right|228px|Dood hout Dood hout wordt in het bijzonder in de biotoop- en soortenbescherming gebruikt als verzamelbegrip voor afgestorven bomen of delen daarvan. Grofweg onderscheidt men daarin staand dood hout, oftewel nog niet omgevallen afgestorven bomen of hun delen, en liggend dood hout, dat al op de grond ligt. Staand dood hout is zeldzamer. Het biedt meestal een grotere verscheidenheid aan locatiecriteria en is daarmee ecologisch gezien bijzonder waardevol. Het begrip "dood hout" wordt hier in een bredere zin gebruikt; het omvat hier ook enigszins beschadigde, zieke of afstervende bomen, struiken, en delen daarvan.
Voorkomen, ontstaan, en vormen van dood hout In oerwouden ontstaan voortdurend grote hoeveelheden dood hout doordat bomen sterven als gevolg van ouderdom; natuurlijke verstoringen (bosbranden, windstoten, blikseminslag, lawines, modderstromen); massaal optredende insecten; en andere omgevingsfactoren (variaties in de grondwaterstand en dergelijke) (zie: mozaïekcyclusconcept en successie). In oerbossen en in productiebossen ontstaan kleine hoeveelheden dood hout met name door de concurrentiestrijd tussen de jonge aanwas. Dit leidt tot het afsterven van concurrentie-zwakke bomen en het afsterven van takken die door de concurrentiestrijd om de hoogte niet hoog genoeg meer liggen om zonlicht te ontvangen. Afhankelijk van de samenstelling van het bos ligt het aandeel dood hout in de gezamenlijke houtbiomassa in een Midden-Europees oerbos tussen de 10 en 30 procent, terwijl dit aandeel in een productiebos verwaarloosbaar is. In Nederland werden dode bomen vroeger snel verwijderd, maar de laatste tijd laat men deze meer staan om een grotere ecodiversiteit te bevorderen. Grofweg bestaat van de Nederlandse bossen zo'n 3% uit dood hout.
thumb|Dood hout in het markische zand te Brandenburgthumb|Zeldzaam, daarom waardevol: staande stervende eikthumb|Liggend dood houtthumb|Wegrottende den met een op de stam groeiende zaailingthumb|Moeder- en larfgangen van de letterzetters (Ips typographus)
Dood hout als leefruimte Dood hout wordt verorberd door velerlei organismen die zich in de loop der evolutie aan deze leefruimte aangepast hebben. Afhankelijk van de houtsoort en de stand van het vervalproces zijn ongeveer 600 soorten paddenstoelen en rond de 1350 keversoorten betrokken bij het volledig remineraliseren van het houtlichaam. Tussen paddenstoelen en insecten bestaan verschillende afhankelijkheidsrelaties. Insecten dragen paddenstoelsporen mee naar de houtoverschotten, terwijl de paddenstoelen voedingsbron en leefruimte voor de insecten kunnen zijn. Veel organismen die gebonden zijn aan dood hout zijn in staat zich over grotere afstanden te verplaatsen.
Dit leidt ertoe dat ieder dood-houttype (liggend of staand, stam- of kroonhout) met zijn eigen flora en fauna verbonden is. Er ontstaan leefgemeenschappen in de schors; in het hout; in de humus; in boomholten; en in bijzondere structuren zoals sapstromen, mierennesten en brandplekken.
Veel op dood hout aangewezen dieren en planten staan op de rode lijst van met uitsterven bedreigde soorten. Deze soorten zijn in hoge mate afhankelijk van bepaalde verval- en afbraakfasen van hout. Paddenstoelen, biezen, mossen, varens en vele insectensoorten zoals mieren, vliesvleugeligen, vlinders vinden hier hun woongebieden. Het grootste deel van onze duizend wespen- en bijensoorten zijn op oud en dood hout aangewezen.
Selectie van kevers in dood hout De betekenis van dood hout voor de soortenbescherming is bijzonder goed bij de kevers te staven. In Duitsland leven bijvoorbeeld 25% van de keversoorten in hout in verschillende vervalstadia. De groep xylobiontkevers (in hout levende kevers) maakt hier een zeer hoog aandeel van de bedreigde diersoorten uit. Veel van deze soorten hebben zich op bijzondere wijze aan hun leefomgeving aangepast. Specialisaties zijn er onder andere met betrekking tot de boomsoort; de begunstigde structuur (korst, bast of kernhout); houtvolume; decompositiegraad; lichtblootstelling; vochtigheid; alsook de vraat door paddenstoelen en insecten.
