Ornithomimus is een geslacht van uitgestorven theropode dinosauriërs, behorend tot de groep van de Maniraptoriformes, dat tijdens het Laat-Krijt leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika.

Het eerste fossiel van Ornithomimus werd in 1889 ontdekt. Het dier kreeg in 1890 van de beroemde professor Marsh zijn naam die 'vogelnabootser' betekent, toen de typesoort Ornithomimus velox benoemd werd. Daarna zouden er nog zeventien andere soorten in het geslacht benoemd worden. De meeste daarvan kregen later een eigen geslachtsnaam of er werd van ontdekt dat het om heel andere dinosauriërs ging. Alleen Ornithomimus sedens is misschien nog een tweede geldige soort. Van Ornithomimus velox zijn maar weinig resten gevonden. De soort O. edmontonicus is van complete skeletten bekend is maar bleek later gelijk te zijn aan de al benoemde Dromiceiomimus brevitertius. Het meeste wat er in boeken over Ornithomimus te lezen valt, gaat in feite om Dromiceiomimus. Van de echte Ornithomimus hebben de wetenschappers maar een heel onvolledig beeld op wat algemene kenmerken na.

Ornithomimus was een tweevoeter met een horizontale romp en staart. Zijn lange nek droeg een kleine langwerpige kop die uitgerust was met een tandeloze snavel. De achterpoten waren erg lang. Ook de voorpoten waren lang met langwerpige handen. Ornithomimus was warmbloedig en had een primitief verenkleed. Ornithomimus velox was een klein dier, tegen de twee meter lang. O. sedens was veel groter en kon een vijf meter lang worden.

Het is niet helemaal zeker wat Ornithomimus at. Vermoedelijk was hij een planteneter die met zijn lange armen takken omlaag trok zodat de scherpe snavel er de meest voedzame delen van kon afbijten. Die werden in hun geheel ingeslikt en door maagstenen vermalen. Ornithomimus was een tijdgenoot van Tyrannosaurus rex en ontsnapte aan deze rover door op zijn lange achterpoten met wel zeventig kilometer per uur weg te rennen. Ornithomimus was een van de laatste dinosauriërs van het Mesozoïcum en stierf uit door de inslag van de grote meteoriet aan het einde van het Krijt.

Vondst en naamgeving Ornithomimus velox thumb|Professor Marsh gaf vijf soorten Ornithomimus hun naam Op 30 juni 1889 groef de amateurpaleontoloog George Lyman Cannon fragmentarische fossielen van een dinosauriër op in de Beaver Creek Valley nabij Denver in Jefferson County in Colorado. De resten stuurde hij naar professor Othniel Charles Marsh. In 1890 benoemde en beschreef Marsh op grond hiervan de typesoort Ornithomimus velox. De geslachtsnaam is afgeleid van het Klassiek Griekse ὄρνις, ornis, 'vogel', en μῖμος, mimos, 'nabootser', een verwijzing naar de vogelachtige bouw. De soortaanduiding velox betekent 'snel' in het Latijn en werd gekozen omdat de soort duidelijk een snelle renner was. left|thumb|De syntypen van Ornithomimus velox Marsh wees geen holotype aan onder de fossielen maar beschreef twee syntypen. Daarvan dacht hij dat ze van twee verschillende individuen afkomstig waren maar latere onderzoekers konden daar geen aanwijzingen voor ontdekken, niet in de botten zelf en ook niet in de correspondentie met Cannon. Het gaat om specimina YPM 542, een onderste linkeronderbeen met voet, en YPM 548, een hand. De resten waren gevonden in een laag van de Denverformatie die dateert uit het late Maastrichtien, ongeveer 66 miljoen jaar oud.

Aan Ornithomimus velox zouden daarna nog wel wat resten toegewezen worden maar de meeste van die toewijzingen worden tegenwoordig als twijfelachtig beschouwd. Uitzondering daarop vormen de in 2002 door Kenneth Carpenter beschreven specimina DMNH 33300, een handklauw, UCM 3539, een kootje, UCM 47633, een achterste staartwervel en USGS D902, een handklauw. De typesoort is daarmee vrij slecht bekend. Deze soort zou echter niet de enige in het geslacht blijven: in het begin werden alle ornithomimiden onder Ornithomimus benoemd. Dat leverde een grote reeks van soorten op, waarvan verscheidene later hernoemd zouden worden tot een eigen geslacht en van andere bleek dat ze aan heel andere dinosauriërs toebehoorden.

