thumb|Xinjiang als deel van de Volksrepubliek China thumb|400px|Satellietfoto van de regio Xinjiang. Duidelijk zichtbaar zijn het Tarimbekken met de Taklamakan-woestijn in het zuiden, de (grijzere) Turpanlaagte in het oosten, en Dzjoengarije in het noorden. De groene driehoek ten noorden van het Tarimbekken is de Ili-vallei De geschiedenis van Xinjiang behandelt de gebeurtenissen in wat nu de Chinese provincie Xinjiang is van de prehistorie tot het heden.
Xinjiang, eertijds ook wel Oost-Turkestan of Chinees Turkestan genoemd, heeft sinds de oudheid een rol gespeeld in de uitwisseling tussen Oost-Azië en Europa-West-Azië, zowel op religieus-cultureel vlak (boeddhisme, islam, Nestoriaans christendom en later missionarissen) als op commercieel vlak (de beroemde zijderoute). Deze contacten verliepen voor een belangrijk deel via een reeks oasestaatjes, die van tijd tot tijd door China onderworpen werden en tijdens de Han-dynastie bekendstonden als de Zesendertig Rijken van de Westelijke Gebieden.
Geografie miniatuur| Geografisch bestaat Xinjiang uit drie delen, van elkaar gescheiden door het Tiensjan-gebergte en de uitlopers daarvan.
Het noorden wordt gevormd door Dzjoengarije, een steppegebied dat in het westen via de Dzjoengaarse Poort verbonden is met westelijk Centraal-Azië en in het noordoosten met Mongolië. Als zodanig vormt het een schakel in de Euraziatische steppe waarlangs gedurende de geschiedenis vele steppevolken trokken. De Ili-vallei, hoewel ten westen van de Tiensjan liggend en etnisch meer tot Kazachstan behorend, valt als Autonome Kazachse Prefectuur Ili ook onder Chinees Dzjoengarije.
In het zuidoosten staat Dzjoengarije via bergpassen in verbinding met de Turpanlaagte. De Turpanlaagte gaat in het oosten over in de Hamilaagte. Bij de stad Hami bevindt zich de zogenaamde Pas van de Jaden Poort (Yumenguan), de historische westelijke toegang tot China; meer precies het oostelijke deel van Gansu dat vervolgens via de Hexicorridor verbonden is met het Chinese hartland.
Ten zuidwesten van de Turpanlaagte bevindt zich het Tarimbekken, een groot en onherbergzaam woestijngebied met enkel aan de rand een keten van oasen. Het Tarimbekken is in het westen en zuiden slechts moeilijk bereikbaar via hoge passen zoals de Karakorampas.
Benamingen miniatuur|wereldkaart van Ptolemaeus met de naam Serica In het oude China stond al het land voorbij de Jaden Poort bekend als "Xiyu" of de "Westelijke Gebieden". De Oeigoeren noemden de oases van het Tarimbekken '"Altishahr", de "Zes Steden". Dzjoengarije is vernoemd naar de Mongoolse Dzjoengaren, die het in de 17e eeuw veroverden.
Antieke bronnen geven de naam Serica voor het land ten oosten van de Pamir.
De naam "Oost-Turkestan" werd in 1829 gecreëerd door de Russische sinoloog Nikita Bitsjoerin ter vervanging van de term "Chinees Turkestan".
Na de verovering door de Qing-dynastie in 1884 werd het gebied Xinjiang genoemd. Deze naam werd oorspronkelijk gebruikt om te verwijzen naar elk gebied dat ooit tot het Chinese keizerrijk behoord had en door de Qing was heroverd, maar werd uiteindelijk alleen gebruikt voor het huidige Xinjiang.
Een andere benaming is "Serindia", een samenvoeging van Serica en India.
Prehistorie Steentijd Over de vroegste voorgeschiedenis van Xinjiang is weinig met zekerheid bekend. Vondsten in de Altaj net ten noorden van Dzjoengarije maken het aannemelijk dat Dzjoengarije bewoond werd door de denisovamens, die opgevolgd werd door late neanderthalers. Wanneer de eerste anatomisch moderne mensen in het gebied kwamen is nog minder zeker.
