De Koude Oorlog was een periode van gewapende vrede tussen de communistische en de kapitalistische wereld in de tweede helft van de 20e eeuw. Het kapitalistische westerse blok werd geleid door de Verenigde Staten (VS). De communisten stonden voornamelijk onder leiding van de Sovjet-Unie (USSR), of waren verbonden met communistisch China. Voor het Westen werd ook wel de term eerste wereld gebruikt, terwijl de communistische wereld de tweede wereld was. Landen die bij het kapitalistische, noch bij het communistische blok wilden behoren noemden zich Niet-Gebonden Landen. Zij vormden de derde wereld, een begrip dat ook voor ontwikkelingslanden gebruikt wordt.

De aanduiding koude oorlog, van het Engelse cold war, werd voor het eerst gebruikt door de schrijver George Orwell in 1945, in een essay in de Tribune, een Britse krant. Hij waarschuwde voor een nieuwe wereldorde van totalitaire staten.

Herhaaldelijk deden zich tijdens de Koude Oorlog momenten voor waarbij de vrees rees dat plaatselijke conflicten en confrontaties konden escaleren tot een Derde Wereldoorlog, zoals de Koreaanse Oorlog die uitbrak in 1950, de Hongaarse Opstand in 1956 en de Cubacrisis in 1962.

Oorzaken van de Koude Oorlog Over het algemeen zijn drie groepen te onderscheiden in de verklaringen voor het ontstaan van de Koude Oorlog: de traditionalisten, revisionisten en de postrevisionisten.J. S. Nye Sr. (2007): Understanding International Conflicts. An Introduction to Theory and History, Longman, p. 117-119 (1999): 'De NAVO en de ontwikkeling van de Europese veiligheidsorde' in (ed.) Internationale organisatie. Samenwerking en regimevorming in de internationale betrekkingen, p. 56

Traditionele visie thumb|Poster van de Marshallhulp

De traditionalisten stellen dat de Koude Oorlog is ontstaan door de expansionistische politiek van de Sovjet-Unie onder Stalin, net na de Tweede Wereldoorlog. Na het verslaan van nazi-Duitsland probeerden de Verenigde Staten een internationaal beleid te voeren met hulp aan landen als zij werden benadeeld of aangevallen. De Sovjet-Unie trok zich echter weinig aan van de vredelievende bedoelingen van de Verenigde Staten en probeerde haar buurlanden te domineren en een invloedssfeer in Oost-Europa op te zetten. De agressieve bedoelingen van de Sovjet-Unie bleken onder andere uit de blokkade van Berlijn, de communistische overname van Tsjecho-Slowakije in 1948 en de aanval van Noord-Korea op Zuid-Korea in 1950. Deze expansiedrift dwong de Verenigde Staten tot tegenwicht en leidde zo tot de Koude Oorlog.

Een variant op deze visie stelt dat de Koude Oorlog al begon vóór de Tweede Wereldoorlog. In 1939 was in de Sovjet-Unie Maksim Litvinov als Minister van Buitenlandse Zaken vervangen door Vjatsjeslav Molotov, waarna het land een tegen het westen gerichte koers leek in te zetten.

Revisionistische visie De revisionisten (jaren 1960-70) wijzen juist Amerikaanse expansie aan als oorzaak voor de Koude Oorlog. Zij wijzen erop dat aan het eind van de Tweede Wereldoorlog de Sovjet-Unie door jaren van oorlog ernstig verzwakt was, terwijl de Verenigde Staten welvarend waren en bovendien het monopolie op de atoombom bezaten. Volgens de revisionisten wilde Stalin juist naar binnen keren om de enorme schade van de oorlog te herstellen, en blijkt dit uit zijn matigende werking op de communisten in China en in de Griekse Burgeroorlog en zijn tolerantie van niet-communistische regimes in Oost-Europa. De revisionisten zien de oorzaak voornamelijk in de aard van het kapitalisme van de Verenigde Staten: die zouden nieuwe markten zoeken om zelf rijk van te worden. Zodoende was de Marshallhulp van na de oorlog enkel gericht op het expanderen van de Amerikaanse economie. De gesloten economieën van de communistische landen waren voor deze expansie een doorn in het oog, en de Sovjet-Unie zag correct in dat hun invloedssfeer in Oost-Europa gevaar liep.

