thumb|Een arrestant wordt afgevoerd. Hij is geboeid met de zogenaamde Aceh-knoop, 1946.

De Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog (Indonesisch: Revolusi Nasional Indonesia), ook wel de Politionele Acties geheten, was een dekolonisatieoorlog in het voormalige Nederlands-Indië. Deze oorlog begon kort na de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 met de eenzijdige uitroeping, twee dagen later, van de Republiek Indonesië door de Indonesische leiders Soekarno en Hatta. Het duurde tot de Nederlands-Indonesische rondetafelconferentie van 1949 voordat de oorlog formeel werd beëindigd en de onafhankelijkheid van de voormalige kolonie Nederlands-Indië door Nederland werd erkend, gevolgd door de soevereiniteitsoverdracht aan de Verenigde Staten van Indonesië op 27 december 1949. Alleen Westelijk Nieuw-Guinea bleef hiervan uitgezonderd. Daardoor werd met de soevereiniteitsoverdracht slechts ten dele tegemoetgekomen aan de eisen van de Indonesische leiders, die onafhankelijkheid hadden geproclameerd van de hele archipel.

Kort na de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945 braken vijandelijkheden uit tussen Indonesische nationalisten en de geallieerde troepen die strategische posities in de archipel hadden ingenomen. In oktober 1945 ontbrandde de strijd om Surabaya, een stad die de nationalisten na bloedige gevechten moesten prijsgeven.

Bij deze strijd waren nog geen Nederlandse strijdkrachten betrokken. In maart 1946 werden Nederlandse troepen in Indonesië toegelaten en verlieten de geallieerden Indonesië.

Politionele Acties

De Nederlandse regering erkende de Republiek Indonesië niet als onafhankelijke staat, maar beschouwde haar als een opstandige beweging binnen de kolonie Nederlands-Indië, waartegen 'politioneel' moest worden opgetreden.De term 'politionele actie' werd gebruikt op aandringen van Eelco van Kleffens, toendertijd minister. Vanuit die visie wilde de regering niet spreken van een onafhankelijkheidsoorlog, maar van een opstand. Weliswaar had de Indonesische republiek in het Akkoord van Linggajati van 15 november 1946 de soevereiniteit van Nederland over het gebied gedurende een overgangsperiode erkend, maar Nederland had in datzelfde akkoord de Republiek de facto wel erkend. Bovendien had de Republiek zich reeds op 17 augustus 1945 onafhankelijk verklaard, een datum die de Nederlandse regering pas in 2005 als de facto dag van onafhankelijkheid zou erkennen.Isgeschiedenis.nl, Op welke dag werd Indonesië onafhankelijk?, zonder datering, geraadpleegd 7 oktober 2022. Gearchiveerd op 8 oktober 2022.

Lange tijd is in de Nederlandse geschiedschrijving naar deze episode verwezen met de term politionele acties (Indonesisch: Aksi Polisionil). In Nederland heerste het beeld dat er slechts twee, kortdurende politionele acties waren die het Nederlandse koloniale gezag moesten herstellen: in de periode 21 juli tot 5 augustus 1947 (eerste actie, "Operatie Product") en 19 december 1948 tot 5 januari 1949 (tweede actie, "Operatie Kraai"), terwijl alleen al op Bali in 1946 al heel veel geweld had plaatsgevonden. In werkelijkheid was er tussen 1946 tot aan de onafhankelijkheid in december 1949 een militaire herbezetting en oorlog gaande die 52 maanden duurde, waaraan 120 duizend Nederlandse dienstplichtigen deelnamen.

Nederland bleek uiteindelijk een uitzichtloze oorlog te vechten die steeds gewelddadiger werd. Van Indonesische kant werd een harde guerrilla gevoerd. Alle gewapende partijen pasten in deze oorlog vormen van extreem geweld toe. Het hevige geweld in de vroegste fase van de Indonesische revolutie, tegen, onder meer, Indische Nederlanders en Molukkers – in Nederland bekend als de Bersiap – speelde wel een rol in de dynamiek van het geweld, maar was niet de reden voor de militaire herbezetting. Behalve op Java en Sumatra was er ook op onder meer Bali veel weerstand en verzet tegen de federale staatsvorm die Nederland vanaf 1946 wilde invoeren. Het werd gezien als een voortzetting van het koloniale systeem.

