thumb|350px|Viering te Wenen van de onafhankelijkheid van Kosovo Dit artikel gaat over de geschiedenis van Kosovo.
Vroege geschiedenis van Kosovo 350px|thumb|Opgraving bij Ulpiana Kosovo: Romeinse muur De oudst bekende bewoners van Kosovo waren de Illyriërs. Zij namen rond 1000 v.Chr. grote delen van het land in bezit en vestigden zich vooral in de kuststrook. Het huidige Kosovo werd destijds vooral geregeerd door de Illyrisch-Thracische stam Dardani die het koninkrijk Dardanië stichtten.
In de loop der jaren werden zij berucht om hun zeeroverij, waartegen de Romeinen vanaf de 3e eeuw v.Chr. met succes optraden. In de 1e eeuw v.Chr. namen de Romeinen grote delen van het Illyrische binnenland - tot aan de rivier de Donau - in bezit. Het gebied werd toen in korte tijd geromaniseerd en onderging na de Romeinse overheersing ook Byzantijnse heerschappij.
De eerste Slavische stammen staken de Donau over in de 5e eeuw en trokken door het geromaniseerde land ten zuiden (joego = zuiden) van deze vroegere Romeinse grensrivier. Zij kwamen er onder invloed van de Romeins-Byzantijnse cultuur en maakten er kennis met het christendom, dat door enkele stammen werd aanvaard. Deze Zuidelijke Slaven (> Joego-Slavija) vormden geen staat, maar verschilden in taal, geloof, cultuur en bestuursvorm. Zij woonden stamsgewijs in van elkaar geïsoleerde landschappen en werden sinds 395 beïnvloed door de grenslijn tussen de invloedssferen van Rome en Constantinopel. Zo bleef het oostelijke deel (Servië, Montenegro en Macedonië) overwegend orthodox en nam het het cyrillische alfabet aan en het westelijke deel (Slovenië, Kroatië), Dalmatië en Albanië werden katholiek en nam het Latijnse alfabet aan.
Bulgaarse Rijk Kosovo werd vanaf het jaar 836 onderdeel van het Eerste Bulgaarse Rijk. In deze periode werden talloze kerken en kloosters gebouwd gedurende de kerstening van het van oudsher paganistisch gebied. Het bleef 150 jaar onderdeel van Bulgarije tot het jaar 1018. In deze periode werd Kosovo, na een halve eeuw oorlog tussen de Bulgaren en Byzantijnen, gekoloniseerd door het Byzantijnse Rijk. Tijdens de opstand van Peter III van Bulgarije werd Kosovo voor een korte tijd bevrijd van het Byzantijnse Rijk waarna Peter III uitgeroepen werd tot keizer van Bulgarije in de stad Prizren. De Bulgaarse heerschappij hield op na de dood van keizer Ivan Asen II.
Servische verovering In de 6e eeuw namen de Slavische Serviërs het huidige Servië in bezit waar zij kleine vorstendommen vormden, (bestuurd door een župan) die in voortdurende staat van oorlog met elkaar leefden. De Bulgaarse tsaren konden deze stammen tot in de 10e eeuw schatplichtig houden, daarna nam Byzantium het gezag over, maar voortdurende opstanden maakten het in wezen tot een gebied van vrije stammen. Pas in de 12e eeuw slaagde Stefan Nemanja erin een Servisch koninkrijk te stichten dat zijn opvolgers voortdurend uitbreidden, voornamelijk ten koste van voorheen Bulgaarse en Macedonische gebieden. Het werd een machtige Balkanstaat onder Dušan (1331-1355), die zich in 1346 de titel van keizer (tsaar) toe-eigende. Dit Servische rijk ging zelfs een bedreiging vormen voor het langzaam wegkwijnende Byzantijnse Rijk. De bevolking van dit Groot-Servië was gemengd. Naast de dominante Serviërs, woonden in de bergen Walachen (Vlachen), een herdersbevolking die haar Romaanse taal had bewaard, de Albanezen die nooit volledig waren geromaniseerd en een soort Illyrisch spraken, al was deze taal sterk door het Grieks en het Romaans beïnvloed geraakt. In de steden woonden ook veel Byzantijnen. Een bijzondere, binnen het christendom ketterse sekte vormden de Bogomielen in het noorden, in het bijzonder in Bosnië dat kort na 1200 door het koninkrijk Hongarije werd ingelijfd. Ook de Servische expansie naar het zuiden en oosten ging in de 14e eeuw weer verloren, eerst aan Byzantium en vervolgens aan de Turken (Ottomanen), die de zuidelijke Balkan veroverden en de Serven in de Slag op het Merelveld (Kosovo Polje) in 1389 aan zich onderwierpen.
