiode van middeleeuwen naar Nieuwe Tijd.

De meeste historici laten de vroegmoderne tijd kort voor 1500 beginnen. Jaartallen die dikwijls als beginpunt worden genomen zijn 1453, het jaar waarin de Ottomanen Istanboel (Constantinopel) veroverden, 1492, het jaar van de ontdekking van Amerika door Columbus, en 1517, toen Luther zijn stellingen publiceerde en daarmee de reformatie inluidde. Ook van belang in deze overgangsperiode waren de Italiaanse Oorlogen (1494-1559), waardoor de machtsverhoudingen in de internationale politiek veranderden: samen met andere ontwikkelingen leidden ze tot de opkomst van de Habsburgers.

Ten gevolge van de ontdekkingsreizen werd de hele wereld in deze periode voor het eerst in kaart gebracht. Als gevolg hiervan en vooral door nieuwe contacten tussen de continenten is het begrip 'Nieuwe Tijd' ook zinvol bij de beschrijving van de geschiedenis van niet-Europese volkeren en culturen. Men laat gewoonlijk de Nieuwe Tijd in een gebied beginnen als de eerste Europeanen er arriveren. Vooral bij de geschiedenis van het Amerikaanse continent staat deze periode ook wel bekend als de koloniale tijd, terwijl de geschiedenis ervóór precolumbiaans heet.

Lange tijd lieten historici de Moderne Tijd, die dus òf beschouwd wordt als een daaropvolgende periode, òf als een onderdeel van de Nieuwe Tijd, beginnen rond 1800, kort na het uitbreken van de Franse Revolutie (1789), of in 1815, het jaar van het Wener Congres. Het is echter gebruikelijk om een groot deel van de negentiende eeuw nog als vroegmodern te beschouwen, omdat de industrialisatie in Europa als een wezenlijk kenmerk van de Moderne Tijd wordt opgevat en pas geleidelijk vanuit Groot-Brittannië en België in andere delen van Europa doordrong. De term 'vroegmodern' heeft dan ook vooral betrekking op de westerse wereld en op Europa in het bijzonder, evenals 'middeleeuwen' en 'renaissance'.

Het einde van de Middeleeuwen thumb|480px|Jeroen Bosch: "De verzoeking van de Heilige Antonius" (detail), Museu Nacional de Arte Antiga, Lissabon. Beeld van een maatschappij in crisis.

De vroegmoderne tijd werd ingeleid door een reeks van crises die de middeleeuwse maatschappij op haar grondvesten deed schudden. Vooral de veertiende eeuw was een periode van crisis. Europa werd getroffen door verschillende rampen: de hongersnood van 1315-1317, boerenopstanden en de Zwarte Dood van 1347 tot 1351. Deze pestepidemie was vermoedelijk de ergste ramp die Europa ooit getroffen heeft. Hoewel het uiteraard onmogelijk is om het aantal slachtoffers te bepalen, zijn de meeste historici van mening dat binnen enkele jaren meer dan een derde van de bevolking omkwam ten gevolge van besmetting met de pestbacterie, Yersinia pestis. Hele dorpen raakten ontvolkt, hoewel de pest dikwijls nog meer slachtoffers maakte in de overbevolkte steden. Plaatselijk bleef het koren op de velden staan, omdat er geen overlevenden waren om de oogst binnen te halen. Handel en transport raakten ontwricht; het hele economische leven werd ernstig verstoord. Lonen en prijzen ondergingen sterke fluctuaties met een grillig verloop; plaatselijk bereikten ze extreme waarden. Door de massale sterfte werden arbeidskrachten schaars en duur; tezelfdertijd zagen door de dood van werkgevers vele armen zich gedwongen landloper of bedelaar te worden. Overheden streefden loon- en prijsbeheersing na. Traditionele grootgrondbezitters zagen hun inkomsten slinken. Nadien keerde de pest met enige regelmaat terug, onder andere in 1361-1362, 1369 en 1400-1402. Bij deze nieuwe epidemieën kwam steeds zo’n 10 tot 20 procent van de Europese bevolking om. Ook na 1402 bleef de pest terugkomen en dit duurde tot in de achttiende eeuw. Deze nieuwere epidemieën bleven meestal wel beperkt tot bepaalde regio’s en maakten daardoor minder slachtoffers. Behalve de pest waren er nog enkele andere epidemische ziektes die veelal een dodelijke afloop hadden. Berucht waren buiktyfus, difterie, dysenterie, malaria en influenza.