Zo heeft het vliegend hert overwegend een voorkeur voor loofhout. De larven leven in rottende wortels van eiken, iepen en fruitbomen, en maar zelden in die van naaldhout. Ook een groot deel van de boktorsoorten zoals de eikenboktor en de grote timmerman (Ergates faber) zijn van loofhout afhankelijk. Larven van vuurkevers worden gevonden onder de schors van gedroogd dood hout, waar ze jagen op schorskeverlarven. In zacht hout zoals de wilg leven onder andere de larven van de muskusboktor (Aromia moschata).
In naaldhout zijn verschillende prachtkevers (Buprestidae) en geplooide schorskeverlarven (Rhysodidae) te vinden. De huisboktor heeft in gedroogd naaldhout zijn natuurlijke biotoop; de larven van Tetropium castaneum prefereert het cambium van sparren en dennenbomen, en verpopt zich later binnenin de stam.
Veel kevertaxa zijn anderzijds ook minder leefruimteafhankelijk. Bijvoorbeeld de heipaalkever en zijn larven zijn naast in dood hout op de grond ook in drijfafval en verhoutte delen van kruidplanten te vinden. De larven van de neushoornkever ontwikkelen zich ook in houtafval. Men vindt ze in Noordwest-Europa vooral in composthopen. Op dezelfde manier bevinden zich op hout en andere substraten bonte kevers. Van de familie der kortschildkevers heeft vooral de Larthridius lardarius een voorkeur voor beschimmeld hout; hij voedt zich uit de schimmels. Voor een groep kevers is dood hout ook een winterverblijf, bijvoorbeeld voor veel lieveheersbeestjes.
Selectie van overige insecten in dood hout Stofluizen voeden zich uit schimmelsporen, spora, korstmossen, en groenalgen zijn onder het schors op boomstammen en dood hout te vinden. Onder de tweevleugeligen behoren onder andere de mestmuggen, de rouwmuggen en de knutten tot de soorten waarvan hun larveontwikkeling in beschimmeld dood hout plaatsvindt. Ook de larven van de paddenstoelvlieg leven in dood hout en voeden zich uit boompaddenstoelen. Houtvliegen jagen op larven en wormen. De metselbijen, zoals de rosse metselbij, maken hun broedgangen ook in spleten en verlaten vraatgangen van andere insecten in dood hout. De houtbij legt broedraten aan in gedroogd aan het zonlicht blootgesteld en licht rottend dood hout, en overwintert er. De wespen gebruiken hout voor hun nestbouw en hangen hun bouwwerken ook in droge holle ruimten in bomen. De reuzenhoutwesp (Urocerus gigas), een wesp uit de familie houtwespen (Siricidae), legt de eieren in het hout van omgevallen sparrenbomen, de larven vreten gangen in het hout. Veel andere wilde bijen, hommels en wespen leven in afgestorven houtstammen, meestal in rechtopstaande boomstronken. De rups van de nachtvlinder Esperia sulphurella leeft van dood hout.
Reptielen, vogels en zoogdieren in dood hout thumb|Amerikaanse marter thumb|Ruigpootuil thumb|Honingzwamthumb|Staand dood hout met paddenstoelenthumb|Gladde slangthumb|Bruine kikkerthumb|Levendbarende hagedis
Voor grotere dieren biedt dood hout bijvoorbeeld de mogelijkheid hun nesten en overige bouwwerken aan te leggen, onder andere zijn ze het levensruim voor het voedsel van vogels en andere gewervelde dieren. Insectenlarven in het hout zijn voedsel voor spechten en andere inheemse vogels. Spechten slaan hun broedholen in rottend hout. Als de spechten ze weer verlaten hebben worden deze holten door vele andere dieren als nestplaats gebruikt, bijvoorbeeld door uilen (ruigpootuil, dwerguil, bosuil) en de holenduif, of kleine zoogdieren als de relmuis en de eekhoorn.
