Pijlgifkikkers (Dendrobatidae) zijn een diverse familie van kikkers (Anura). Pijlgifkikkers zijn door hun felle kleuren en de bijzondere vorm van broedzorg een van de bekendste groepen van kikkers.

Pijlgifkikkers zijn kleine, gedrongen diertjes die zich kenmerken door de vaak zeer felle kleuren. Er zijn ongeveer 185 verschillende soorten die voorkomen in delen van Midden- en Zuid-Amerika. De meeste soorten zijn overdag actief en zijn niet schuw, in tegenstelling tot de meeste andere kikkers die zich overdag schuilhouden en juist erg alert zijn.

De groep werd vroeger tot de echte padden gerekend, maar dit is achterhaald. Pijlgifkikkers leven in vochtige en warme, tropische gebieden. De meeste soorten zijn bodembewoners, sommige soorten zijn juist in bomen te vinden. Het voedsel bestaat uit insecten en andere kleine ongewervelden. Veel soorten zijn erg giftig en hebben hierdoor weinig vijanden.

Bekende soorten zijn de aardbeikikker (Oophaga pumilo), de bijengifkikker (Dendrobates leucomelas) en ten slotte de zeer giftige soort Phyllobates terribilis. Een aantal soorten wordt wel als exotisch huisdier in een paludarium gehouden. Kikkers in gevangenschap zijn overigens niet giftig.

Naamgeving Pijlgifkikkers worden ook wel gifkikkers of boompadden genoemd. Ze danken hun Nederlandstalige naam aan hun giftige huid. Van een aantal soorten is bekend dat ze extreem giftig zijn voor gewervelde dieren. Ook in andere talen wordt de groep als zodanig aangeduid, zoals het Engelse 'poison dart frogs' en het Italiaanse 'rane da veleno per le frecce' en het Noorse 'pilgiftfrosker'. In het Duits worden de kikkers ook wel 'Baumsteigerfrösche' genoemd, wat vrij vertaald boomklimkikkers betekent.

De wetenschappelijke naam Dendrobatidae betekent letterlijk 'boomwandelaars', afgeleid van het Oudgriekse δένδρον, dendron, dat 'boom' betekent en βάτης, batēs voor 'wandelaar'.

Verspreiding en habitat thumb|left|290px|Wereldwijde verspreiding in het zwart. Pijlgifkikkers komen voor in noordelijk Zuid- en zuidelijk Midden-Amerika. De meeste soorten komen voor in de noordwestelijke delen van Zuid-Amerika.

Pijlgifkikkers leven in de landen Bolivia, Brazilië, Colombia, Costa Rica, Ecuador, Frans-Guyana, Guyana, Nicaragua, Panama, Peru, Suriname en Venezuela. Het verspreidingsgebied kent twee 'gaten' waar de kikkers niet voorkomen. Dit zijn de berggebieden rond de Julianatop in Suriname en de Roraima in Venezuela.Wat betreft hoogteverspreiding komen de verschillende soorten voor van laaglanden nabij zeeniveau tot echte berggebieden tot 2000 meter boven zeeniveau.

De habitat bestaat uit vochtige, tropische bossen met weinig temperatuurfluctuaties en een hoge relatieve luchtvochtigheid. Met name de luchtvochtigheid is belangrijk, pijlgifkikkers kunnen binnen korte tijd uitdrogen. thumb|260px|Andinobates dorisswansonae is alleen bekend uit Colombia. De meeste soorten leven op de bodem, dergelijke soorten kruipen door de schaduwrijke strooisellaag van het bos. Vaak groeien op de bodem planten als varens en mossen. Water wordt onttrokken uit dauw en plasjes water op de bosbodem. Van de boombewonende soorten leeft het grootste deel op een hoogte tot ongeveer twee meter en zelden hoger. Slechts enkele soorten zijn aan te merken als bewoners van hoge bomen, en brengen het grootste deel van hun leven op grote hoogte door.

Andere soorten leven bij beken en stroompjes en kruipen over stenen langs oevers. Ze springen bij gevaar in het water en vluchten ver weg van een beek zodra het hard gaat regenen. Dit gedrag dient waarschijnlijk om te voorkomen dat de dieren worden weggespoeld. Tijdens of na een grote regenbui stijgt het waterpeil aanzienlijk waarbij de stroomsnelheid sterk toeneemt en de territoria worden overspoeld. Als het waterpeil weer zakt keren de kikkers terug en nemen een nieuw territorium aan.

Pijlgifkikkers leven altijd in dichtbegroeide gebieden zoals bossen. Voorbeelden van typen bossen die geschikt zijn als habitat zijn bergbossen, nevelwouden, bamboebossen en kustbossen. Van een aantal soorten is bekend dat ze zich kunnen handhaven in door de mens aangepaste streken. Een voorbeeld is de soort Ameerega silverstonei, die veel wordt aangetroffen in theeplantages.

Uiterlijke kenmerken thumb|260px|De verschillende variaties van Ranitomeya imitator, met bijbehorend verspreidingsgebied, klik voor vergroting. thumb|260px|De verbrede tenen zijn goed te zien bij Dendrobates tinctorius.