Bronstijd miniatuur|houten masker gevonden bij Xiaohe, 2e millennium v.Chr. De vroegst bekende bronstijdcultuur in Xinjiang is de Xemirxekcultuur in Dzjoengarije (2500–1800 v.Chr.). Opvallend zijn hier de megalithische grafarchitectuur en de soms levensgrote steles, die lijken op vondsten in Europa. Ook de skeletresten wijzen op een westelijke afkomst. Vondsten van oude graven tonen dat in het 2e millennium v.Chr. mensen van een Europees type tot in Hami doorgedrongen waren, waar ze zich bij de oorspronkelijke Oost-Aziatische bevolking voegden.A Discussion of Sino-Western Cultural Contact and Exchange in the Second Millennium BC Based on Recent Archeological Discoveries Deze immigranten tonen overeenkomsten met de vondsten uit het 3e millennium v.Chr. van Xemirxek (Qiemu'erqieke, Chemurchek of Shamirshak) nabij Altay en worden in verband gebracht met de Indo-Europese Tocharen.Des Languedociens néolithiques dans la steppe kazakho-russo-sino-mongole ?
In het Tarimbekken zijn een aantal vondsten van mummies uit de periode rondom 1800 v.Chr. tot rondom 200 AD gedaan, de zogenaamde Tarim-mummies. Onderzoek van de Xiaohe-mummies toonden een Europese afkomst in mannelijke lijn en een gemengd Europees-Aziatische (meer specifiek Oost-Siberische) afkomst in vrouwelijke lijn. Deze vondsten worden wel in verband gebracht met de sprekers van het Tochaars. De mummies zijn waarschijnlijk op natuurlijke wijze bewaard gebleven, in tegenstelling tot de mummificatie zoals die in het oude Egypte werd toegepast. In het regionaal museum van Ürümqi zijn onder andere dergelijke mummies te zien, alsmede archeologische vondsten die te maken hebben met de zijderoute.
Scythië voorbij de Imaios De steppen ten oosten van de Dzjoengaarse Poort stonden in de klassieke oudheid bekend als "Scythië voorbij de Imaios" (Scythia extra Imaum). Archeologisch onderzoek toont een "Scythische" invloed die tot aan de Ordoscultuur van oostelijk Gansu zichtbaar is.
Antieke bronnen spreken van het land Seres, de beschrijvingen waarvan echter tegenstrijdig zijn. Plinius de Oudere meldt een merkwaardige beschrijving van de Seres door een ambassadeur van Taprobane (Ceylon) naar keizer Claudius, zeggende dat deze "een meer dan normale lichaamslengte, vlashaar en blauwe ogen bezaten, en een onbeschaafd soort geluiden maakten bij wijze van taal".Naturalis historia, hoofdstuk XXIV: Taprobane Een andere volk dat genoemd werd waren de Issedonen, waarschijnlijk de Wusun van Chinese bronnen. Als de identificatie met de Wusun juist is dan woonden deze oorspronkelijk in de Hexicorridor, waar zij door de Yuezhi aangevallen werden, die op hun beurt onder druk stonden van de Xiongnu. De Wusun versloegen uiteindelijk de ten westen van hen wonende Yuezhi en vestigden zich in Dzjoengarije.
De eerste verwijzing naar de Yuezhi was in 645 v.Chr. door Guan Zhong in zijn Guanzi. Hij beschreef de Yuzhi (禺 氏) of Niuzhi (牛氏) als mensen in het noordwesten, die de Chinezen jade leverden uit de "bergen van Yuzhi". De aanvoer van jade uit het Tarimbekken is archeologisch goed gedocumenteerd. Het is bekend dat de oude Chinese heersers een sterke gehechtheid aan jade hadden. Alle meer dan 750 jaden voorwerpen uit het graf van Fu Hao van de Shang-dynastie waren afkomstig uit Hotan. Volgens berichten van de Han waren de Yuezhi in de tijd van de eerste grote Chinese keizer Qin Shi Huangdi welvarend, maar regelmatig in conflict met de naburige stam der Xiongnu in het noordoosten.
De Shiji (Historische verslagen) van Sima Qian (2-1e eeuw v.Chr.) verteld:
Tussen 206 en 174 v.Chr. werden de Yuezhi door de Xiongnu onder leiding van Maodun westwaarts verdreven. Ze vestigde zich tijdelijk rond de rivier de Ili. Wederom werden de Yuezhi aangevallen, ditmaal door de Wusun. Ze trokken verder westwaarts om zich uiteindelijk tegen het einde van de 2e eeuw v. Chr. definitief in Bactrië te vestigen.Pulleyblank, E. 1970. The Wu-sun and Sakas and the Yüeh-chih migration. Bulletin of the School of Oriental and African studies of London 33, pp. 154-160
In de annalen van de latere Han-dynastie, het Boek van de Late Han, staat onder meer beschreven hoe de Yuezhi zich in Bactrië vestigden en de vijf clans in eerste instantie het gebied onder elkaar verdeelden. Tegen het begin van de christelijke jaartelling verkreeg een van die vijf clans, de Kushana, de macht over de overige clans. Met deze machtsgreep begon het rijk van de Kushana, dat zich uiteindelijk tot Noord-India zou uitspreiden. Het rijk vormde enkele eeuwen lang het centrum van de Euraziatische uitwisseling tussen het Oosten en het Westen.