De oorlog leidde tot zeer ongelijke aantallen slachtoffers. Op Bali is een gesneuveldenverhouding genoteerd van één Nederlandse militair op 70 Indonesische strijders. Aan Indonesische zijde vielen vermoedelijk meer dan 100.000 doden, zowel strijders als burgers door opstandelingen of door gevechtshandelingen. Het aantal doden in de Nederlandse krijgsmacht bedroeg zo’n 4.585, waarvan ruw geschat een-derde Indonesische manschappen en de helft sneuvelde door gevechtshandelingen (de overigen stierven ten gevolge van ziekten en ongevallen).

Schattingen van het aantal Nederlandse en Nederlands-Indische burgerdoden als gevolg van de Bersiap lopen uiteen van 3.500 tot 30.000. Daarnaast zijn vermoedelijk enkele tienduizenden Indonesiërs om het leven gekomen als gevolg van de door de Communistische Partij van Indonesië (PKI) geïnitieerde Madiun-opstand.

De vijandelijkheden duurden tot het staakt-het-vuren in de nacht van 10 op 11 augustus 1949. Op sommige plaatsen kwam het daarna nog tot gevechten, waardoor ook Nederlandse militairen sneuvelden. Na 1949 flakkerde de strijd (afgezien van de coup van ex-kapitein Westerling in 1950) nog eenmaal op. Dat was tijdens de vijandelijkheden die voorafgingen aan de overdracht van Nederlands-Nieuw-Guinea in 1962.

Koloniaal gezagsherstel De kolonie Nederlands-Indië werd in 1942 bezet door Japan. Op 17 augustus 1945 - twee dagen na de Japanse capitulatie - riepen de nationalistische leiders Soekarno en Hatta de onafhankelijke Republiek Indonesië uit. In de voormalige kolonie landden vervolgens Britse en Australische troepen. Op Java en Sumatra beperkten deze bezettingstroepen zich tot een aantal enclaves rond de grote steden. In de rest van deze twee eilanden had de nieuwe Republiek Indonesië vrij spel.

Nederland erkende de Republiek aanvankelijk niet, maar streefde naar herstel van het oude koloniale gezag. De urgentie hiervan nam toe toen verontrustende berichten kwamen uit Republikeins gebied over massale moordpartijen door revolutionaire strijdorganisaties op Nederlanders, meest Indo-Europeanen, maar ook op Ambonezen en Chinezen. Tijdens deze episode, die bekendstaat als de Bersiap, vielen tienduizenden slachtoffers. De Britten weigerden echter aanvankelijk om Nederlandse troepen op Java en Sumatra toe te laten. Zij vreesden dat de toch al gespannen situatie op de eilanden hierdoor gemakkelijk zou kunnen escaleren. Slechts één bataljon mariniers had kans gezien - in weerwil van het Britse beleid om voorlopig geen Nederlandse troepen toe te laten - al in december 1945 in Batavia te ontschepen. Verder lagen in Batavia, sinds november 1945 circa 1500 man van het KNIL, hoofdzakelijk geformeerd uit ex-krijgsgevangenen.Moor, J.A. de (2011), blz. 175

De Britten die namens de geallieerden de touwtjes in handen hadden, drongen aan op overleg en op een vergelijk met de Republikeinse leiders. Luitenant-gouverneur-generaal H.J. van Mook concludeerde intussen dat er tegen het ontketende revolutionair geweld geen kruid was gewassen. Herstel van het Nederlands gezag was politiek onmogelijk. Eind december 1945 hakte het kabinet-Schermerhorn in Den Haag de knoop door. Het besloot om met de leiders van de Republiek overleg te voeren over toekomstige onafhankelijkheid. Het kabinet stemde dit met de Britten af.

Diplomatieke oplossing thumb|De installatie en het vertrek in september 1946 van een door het kabinet-Beel I ingestelde Commissie-Generaal voor Nederlands-Indië, die met vertegenwoordigers van de Indonesische Republiek over de zogenaamde Indische Kwestie ging onderhandelen. Dit leidde tot het Akkoord van Linggajati. De gehele periode 1945-1949 stond vanaf dat moment in het teken van diplomatiek overleg met de Republiek. De Britten en (sinds de zomer van 1948) de Amerikanen speelden hierbij een nadrukkelijke, veelbepalende rol. Die diplomatie leek succesvol. Nederland besloot op 2 mei 1946 de Republiek de facto te erkennen als feitelijk het gezag bezittend over Java en Sumatra. Beide partijen wisten vervolgens een akkoord te sluiten: de Overeenkomst van Linggajati (15 november 1946). Hierin spraken zij af dat Indonesië na een korte overgangsperiode onafhankelijk zou worden. De nieuwe staat zou een federatief karakter krijgen en via een Nederlands-Indonesische Unie verbonden blijven met Nederland.

