thumb|350px|Het historisch Tibetaans cultuurgebied Dit artikel geeft een overzicht van de geschiedenis van Tibet. Tibet ligt tussen de twee oude beschavingen China en India. Het gebied wordt gescheiden van China door de bergketens in het oosten van het Tibetaans Hoogland en van India door het Himalayagebergte. In de tweede helft van zowel de zevende als de achtste eeuw was Tibet een van de machtigste rijken in Centraal-Azië. Daarna breekt een eeuwenlange politieke fragmentatie van het gebied aan. Vanaf de veertiende eeuw waren de dominantste politieke krachten in Tibet een aantal Mongoolse en regionale heersers, de vijfde dalai lama, de Qing-dynastie, Tibetaanse regenten en de dertiende dalai lama.
In de eerste helft van de twintigste eeuw was er sprake van een de facto onafhankelijkheid van Tibet. Sinds 1951 maakt Tibet deel uit van de Volksrepubliek China, een situatie die sinds 1959 wordt betwist door een regering in ballingschap.
Sinds het eind van het 1e millennium en in het 2e millennium heeft het Tibetaans boeddhisme een groot stempel gedrukt op de geschiedenis van Tibet. De invloed van de Tibetaanse cultuur is in de eenentwintigste eeuw nog aanwezig in het noorden van Nepal, in Bhutan, in delen van het huidige India, zoals Ladakh, Arunachal Pradesh en Sikkim, in Mongolië en in delen van Rusland, zoals Toeva, Kalmukkië en Boerjatië.
Naast het Tibetaans boeddhisme heeft zich in Tibet nog een andere en daarvan te onderscheiden vorm van boeddhisme ontwikkeld, die bekendstaat onder de naam Bön.
Het Tibetaans behoort tot de taalfamilie Tibeto-Birmaanse talen.
Prehistorie
thumb|Locatie van het Tibetaans plateau De prehistorie van Tibet is feitelijk de prehistorie van het Tibetaans plateau. De eerste menselijke bewoning op het plateau dateert van ongeveer 25.000 v. Chr. Er zijn sinds 1975 restanten van enkele tientallen plaatsen gevonden die gedateerd worden in het paleolithicum. Het geringe aantal plaatsen met een betrouwbare datering maakt het moeilijk om de migratieroutes naar het plateau vast te stellen. Er zijn auteurs die op basis van onderzoek met mitochondriaal DNA postuleren dat de oorspronkelijke bewoners van het plateau van Siberische of in ieder geval Noord-Aziatische afkomst zijn. Hoewel de onderzochte populatie gering is in aantal, zijn de meeste westerse auteurs geneigd een afkomst uit het noorden van Azië serieus te nemen. De neolithische periode op het plateau begint ongeveer 8000 v. Chr. De meest controversiële vraag over de neolithische periode op het centrale plateau, is de vraag naar de afstamming van de huidige Tibetanen. Er is bij onderzoekers toenemend draagvlak voor een model dat uitgaat van een combinatie van demische diffusie en acculturatie. Het gebied van het huidige Sichuan is de meest waarschijnlijke regio waar een neolithical package (overkoepelende term die duidt op archeologische vondsten die, in samenhang beschouwd, een neolithische cultuur aannemelijk maken) is aangetroffen. In die opvatting kan de best onderzochte neolithische vindplaats, Karuo, ontstaan zijn door een demische verspreiding vanuit Sichuan. Een verdere verspreiding van het 'neolithische pakket' naar de hoogstgelegen delen van het plateau zou voor een deel van demische aard kunnen zijn en voor een ander deel het resultaat van acculturatie. Het acculturatiemechanisme zou de beste verklaring zijn voor de aanwezigheid van Centraal-Aziatische en Siberische genetische kenmerken in Tibetaanse populaties op de hoogste delen van het plateau.
Er bestaat consensus onder Tibetkenners dat de huidige populatie op het plateau niet Tibetaans is geworden als gevolg van een gemeenschappelijke genetische afkomst, maar als gevolg van twee millennia culturele geschiedenis: tot in de achttiende eeuw hebben processen van tibetanisering plaatsgevonden.
In het laatste deel van de prehistorie (ca. 200–ca. 650) ontstonden in Zhangzhung en in Centraal-Tibet samenlevingen die gekenmerkt werden door onderling met elkaar strijd leverende clans. Er waren koninklijke dynastieën die geacht werden van sacrale oorsprong te zijn. In feite bestonden deze uit de machtigste clanleiders.