In de dertiende eeuw hadden de Kerk en het pausdom het hoogtepunt van hun macht bereikt. De Kerk was een gecentraliseerd politiek instituut geworden; zij leek in de ogen van velen vooral de belangen van de clerus te behartigen en haar eigenlijke taak, de zielzorg, te verwaarlozen. De koningen van de hoge middeleeuwen hadden geprobeerd een centraal gezag te vestigen en waren daar tot op zekere hoogte in geslaagd. De overheid was een groter aantal taken gaan vervullen. Dat kostte geld; de inkomsten uit de eigen domeinen van een vorst waren niet langer toereikend. Veel koningen introduceerden daarom nieuwe belastingen en streefden ernaar ook de adel en de steden te laten meebetalen. Rond 1300 probeerden de koningen van Frankrijk en Engeland, Filips de Schone en Edward I, ook aan de geestelijkheid, die veel land bezat maar in de regel geen belasting betaalde, belastingen op te leggen. Hierdoor kwamen zij in conflict met paus Bonifatius VIII. Bonifatius VIII verbood iedere belasting van de clerus. In 1302 vaardigde hij de pauselijke bul Unam Sanctam uit, vermoedelijk de meest extreme van alle pauselijke bullen, waarin de paus het hoogste gezag in kerkelijke en wereldlijke zaken opeiste. Het deed de zaak van de paus geen goed, want Franse soldaten probeerden hem te ontvoeren. Dat mislukte, maar Bonifatius overleed korte tijd later. Onder druk van Frankrijk werd daarop een Fransgezinde paus gekozen, die zich te Avignon vestigde. Hoewel deze stad destijds niet in Frankrijk lag, – de Rhône was een Franse grensrivier – stonden de pausen tijdens de hiernavolgende, zogenaamde ‘Babylonische ballingschap’ (1309-1377) sterk onder Franse invloed. Gezag en aanzien van pausdom en Kerk kregen hierdoor een gevoelige klap.

Oorlog en conflict In West-Europa werd de politiek gedurende de veertiende en vijftiende eeuw gedomineerd door een langdurig conflict tussen Engeland en Frankrijk. In 1337 begon de Honderdjarige Oorlog tussen die twee landen. Bijna alle oorlogshandelingen vonden op Frans grondgebied plaats. De oorlog had ook trekken van een Franse burgeroorlog. Het Engelse koningshuis stamde af van Franse adel; Frans was de dominante taal aan het Engelse hof. Eduard III en zijn nakomelingen waren verwant aan de Franse Valois. Als hertog van Guyenne regeerden zij over uitgestrekte lenen in het zuidwesten van Frankrijk. Grote delen van Frankrijk werden verwoest. De Engelsen wonnen bijna alle grote veldslagen; mede door hun longbow slaagde hun leger van professionele soldaten er keer op keer in de Franse ridderlegers te verslaan. De Engelse koningen deden een serieuze poging om heel Frankrijk te veroveren. Dankzij het heldhaftige optreden van Jeanne d'Arc keerde het tij uiteindelijk ten gunste van Frankrijk. Wel werd Jeanne zelf gevangen genomen door de Bourgondische bondgenoten van de Engelsen; in 1431 werd zij verbrand vanwege ketterij en het dragen van mannenkleren. Zowel in Frankrijk als in Engeland werd een periode van nederlagen op het slagveld gevolgd door een gezagscrisis van de monarchie. Aan het eind van de oorlog (1453) bleef Calais als enige Franse stad Engels bezit. Een eeuw later zou ook die verloren gaan. De Honderdjarige Oorlog heeft in hoge mate bijgedragen aan het ontstaan van een Frans en een Engels nationaal bewustzijn. Op termijn kwam de Franse monarchie versterkt uit het conflict tevoorschijn. Een nieuwe speler op het politieke toneel was het Bourgondische rijk, dat ontstond in het grensgebied tussen Frankrijk en het Duitse rijk.

Terwijl gedurende de hoge middeleeuwen het centraal gezag in de meeste Europese landen was versterkt, zette zich gedurende de late middeleeuwen een tegengestelde ontwikkeling in. In economisch en demografisch opzicht verliep de vijftiende eeuw gunstiger dan de veertiende; de politieke onrust en ordeloosheid namen echter in de meeste landen verder toe. De meeste vorsten verkeerden in voortdurende geldnood. Om belasting te heffen moesten zij onderhandelen met de standenvergadering – vaak parlement genoemd – en aan de eisen van geestelijkheid, adel en burgerij tegemoetkomen. In de veertiende eeuw hadden opstandige baronnen in Engeland tweemaal de afzetting van hun koning bewerkstelligd, met instemming van het Parlement van Engeland. In 1327 werd Edward II afgezet, in 1399 Richard II. Een dergelijke gebeurtenis was zonder precedent in de Engelse geschiedenis. Na de afzetting van koning Richard vormden zich adellijke facties die elkaar met geweld bestreden. De aristocratie vormde haar eigen legers en gebruikte die om rechters, jury's en zelfs het Parlement te intimideren. Het conflict binnen de aristocratie bereikte zijn hoogtepunt gedurende de Rozenoorlogen (1455-1485).