Andere soorten en geslachten Marsh had in 1890 nog geen goed beeld met wat voor dieren hij eigenlijk van doen had. Hij besefte niet eens dat het Theropoda betrof en dacht dat het Ornithopoda waren. Wel zag hij de vondst als een verklaring voor het in eerdere jaren opduiken van voetfragmenten uit het Opper-Krijt die hij bij geen enkele bekende soort had kunnen onderbrengen. Tegenwoordig begrijpen we dat het hierbij niet om ornithomimiden ging maar om de overblijfselen van Tyrannosauridae waarvan de achterpoten ook erg langgerekt zijn en een bovenaan toegeknepen, 'arctometarsaal', derde middenvoetsbeen hebben. In Marsh' tijd was die groep nog niet als zodanig onderkend; pas na zijn dood zou Tyrannosaurus beschreven worden. Marsh benoemde in 1890 twee vondsten die zijn medewerker John Bell Hatcher in Montana gedaan had als soorten van Ornithomimus. De eerste was Ornithomimus tenuis, 'de tengere', gebaseerd op specimen USNM 5814 gevonden in 1888, het uiteinde van een derde middenvoetsbeen uit het Laat-Campanien. Vermoedelijk is het afkomstig van een jong van een tyrannosauride, misschien Gorgosaurus of Daspletosaurus. De tweede was Ornithomimus grandis, 'de grote' genaamd omdat het gebaseerd was op een nu verloren gegaan specimen uit het Vroeg-Campanien dat bestond uit een zestig centimeter lang derde middenvoetsbeen. Het gaat om een niet nader te determineren ongeveer acht meter lang lid van de Tyrannosauroidea.

In 1891 vonden Hatcher en A.L. Sullins bij de Alkali Creek in Niobrara County, Wyoming, resten die wel aan een ornithomimide toebehoorden, specimen USNM 4736 bestaande uit een heiligbeen, darmbeenderen, zitbeenderen, een schaambeen en twaalf staartwervels uit het Maastrichtien. Die werden in 1892 door Marsh benoemd als Ornithomimus sedens, 'de zittende' of 'de onbeweeglijke', vermoedelijk vanwege de opvallende vogelachtige vergroeiingen in het bekken. Nu pas begreep Marsh dat het om een theropode ging. In 2001 is aan O. sedens nog een tweede specimen toegewezen: BHI 1266 bestaande uit een zeer volledig skelet met schedel, dat echter nog onbeschreven is. In dezelfde publicatie uit 1892 benoemde Marsh een ander specimen bestaande uit drie kleine middenvoetbeenderen als een vijfde soort: Ornithomimus minutus, 'de piepkleine'. Het holotype, YPM 1049, is later kwijtgeraakt; vermoedelijk gaat het hier om een lid van de Dromaeosauridae of de Alvarezsauridae; in 1972 werd het door Dale Russell hernoemd tot een Dromaeosaurus minutus, in 2000 door George Olshevsky tot een Troodon minutus.

In 1902 benoemde Lawrence Lambe een fossiel in 1901 gevonden in het Campanien van Alberta, Canada, specimen CMN 930, een stel achterpoten, als een zesde soort: Ornithomimus altus, 'de hoge'. In 1916 werd dit echter door Henry Fairfield Osborn hernoemd tot een tweede ornithomimide geslacht: Struthiomimus.

In 1920 hernoemde Charles Whitney Gilmore fragmentarisch materiaal uit het Onder-Krijt van Maryland gevonden door Arthur Bibbins en benoemd als Dryosaurus grandis tot een Ornithomimus affinis. Afgezien van de geldigheid van de hernoeming gaat het niet om ornithomimide materiaal.

In 1926 benoemde William Arthur Parks een Struthiomimus brevetertius en in 1928 een Struthiomimus samueli, de laatste op basis van een door Levi Sternberg bij Steveville gevonden exemplaar. In 1930 werden deze door Loris Russell hernoemd tot een Ornithomimus brevitertius — waarbij de soortaanduiding geëmendeerd werd — en een Ornithomimus samueli. In 1933 benoemde Parks een Struthiomimus currellii en een Struthiomimus ingens, op basis van in 1931 door Sternberg bij Munson Ferry gevonden specimina ROM 851 en ROM 852, welke in 1967 door D.A. Russell werden hernoemd tot een Ornithomimus currellii en een Ornithomimus ingens. In 1933 benoemde Charles Mortram Sternberg de soort Ornithomimus edmontonicus uit het vroege Maastrichtien, later soms overbodig geëmendeerd tot O. edmontonensis. Naar huidige inzichten vallen al deze vijf ornithomimussoorten onder Dromiceiomimus, het aparte geslacht dat D.A. Russell in 1972 voor Struthiomimus brevetertius benoemde.