Vanaf de vijfde eeuw wisten sommige clanleiders anderen duurzamer te onderwerpen. In Centraal-Tibet was aan het eind van de zesde eeuw de clanleider met de titel Tsenpo (De Machtige), die heerste in het gebied van de Yarlung-vallei, de belangrijkste geworden. Deze dynastie leverde in de historische tijd, die omstreeks het midden van de zevende eeuw aanvangt, de monarchen van het Tibetaanse rijk.
Tibetaanse rijk (ca. 600–ca. 860)
De expansie van het rijk was begonnen in de periode van Namri Songtsen (overleden 619). Door een politiek van strategische coalities en veroveringen wist hij het rijk uit te breiden met het gebied van de Sumpa. Dat was het westelijk deel van Kham en Amdo. Veroveringen in het westen brachten het noordelijk deel van Tsang tot aan de grens met het koninkrijk Zhangzhung.
Omvang van het rijk In de periode van zijn zoon Songtsen Gampo (605–650) werd tussen 636 en 640 Zhangzhung veroverd. In het gebied van Kokonor had zich in de derde eeuw een Turkstalig nomadenvolk, de Azha gevestigd. Vanaf het begin van de zevende eeuw was het in feite een bufferstaat tussen het gebied van de Tang-dynastie en het Tibetaanse rijk. Omstreeks 634 zond de Tang-dynastie een leger naar het gebied dat de Azha versloeg. Dit bracht de Tang-dynastie in conflict met het Tibetaanse rijk. Songtsen Gampo viel in 638 het gebied binnen, versloeg de Azha en begon invallen op Chinees grondgebied te organiseren. Ook het oostelijk deel van Amdo werd op deze wijze onderdeel van het Tibetaanse rijk.
Met deze veroveringen was vrijwel het gehele Tibetaanse plateau voor het eerst onder een verenigd bestuur gebracht. De menskracht, buitgemaakte goederen en andere rijkdommen die met de verovering voor Tibet beschikbaar kwamen, droegen bij aan verdere veroveringen. Aan het eind van de regeerperiode van Songtsen Gampo was Nepal tot een vazalstaat gemaakt en maakte het gebied van de huidige deelstaat Arunachal Pradesh en Sikkim deel uit van het Tibetaanse rijk.
thumb|left|450px|Centraal-Tibet verdeeld in vier zogenaamde Hoorns: Dbu-ru, G yas-ru, G yo-ru en Ru-lag. De bruin gekleurde gedeelten in het oosten van de kaart zijn gebieden die eind zevende eeuw nog een zekere autonome status hadden. In de tweede helft van de zevende eeuw voltrok de expansie van het Tibetaanse rijk zich met een grote snelheid. Rond 670 waren het gebied rond Kashgar en stadstaten als Khotan en Kucha veroverd. Het kanaat van de Westelijke Turken, een van de opvolgers van het rijk van de Göktürken, was een Tibetaanse vazalstaat geworden. Een bestuurlijke reorganisatie van Centraal-Tibet verdeelde het gebied in vier zogenaamde Hoorns: Dbu-ru ("centrale hoorn"), G yas-ru ("rechterhoorn"), G yo-ru ("linkerhoorn") en Ru-lag ("additionele hoorn"). Ieder van de vier Hoorns was opgesplitst in twee delen: Dbu-ru stod en Dbu-ru smad, G yas-ru stod en G yas-ru smad, G yo-ru stod en G yo-ru smad, en Ru-lag stod en Ru-lag smad. In principe had elke Hoorn tien districten van – theoretisch – duizend huishoudens. In iedere Hoorn was een van die districten de belangrijkste plaats voor de uitvoering van administratieve maatregelen op burgerlijk en militair gebied.
In de eerste helft van de achtste eeuw verplaatste de strijd tussen het Tibetaanse rijk en het China van de Tang-dynastie zich naar het westelijk gelegen deel van de Zijderoute en omringende gebieden. Vanaf 715 mengden zich ook andere groeperingen en partijen in die strijd, als de Arabieren, de Türgesh, een confederatie van Turkstalige volksstammen, de Karlukken en later de Oeigoeren.