Ook Strabo beschrijft hoe een aantal Scythische stammen in de tweede helft van de 2e eeuw v.Chr. het Grieks-Bactrisch koninkrijk verwoestten:
Deze ook door historici als Ptolemaeus genoemde Tocharoi (Τόχαροι), werden geïdentificeerd met de Yuezhi en de Kushanen. De term Tocharistan refereert gewoonlijk aan het Bactrië van het 1e millennium. miniatuur|Centraal-Aziatische monnik onderwijst Oost-Aziatische monnik, 9e-eeuws fresco van de Duizend Boeddhhas-grotten van Bezeklik Vanaf het eind van de 19e eeuw werden in het Tarimbekken teksten in een tot dan toe onbekende Indo-Europese taal gevonden. Deze taal werd geassocieerd met het Kushanrijk en daarom Tochaars genoemd. Of deze taal inderdaad door de Tocharen dan wel Yuezhi gesproken werd is echter niet zeker. Het Tochaars werd weliswaar in de oases gesproken, maar de nomadische Yuezhi kunnen hun eigen, Scythische taal gesproken hebben. Een dergelijke tweedeling was in de Scythische wereld niet ongebruikelijk.
Boeddhistische Kushana-missionarissen, zoals Lokaksema, de eerste bekende vertaler van Mahayana-geschriften in het Chinees (ca. 170) werden actief in de Chinese hoofdsteden Loyang en Nanjing, waar ze zich in het bijzonder onderscheiden door hun vertaalwerk. Zij waren de eerste bekende verspreiders van Hinayana- en Mahayana-geschriften in China, en droegen in belangrijke mate bij aan de overdracht van het boeddhisme naar China via de zijderoute.
Tussen Xiongnu en Han miniatuur|Serindische kunst, Tumxuk Aan het begin van de Han-dynastie (206 voor Christus - 220 na Christus) was de regio ondergeschikt aan de Xiongnu.
In de 2e eeuw v.Chr. zond keizer Wu van Han de ontdekkingsreiziger Zhang Qian om de mysterieuze koninkrijken in het westen verkennen en tot een alliantie met de Yuezhi te komen ter bestrijding van de Xiongnu. Als gevolg van deze gevechten controleerde de Chinezen de strategische regio van de Ordos en Hexicorridor tot Lob Nuur. Hiermee slaagden ze erin de Xiongnu te scheiden van de Qiang in het zuiden, en de toegang tot de westelijke regionen te verkrijgen.
Vanaf 120 v.Chr. richtte de Han-dynastie militaire kolonies (tuntian) en commanderijen (duhufu) op om het gebied te controleren.
In 108 v.Chr. werd Kroraina (bij Lob Nuur) door de Chinezen aangevallen en de koning van Kroraina werd gevangengenomen. Hierna werd het koninkrijk verplicht om tribuut te brengen aan Han-China. Na berichten over deze gebeurtenissen vielen ook de Xiongu Kroraina aan. De koning besloot daarom een van zijn zonen als gijzelaar naar de Xiongnu te sturen, en een andere naar de Han. De koning werd vervolgens meegenomen naar het Chinese hof en ondervraagd over zijn banden met de Xiongnu. Deze antwoordde door te stellen dat zijn rijk slechts een kleine staat was gelegen tussen grote staten, die zich niet veilig kon stellen tenzij het zich aan beide onderwierp. miniatuur|ruïnes van Jiaohe, de oude hoofdstad van Gushi Het gebied rond het Aydingkol-meer wordt genoemd als het grondgebied van de Gushi. Volgens historische verslagen leefden de mensen in tenten, volgden het gras en water, en hadden veel kennis van de landbouw. Ze bezaten runderen, paarden, kamelen, schapen en geiten en waren bedreven met pijl-en-boog. in het reisverslag van Zhang Qian worden de Gushi samen met Kroraina vermeld, waarschijnlijk omdat beiden onder de controle van de Xiongnu stonden. Na de Slag om Gushi (rond 60 v.Chr.) kwam Gushi onder Han-Chinese heerschappij.
In 60 v.Chr. richtten de Han het protectoraat van de westelijke regio's (西域都護 府) bij Wulei (烏 壘; in de buurt van het huidige Luntai) om de hele regio tot aan de Pamir te beheersen. Tijdens de usurpatie van Wang Mang in China kwamen de staten van het protectoraat in opstand en keerden in AD 13 terug naar de Xiongnu.