Ook boommarters gebruiken de holen. Verlaten spechtholen worden daarnaast door een reeks van vleermuizen zoals de rosse vleermuis, de Bechsteins vleermuis, de grootoorvleermuis, de franjestaart en de watervleermuis (in de buurt van wateren, geulen, ooibossen) als zomer- en winterverblijf gebruikt.
Verscheidene amfibieën en reptielen benutten liggend dood hout als dagschuilplaats of om te overwinteren. Daaronder vallen bijvoorbeeld de gewone pad en de levendbarende hagedis, maar ook de Europese moerasschildpad die dood hout in de buurt van water nodig heeft.
Alle inheemse slangen hebben een voorliefde voor dood hout, dat dan wel op zonnige plaatsen moet liggen. Ze kunnen er perfect hun temperatuur regelen door te zonnen of zich onder het hout te verschuilen afhankelijk van de omgevingstemperatuur. Vooral de gladde slang heeft een grote voorliefde voor dood hout. Als het hout behoorlijk vermolmd is kan de ringslang er ook zijn eieren in afzetten. Het hout biedt ook schuilgelegenheid tegen predatoren als roofvogels.
De levendbarende hagedis kan ook het best worden waargenomen door dode stammetjes op zonnige open plekken goed te onderzoeken. In de vochtige milieus waar deze soort de voorkeur aan geeft biedt het dode hout een uitstekende gelegenheid om snel in de zon op temperatuur te komen.
De hazelworm wordt ook heel vaak in de buurt van dood hout gezien. Ze houden van bodems van houtmolm en er komen veel voedseldieren als wormen en naaktslakken onder het hout voor. Dood vermolmd hout in op het zuiden geëxponeerde bosranden vormt het ideale leefmilieu voor de hazelworm.
Amfibieën als de bruine kikker schuilen op zonnige hellingen vaak bij dood hout, waarschijnlijk vanwege de beschutting en de verhoogde luchtvochtigheid. De vuursalamander kan ook vaak gevonden worden onder dood hout, waar hij ook voorkomt vanwege de beschutting en de grote hoeveelheid regenwormen onder de vochtige stammen. Alle watersalamanders zijn in de landfase ook heel vaak onder stammen of houtstapels te vinden.
Als beheersmaatregel om de stand van reptielen te versterken is het dan ook aan te bevelen om voldoende dood hout, in de vorm van stammen of houtstapels op zonnige gedeelten van het terrein te leggen. Het is ook belangrijk af en toe weer wat toe te voegen, want het hout is door de biologische afbraak in bepaalde fasen voor bepaalde soorten extra van belang. Als alle afbraakfasen in het terrein op niet te grote afstand van elkaar aanwezig zijn geeft dat populaties een grotere stabiliteit.
Paddenstoelen in dood hout Dood hout wordt in de loop van de tijd afgebroken door bacteriën, kevers en paddenstoelen als de tonderzwam, de honingzwam en vele andere houtverterende paddenstoelen. De humus die zo ontstaat, is een voedingsbodem voor ontelbare planten. Dood hout bouwt ook een kiembed op voor vele jonge bomen; de massa en verdeling ervan bepaalt in hoge mate de naar het natuurlijk verval nieuw ontstane bestands- en bosstructuren.
Microklimatische bijzonderheden van dood hout Op de bodem liggend dood hout werkt nivellerend op het microklimaat. Enerzijds draagt de donkere oppervlakte evenals de geringe warmtegeleiding van dood hout er toe bij dat dood hout tegenover de omgeving op bepaalde tijden een verhoogde temperatuur laat zien. Anderzijds kan dood hout door het verhoogde watergehalte de directe omgeving ook voor oververhitting behoeden, doordat verschillen in temperatuur worden afgevlakt. Dit is ook de reden dat in de omgeving van liggend dood hout de bodem minder snel uitdroogt dan op andere plaatsen. Anderzijds is het boven op het hout voor reptielen een ideale plek om te zonnen, omdat de zonnewarmte niet zo snel door het hout weglekt.
Dood hout in limnische en semiterrestrische ecosystemen Niet alleen in houtbiotopen en terrestrische (land) ecosystemen vervult dood hout een belangrijke functie, maar ook in zoetwaterbeïnvloede ecosystemen (limnische ecosystemen) en in semiterrestrische ecosystemen zoals moerassen en broekbossen.
Werking van dood hout in stromend water