thumb|Het Tibetaanse rijk en dat van de Tang-dynastie rond 740 De Tibetanen behaalden enige militaire successen, maar over het algemeen was het Tibetaanse rijk in die periode in het defensief. Vanaf 738 tot 754 viel de Tang-dynastie Tibet op vele fronten aan. Even na 750 had Tibet vrijwel alle eerdere veroveringen in Centraal-Azië moeten opgeven. Feitelijk werd Tibet gered door de opstand van An Lushan tegen de Tang-dynastie in 755. Die opstand werd in 757 uiteindelijk bedwongen, maar de Tang-dynastie kwam ernstig verzwakt uit de strijd. Dit gaf Tibet de gelegenheid om enige orde op zaken te stellen. thumb|left|Omstreeks 800 bereikte het rijk zijn grootste omvang. thumb|Foto uit 1942. Tibetaanse ruiters in ceremonieel kostuum presenteren zich als troepen uit de tijd van het Tibetaanse rijk. In de regeerperiode van Trisong Detsen (742–800) bereikte het rijk de grootste omvang ooit. Khotan werd weer heroverd op de Chinezen, alsmede de omgeving van Lob Nuur en Dunhuang, een belangrijk entrepot aan de zijderoute en het centrum van het Chinese boeddhisme. Hiermee controleerde Tibet het grootste deel van de zuidelijke zijderoute en een belangrijk deel van de Hexicorridor in Gansu.
Net als vrijwel ieder ander feodaal rijk was ook het Tibetaanse voor het verkrijgen van extra economische middelen afhankelijk van steeds verdere expansie. De overschotten afkomstig van nieuw veroverde gebieden kwamen ten goede aan het hof en de regering en werden gebruikt om krijgsheren te belonen, die vervolgens weer nieuwe gebieden konden veroveren. Het Verdrag van Chang'an met China van 821 markeert het tijdstip in de geschiedenis van het Tibetaanse rijk dat er definitief een einde kwam aan de expansie. Na 821/822 verdween iedere vorm van een economisch overschot en werd spoedig een situatie van tekort bereikt.
In de periode van Ralpachan (806–841) had de boeddhistische geestelijkheid belangrijke machtsposities weten in te nemen. Ralpachan bleef ook na 820 de verspreiding van boeddhisme met genereuze schenkingen aan de religieuze gemeenschap ondersteunen. Bij een belangrijk deel van de aristocratische familieclans nam de weerstand tegen de in hun ogen excessieve en economisch niet meer verantwoorde bestedingen voor kostbare religieuze vertalingen, stichting van kloosters die van belasting vrijgesteld werden en andere boeddhistische projecten toe. Vermindering van hun eigen machtspositie speelde uiteraard ook een belangrijke rol.
De onrust hierover leidde in 841 tot de moord op Ralpachan. Zijn broer Langdarma (841–842) was de laatste koning van een min of meer verenigd rijk. Hij werd in 842 vermoord door de toenmalige abt van het klooster Samye. Na de moord op Langdarma verloor Tibet in ongeveer tien jaar tijd al zijn veroveringen in Centraal-Azië. Vanaf 850 begon een opstand tegen de laatste vormen van centraal gezag in het land, die uitmondde in een burgeroorlog. De oude clans besloten dat hun belang niet verder gediend was met binding aan de monarchie. In Tibet begon daarmee een eeuwen durende periode van fragmentatie.
De monarchie tijdens het Tibetaanse rijk en daarvoor werd geacht een sacraal karakter te hebben en van goddelijke herkomst te zijn. De koning was echter geen absolute vorst, maar moest als een primus inter pares regeren, die slechts zeker kon zijn van zijn positie zolang de clanleiders hem wensten te ondersteunen. Sterke koningen als Songtsen Gampo en Trisong Detsen konden de macht van de clans goed hanteren, maar een veel groter aantal koningen was feitelijk een marionet in hun handen. Een koning kon alleen succesvol zijn als hij kon zorgen dat de belangen van het koningschap en dat van de meeste clans samenvielen.
Culturele ontwikkelingen thumb|Grot 16 en een aantal manuscripten voor de ingang van grot 17 in Dunhuang Een schriftsysteem werd in Tibet ontwikkeld tijdens het bewind van Songtsen Gampo. Het was sterk gebaseerd op toen bestaande systemen in Nepal en het noorden van India. Vanaf ongeveer 645 worden 'annalen' opgetekend, een traditie waarin jaarlijks verslag gedaan wordt van de belangrijkste gebeurtenissen. De belangrijkste bron van kennis van de geschiedenis van het rijk zijn de zogenaamde Tibetaanse annalen, waarvan begin twintigste eeuw een kopie gevonden werd in de verzameling manuscripten van Dunhuang.