In 1930 hernoemde Oliver Perry Hay Aublysodon mirandus Leidy 1868, gebaseerd op losse tanden uit het late Campanien, tot een Ornithomimus mirandus. Indertijd werd nog aangenomen dat ornithomimiden tanden hadden. Tegenwoordig wordt het materiaal beschouwd als een nomen dubium, een niet verder te determineren lid van de Tyrannosauridae.

In 1933 benoemde Parks een Ornithomimus elegans op basis van specimen ROM 781, een voet. Tegenwoordig wordt het meestal gezien als materiaal behorend tot Chirostenotes; in 2013 is het echter ook benoemd als een tweede soort van het geslacht Leptorhynchos. In 2020 werd het een eigen geslacht Citipes. Hetzelfde jaar benoemde Gilmore de eerste Aziatische ornithomimide: Ornithomimus asiaticus. In 1972 werd deze door Russell hernoemd tot een eigen geslacht: Archaeornithomimus.

In 1965 hernoemde Oskar Kuhn een Belgische soort die in 1903 door Louis Dollo Megalosaurus lonzeensis gedoopt was, bekend van een klauw, tot een Ornithomimus lonzeensis. Eerder had Friedrich von Huene gemeend dat het een lid van de Ornithomimidae betrof en het informeel aangeduid met 'Ornithomim. gen. Belgium' (1923; [Ornithomimidarum genus Belgium]) en een 'Ornithomimidorum gen. A' (1926). Naar huidige inzichten gaat het vermoedelijk om een voetklauw van een lid van de Abelisauroidea.

In 1865 had Joseph Leidy specimen ANSP 9222, bestaande uit twee veertig centimeter lange scheenbeenderen uit het Campanien-Maastrichtien, benoemd als Coelosaurus antiquus. In 1979 herkenden Donald Baird en Jack Horner de vondst als materiaal van een ornithomimide en hernoemden het tot Ornithomimus antiquus; Coelosaurus bleek al een bezette naam te zijn en had als geslacht dus geen prioriteit. In 1997 stelde Robert Sullivan echter dat Ornithomimus antiquus een synoniem was van O. edmontonicus en O. velox en dus als soort prioriteit had boven beide en zelfs de typesoort was van het geslacht. Het vermeende overeenkomende kenmerk van O. antiquus, de vorm van de crista cnemialis, kan echter wegens de beperktheid van het materiaal niet met O. velox vergeleken worden en bleek achteraf bij een hele reeks van ornithomimiden voor te komen maar nergens precies gelijkvormig.

In 1988 hernoemde Gregory S. Paul Gallimimus bullatus Osmolska, Roniewicz & Barsbold 1972 tot een Ornithomimus bullatus, als tegenwicht tegen de trend om iedere soort een eigen geslacht te geven. Ook in dit geval is hij hierin door niemand gevolgd.

Soortenlijst Het ingewikkelde proces van naamgeving kan samengevat worden in de volgende soortenlijst; niet tot een eigen geslacht hernoemde soorten die niet werkelijk onder Ornithomimus vallen, worden als "non Ornithomimus" aangemerkt:

Ornithomimus velox Marsh 1890: valide typesoort van het geslacht Ornithomimus Ornithomimus grandis Marsh 1890: misschien valide soort, non Ornithomimus, = Deinodon grandis (Marsh 1890) Osborn 1916, = Aublysodon grandis (Marsh 1890) von Huene 1932 Ornithomimus tenuis Marsh 1890: nomen dubium, non Ornithomimus, = Struthiomimus tenuis (Marsh 1890) Osborn 1916, non Struthiomimus Ornithomimus sedens Marsh 1892: valide soort, misschien non Ornithomimus, = Struthiomimus sedens (Marsh 1892) Farlow 2001 Ornithomimus minutus Marsh 1892: misschien valide soort, non Ornithomimus, = Dromaeosaurus minutus (Marsh 1892) Russell 1972, = Troodon minutus (Marsh 1892) Olshevsky 2000, non Troodon Ornithomimus altus Lambe 1902: valide typesoort van het geslacht Struthiomimus, = Struthiomimus altus (Lambe 1902) Osborn 1916 Ornithomimus affinis Gilmore 1920: bezette soortaanduiding, non Ornithomimus, = Dryosaurus grandis Lull 1911, = Coelosaurus affinis (Gilmore 1920) Matthew & Brown 1922, = Archaeornithomimus affinis (Gilmore 1920) Russell 1972, non Archaeornithomimus