Postrevisionistische visie De laatste groep, de postrevisionisten (jaren 1970-80) (soms ook realisten genoemd), zien de Koude Oorlog als iets onvermijdelijks waarbij niet echt een aanstichter kan worden aangewezen. De Koude Oorlog kwam volgens hen voort uit het machtsvacuüm dat ontstond na de Tweede Wereldoorlog, toen de Europese landen door oorlog ernstig verzwakt waren. De nieuwe bipolaire situatie (met twee machtige landen) in tegenstelling tot de multipolaire situatie van voor de oorlog, leidde ertoe dat de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie automatisch in conflict kwamen door de weggevallen grootmachten Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Het was voor de twee nieuwe grootmachten onacceptabel om Europa volledig door de andere partij te laten domineren, omdat dit de machtsbalans ernstig zou verstoren. Conflict over invloedssferen kwam dus onvermijdelijk voort uit overwegingen van nationale veiligheid.

Verschil in ideologie thumb|Karl Marx

De Koude Oorlog kwam vooral voort uit verschillen in wereldbeeld en ideologie, waardoor de twee machtsblokken lijnrecht tegenover elkaar kwamen te staan. Het traditionele geopolitieke gegeven dat Rusland nu eenmaal verreweg het grootste land op het Euraziatische continent is en dat eeuwenlange Russische expansie zowel bij Rusland als bij de omringende landen een bepaald vijandbeeld had ingeprent, moet echter niet verwaarloosd worden.

De wortels van de ideologische tegenstelling lagen in de 19e eeuw, toen de Duitse filosoof en econoom Karl Marx (1818 – 1883) met wetenschappelijke pretentie voorspelde dat het kapitalistische systeem op den duur via de dictatuur van het proletariaat moest overgaan in het socialisme. Privaat bezit van productiemiddelen zou worden afgeschaft. Dan zou het verschil tussen de kleine elite van rijke fabriekseigenaren en de grote groep arme arbeiders worden opgeheven. In een klasseloze maatschappij zouden staat en godsdienst overbodig worden en dus een natuurlijke dood sterven. Marx zag de staat als instrument voor onderdrukking en religie als instrument van misleiding en vertroosting, als opium van het volk; Lenin maakte daarvan opium voor het volk.

thumb|left|Lev Trotski tijdens de Oktoberrevolutie

Toen in 1917 in Rusland de Oktoberrevolutie plaatsvond, nadat al in februari van dat jaar het tsaristische regime ten val was gekomen, werd daar inderdaad een staat gesticht die geleid werd door een communistische partij en gebaseerd was op het marxistische gedachtegoed, uitgebreid met het leninisme. De Russische Communistische Partij organiseerde zichzelf en het land volgens het democratisch centralisme en pretendeerde de voorhoede te vormen van de arbeidersklasse. Vanuit Moskou werd het beleid bepaald, niet alleen door middel van een centraal geleide planeconomie, maar ook met een machtig partijapparaat dat vrijwel alle terreinen van het leven van de Sovjetburgers beheerste. Onder Lenin en Stalin werd met harde hand een collectivisatie van industrie en landbouw doorgevoerd. Met betrekking tot de godsdienst, zowel de christelijke als de islamitische, werd echter niet gewacht tot die een natuurlijke dood zou sterven; die werd krachtig onderdrukt. Volgens de marxistisch-leninistische maatschappijvisie hadden de arbeiders het in Rusland in oktober 1917 definitief gewonnen en via de dictatuur van het proletariaat zou de meest democratisch denkbare samenleving ontstaan, een klasseloze maatschappij waarin uitbuiting van de ene mens door de andere onmogelijk zou zijn. Iedereen die om welke reden dan ook het machtsmonopolie van de communistische partij als voorhoede van de arbeidersklasse ter discussie stelde, kon op harde repressie rekenen. De binnenlandse media stonden volledig onder ideologische controle en contacten met buitenlanders, als die al werden toegestaan, moesten gerapporteerd worden aan de autoriteiten. Op artistiek gebied bestond er in de jaren 1920 nog aanzienlijke vrijheid, maar na de machtsovername door Stalin in 1928 werd ook het culturele leven geheel in dienst gesteld van de opvoeding van het volk in de stijl van het socialistisch realisme. Er werd een enorm geheim politieapparaat op de been gebracht, dat door middel van een fijnmazig informantennetwerk elk vermoeden van subversie snel in de gaten had. Na de val van Trotski in 1928, die door middel van een permanente revolutie een snelle verbreiding van het communisme in de hele wereld voorstond, won de stalinistische gedachte van het 'socialisme in één land' het pleit; pas wanneer de Sovjet-Unie zich ontwikkeld had tot een volwaardige moderne mogendheid, zou het sovjetcommunisme rijp zijn voor verbreiding, wat wel even kon duren, gezien de economische achterstand die het van tsaristisch Rusland geërfd had. Alleen in Mongolië werd in de jaren 1920 met behulp van het Rode Leger een Sovjetachtig regime geïnstalleerd en in de jaren 1930 werd steun verleend aan de communisten in de Spaanse Burgeroorlog, maar slechts op voorwaarde van strikte loyaliteit aan Moskou. Andere linkse bewegingen, zoals de anarchisten, werden bestreden.