De Slag op het Merelveld 350px|thumb|Slag van Kosovo Polje in 1389 door Adam Stefanovic (1870)
Reeds onder de regering van tsaar Dušan begon de dreiging uit het Oosten: in 1354 zetten de Turken voor het eerst voet aan wal op de Balkan. Het Servische keizerrijk kwam ten einde op 28 juni 1389, toen het Servische leger door de Turken verpletterend werd verslagen bij Kosovo Polje (letterlijk Merelveld). Ook de Turkse sultan Murat I vond de dood, volgens een heldendicht echter niet op het slagveld, maar in zijn zijden tent, waar hij werd vermoord door een dolkstoot van de Servische edelman Miloš Obilič.The Desperate Act: The Assassination of Franz Ferdinand at Sarajevo door Roberta Strauss Feuerlicht, p. 22 De Turken namen wraak en onthoofdden de Servische tsaar Lazar op het lijk van hun vermoorde sultan. Na de dood van Murat nam zijn opvolger Bajezid I het bevel over. Pas in 1455 zou geheel Servië veroverd worden.
De Slag van Kosovo Polje werd bezongen in talloze epische treur- en heldenzangen en 28 juni werd sindsdien de nationale rouwdag, de Vidov dan. Volgens een legende bloeien iedere lente rode pioenrozen op de destijds door bloed gedrenkte grond, die zouden zijn ontsproten uit het bloed van de Servische helden. De bloedige nederlaag in Kosovo besliste voor vijf eeuwen over het verloop van de Servische geschiedenis. Sultan Bajezid maakte de Serviërs schatplichtig en behandelde hen als tweederangsburger. Geregeld kwamen de Serviërs in verzet, maar telkens zonder succes.
Albanese vorstendommen Na het uiteen vallen van het Keizerrijk Servië in 1371 regeerden de Servische edelen los van elkaar. De Servische heersers van de Branković- en Lazarević-dynastieën regeerden over het grootste gedeelte van Kosovo.
In het huidige Montenegro regeerde de Balsha-dynastie over een vorstendom dat later ook delen van Noord-Albanië en West-Kosovo omvatte. De Balsha-familie (Servisch: Balšić) wordt omschreven als een van oorsprong Albanese adellijke familie die zich in hoge mate had geassimileerd na de 14e-eeuwse Servische veroveringen van Noord-Albanië.
Na de Slag op het Merelveld in 1389 wankelden de Servische staten en wisten verschillende Albanese dynastieën hun gebied uit te breiden, waaronder Gjon Kastrioti, landsheer van het vorstendom Kastrioti in het gebied Mat en hoofd van de Kastrioti-familie. Hij slaagde zijn vorstendom uit te breiden naar het huidige Prizren.https://books.google.nl/books?id=lIJORNUgfTcC&redir_esc=y. Gearchiveerd op 15 juli 2023. thumb|left|160px| Albanese prins Lekë Dukagjini (heerschappij van 1444-1479) De Albanese prins Pal II Dukagjini afkomstig uit Mirditë wist eveneens vanuit het noorden van Albanië het vorstendom Dukagjini, aanzienlijk groter dan de Kastrioti's, uit te breiden naar het westen van het huidige Kosovo. Zijn nakomelingen prins Lekë Dukagjini en Nikollë II Dukagjini volgden zijn heerschappij op. Nog steeds heeft de heerschappij van de Dukagjini's invloed in Kosovo. Vele Gegische Albanezen volgen de "Kanun", een wettekst geschreven door Lekë Dukagjini. Het westen van Kosovo wordt door de Albanezen ook wel Rrafshi I Dukagjinit (Streek van de Dukagjini's) genoemd.