Het Akkoord van Linggajati werd op 25 maart 1947 door de Tweede Kamer weliswaar geratificeerd, maar tevens van krachtige bijstellingen voorzien (men sprak dan ook van het 'aangeklede' Linggajati). In feite kwam het neer op verwerping. De regering van de Republiek stemde voor het Akkoord van Linggajati, maar weigerde in te stemmen met de aangeklede versie. Een en ander droeg natuurlijk niet bij aan het vertrouwen dat nodig was om op basis van het Akkoord van Linggajati verder te werken aan een oplossing van het conflict tussen Nederland en de Republiek. Toen Linggajati in maart 1947 alsnog werd ondertekend, geschiedde dit op basis van een 'agreement to disagree'. Beide partijen lieten elkaar vrij in de eigen interpretatie.

Het gesloten akkoord betekende overigens niet dat het geweld stopte: de revolutie en ‘100 % merdeka’ lieten zich niet temmen. Het Nederlandse leger probeerde ondertussen in en rond de enclaves ‘rust en orde’ te herstellen. In feite was er parallel aan het overleg sprake van een vrijwel permanente oorlog die slechts af en toe door een wapenstilstand werd doorbroken. Aan beide zijden vonden daarbij bij herhaling geweldsexcessen plaats.Joop de Jong, Indonesië. 'Een kolonie vecht zich vrij.' in: De Canon van Nederland. Amsterdam 2014.

Opbouw omvangrijk militair apparaat thumb|Bioscoopjournaal uit 1946. Nederlandse troepen gaan Britse aflossen in Palembang. Nederland streefde op korte termijn naar herstel van zijn gezag en beveiliging van zijn onderdanen in Nederlands-Indië. Dat de onafhankelijkheid van Indonesië op den duur onvermijdelijk zou zijn werd in Nederlandse regeringskringen wel beseft. Maar het idee dat de Republiek in die onafhankelijkheid de hoofdrol zou gaan spelen stuitte op grote weerstand. Die republiek werd beschouwd als een creatie van de Japanse vijand, en haar president, Soekarno, als een collaborateur. Onderhandelingen met de Republiek waren derhalve omstreden, maar onder buitenlandse druk viel er niet aan te ontkomen. De aanwezigheid van een omvangrijke Nederlandse troepenmacht betekende dat de militaire optie werd opengehouden, en zou daarom ook de Nederlandse onderhandelingspositie versterken.

De troepen die Nederland nodig dacht te hebben konden niet worden geleverd door de Indische legermacht, het KNIL. Deze formatie had, na de overgave aan Japan in 1942, feitelijk opgehouden te bestaan. Slechts enige honderden militairen van het KNIL waren naar Australië ontkomen. De overigen waren - voor zover niet gedeserteerd - door de Japanners krijgsgevangen gemaakt.Het merendeel van de inheemse KNIL-militairen werd na korte tijd weer door de Japanners vrijgelaten. Velen van hen zouden later toetreden tot het leger van de Republiek De wederopbouw van het KNIL werd weliswaar met kracht ter hand genomen, maar zou op korte termijn onvoldoende resultaat afwerpen. De benodigde troepen moesten dus vooral uit Nederland komen, van de Koninklijke Landmacht (KL). Aanvankelijk waren dat oorlogsvrijwilligers (OVW'ers), later volgden grotere aantallen dienstplichtigen.

Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog in Europa en kort daarna werden oorlogsvrijwilligers geworven voor de strijd tegen Duitsland en Japan. Nadat Japan had gecapituleerd, stuurde de Nederlandse regering deze troepen toch naar Indonesië, om bij te dragen aan herstel van het Nederlandse gezag aldaar. Tot deze eerste troepen behoorde ook de Mariniersbrigade, een moderne gevechtseenheid, opgeleid in de Verenigde Staten. Het totaal aantal oorlogsvrijwilligers bedroeg ongeveer 25.000 man.