Hiertegenover stond het Westen, een niet scherp gedefinieerde groep, waarmee doorgaans de Verenigde Staten, Canada en de westelijke landen van Europa worden aangeduid; wereldwijd kunnen ook Australië en Nieuw-Zeeland daartoe gerekend worden en ook wel Japan, dat zich na de Tweede Wereldoorlog in veel opzichten succesvol ontwikkeld heeft als modern westers land en bondgenoot. Die landen beschouwen zichzelf als democratieën, met een in essentie vrije, ondernemingsgewijze productiewijze, hoewel er enorme verschillen bestonden en bestaan in de mate van staatsinmenging in de economie; in Japan, Frankrijk en Italië is die traditioneel erg sterk, in Angelsaksische landen veel minder; landen als Duitsland en Nederland nemen in dat opzicht een tussenpositie in. Ook over kwesties als de verzorgingsstaat, de relatie tussen kerk en staat, echtscheiding, doodstraf, drugsgebruik, euthanasie en homoseksualiteit bestaan nog altijd aanzienlijke verschillen van mening tussen westerse democratieën. Over de grondbeginselen van een democratische samenleving bestaat meer overeenstemming: vrijheid van meningsuiting (waarbij de invloed van de overheid op de massamedia nog weleens een punt van discussie is), vrije verkiezingen, waarbij in principe elke burger zich kandidaat mag stellen voor alle politieke functies en zelf een partij mag oprichten, vrijheid van godsdienst, vrijheid van vergadering, scheiding van de politieke machten. In godsdienstig opzicht kunnen de NAVO-lidstaten Griekenland en Turkije als uitzonderingen beschouwd worden. In de Griekse grondwet wordt de Grieks-Orthodoxe Kerk als dominant aangeduid en moeten andere godsdiensten, ook christelijke, daar afzien van proselitisme. Turkije heeft een seculiere staat, maar in de praktijk is de soennitische islam er zeer dominant en is de positie van niet-islamitische minderheden moeilijk. Vanwege hun geostrategische positie werden deze landen echter als onmisbaar voor de NAVO beschouwd.

De relatie van de Sovjet-Unie met het Westen was vanaf het begin moeizaam, niet alleen op ideologische gronden, maar ook vanwege de steun van westerse landen aan antibolsjewistische kringen in de Russische Burgeroorlog, die uitbrak na de Oktoberrevolutie. Vooral de Amerikanen, Fransen en Britten hadden zich met de strijd bemoeid, zowel met ideologische als machtspolitieke motieven. De Verenigde Staten gingen pas in 1933 diplomatieke betrekkingen aan met de Sovjet-Unie.

Tweede Wereldoorlog: militaire alliantie tussen Oost en West thumb|left|Molotov en Ribbentrop tekenen het Molotov-Ribbentroppact