Turkse overheersing Uitbuiting Turken en gezagsgetrouwe inheemse leiders konden zich verrijken en daartoe geschikt geachte jongemannen werden geronseld, soms ontvoerd en bij eliteregimenten ingelijfd (onder andere de Janitsaren, de lijfwacht van de sultan in Istanboel). De Turken dwongen de bevolking niet rechtstreeks om tot de islam over te gaan, maar bekeerlingen kregen privileges waaronder lagere belastingaanslagen, de verwerving van grond en de mogelijkheid tot het vervullen van lucratieve ambtelijke functies. Christenen mochten hun eigen godsdienst blijven beoefenen. De islamisering had tot gevolg dat vooral in de steden kerken vernietigd of omgevormd werden tot moskeeën. Met name de Albanese bevolking was geporteerd voor een bekering, maar ook delen van de Servische bevolking besloten daartoe, zoals in de landstreek van Novi Pazar en in Bosnië. Voor veel Bogomielen die als ketters steeds waren vervolgd, was het Turkse gezag een bevrijding die hen ertoe bracht tot de islam over te gaan.
Heilige Liga Tijdens de Derde Heilige Liga (of Grote Turkse Oorlog van 1683-1699) werd Kosovo veroverd door Oostenrijkse troepen met de hulp van ongeveer 6000 Albanezen onder leiding van de katholieke aartsbisschop Pjetër Bogdani, die echter vervolgens met een deel van zijn troepen bezweek aan de pest. Zijn graf werd later uit woede over zijn leiding aan de opstand geopend door de Turken en zijn lichaam in stukken gesneden en gevoerd aan de honden. In 1690 leidde de Servische patriarch Pejë Arsenije III 30.000 families, waaronder mogelijk ook niet-Serviërs, uit Kosovo om te ontsnappen aan de wraak van de Ottomanen toen deze het gebied heroverden.
19e eeuw De Servische gebieden bleven onrustig door het verzwakkende Ottomaanse gezag. Opstanden braken uit in 1804, 1809 en 1815 en Istanboel moest steeds meer concessies doen aan lokale krijgsheren. Het Servische kerngebied werd de facto autonoom. Effectief Ottomaans gezag werd beperkt tot garnizoenssteden. Om het autonome Servische gebied beperkt te houden werd in 1864 het vilajet Kosovo als aparte bestuurlijke ingericht. Na de Russisch-Turkse Oorlog, die eindigde met een nederlaag voor de Turken en sindsdien de solidariteit tussen Serviërs en Russen fundeerde, werd Servië in 1878 een onafhankelijke staat, in 1882 een soeverein koninkrijk. Daarbij werd Servië uitgebreid met het gebied dat tegenwoordig bekend is als Zuid-Servië (met als hoofdplaats Nisj). Om het gezag te kunnen consolideren werd dit gebied etnisch gezuiverd van de niet-Servische minderheden, die verdreven werden naar Kosovo, Macedonië en het huidige Turkije (voor een deel naar Noord-Cyprus, hetgeen werd beschreven door Lev Trotski, die toen verslaggever was voor de Pravda. Deze verdreven bevolkingsgroepen staan bekend als 'muhaxher' (oud-Turks woord Muhajir: 'vluchteling'), waarvan de erfgenamen soms nog steeds de achternaam Muhaxheri dragen.
In een reactie op het Servische, Bulgaarse en Griekse nationalisme van de 19e eeuw vormden nationalistische Albanezen de Liga van Prizren in Prizren in 1878. Zij wilden daarmee voorkomen dat Albanië opgedeeld zou gaan worden tussen de zich expanderende nationale Balkanstaten, met name Servië, Montenegro en Griekenland zoals voorzien was in de voorlopige Vrede van San Stefano. De Liga tekende hiertegen protest aan bij de grote mogendheden van het Congres van Berlijn, maar deze werden genegeerd. Daarop organiseerde de Liga opstanden in de steden Guci, Shkodër, Prizren en Janina. Na dreigende invallen door de Serviërs, die de aan hun toegewezen gebieden aan hun neus voorbij zagen gaan, steunden de grote mogendheden de Ottomanen in hun consolidering van het Turkse gezag in de Albanese gebieden.