Kop De kop is typisch kikkerachtig; de kop is peervormig maar duidelijk afgeplat. De trommelvliezen of tympana zijn zoals bij alle kikkers niet in een holte geplaatst maar aan het kopoppervlak gepositioneerd. De trommelvliezen zijn achter de ogen gelegen, ze zijn altijd veel kleiner dan het oog. Pijlgifkikkers kunnen niet best horen; wel kunnen ze trillingen waarnemen. De ogen zijn aan de zijkanten van de kop gelegen. Met de ogen kunnen ze alleen beweeglijke objecten waarnemen, omdat hun zenuwstelsel niet is ingericht op het herkennen van lichtpatronen, maar alleen lichtverschuivingen, dus beweging. Pijlgifkikkers hebben geen gifklieren achter de ogen die bij andere kikkers wel voorkomen, deze klieren worden de parotoïden genoemd.

De mannetjes hebben een kwaakblaas aan de keel die gebruikt wordt om een vrouwtje te lokken. De kwaakblaas is duidelijk zichtbaar en bij veel soorten zijn de kwaakgeluiden duidelijk hoorbaar.

Lichaam Pijlgifkikkers worden niet erg groot, gemiddeld worden ze ongeveer 2 tot 4 centimeter lang. De kleinste soorten bereiken een lichaamslengte van iets meer dan een centimeter, zoals de tot 13 millimeter lange Andinobates claudiae. Grotere soorten zoals uit het geslacht Aromobates kunnen tot 6 centimeter lang worden. Opmerkelijk is dat de mannetjes altijd ongeveer even groot zijn als de vrouwtjes. Bij vrijwel alle andere kikkers zijn de vrouwtjes beduidend groter dan de mannetjes. Mannetjes hebben vaak hetzelfde kleurpatroon als vrouwtjes zodat dit ook geen duidelijk geslachtsonderscheid geeft. Van een aantal soorten kunnen de mannetjes worden onderscheiden aan de sterker verbrede tenen in vergelijking met die van vrouwtjes.

De huid is meestal glad, sommige soorten hebben duidelijke wratachtige huidklieren maar bij geen enkele soort is de huid sterk wratachtig van structuur zoals bij veel padden het geval is. Bij enkele soorten komt een fijn gekorrelde (ook wel: gegranuleerde) klierstructuur voor.

Pijlgifkikkers staan vooral bekend om hun grote variatie aan felle lichaamskleuren. Sommige soorten hebben een onopvallende zoals de soorten uit het geslacht Aromobates, maar de meeste pijlgifkikkers hebben een uitzonderlijke bonte kleurentekening. De kleuren kunnen variëren van geel, oranje, groen en rood, zelfs blauwe kleuren komen voor. Bij sommige soorten zijn de kikkers geheel uniform gekleurd, andere soorten hebben fel gekleurde strepen of vlekken op een donkere tot zwarte achtergrond. Pijlgifkikkers kennen soms vele variaties binnen een enkele soort.

Enkele voorbeelden van kleurschakeringen die bij de pijlgifkikkers voorkomen zijn: De driekleurige gifkikker (Epipedobates anthonyi), heeft een rode lichaamskleur met drie afstekende, groene lengtestrepen op de rug. De bijengifkikker (Dendrobates leucomelas), die een gitzwarte kleur heeft met heldere gele dwarsbanden. De aardbeikikker (Oophaga pumilo) heeft een rood gekleurd lichaam met blauwe poten.

Van de soort Ranitomeya imitator is bekend dat er verschillende kleurenvariaties bestaan die lijken op andere soorten pijlgifkikkers. Omdat het verspreidingsgebied van Ranitomeya imitator erg groot is, overlapt het areaal met dat van andere soorten die er verschillend uitzien. De pijlgifkikker bootst deze verschillende soorten na, wat mimicry wordt genoemd. In delen waar soorten voorkomen die een zwarte kleur met gele strepen hebben, heeft Ranitomeya imitator eenzelfde tekening. Als er soorten voorkomen die een zwarte kleur met gele dwarsbanden hebben, dan wordt deze tekening nagebootst.

Poten Veel soorten hebben kleine pootjes die bovendien vrij dun zijn, pijlgifkikkers kunnen toch vrij grote sprongen maken als ze bijvoorbeeld moeten vluchten. De poten zijn relatief krachtig en de kikkers kunnen ook goed klimmen. Op de toppen van de vingers en de tenen zijn verdikkingen aanwezig die bestaan uit kliercellen. De uiteinden van de vingers en tenen hebben hierdoor een enigszins spatelachtige vorm.

De poten van pijlgifkikkers dragen nooit zwemvliezen zoals bij andere families voorkomt. De poten van de mannetjes ontwikkelen bij veel kikkers verdikte structuren aan de binnenzijde, de zogenaamde copulatieborstels. Deze dienen om een vrouwtje beter vast te kunnen houden tijdens de amplexus. Bij de pijlgifkikkers ontbreken dergelijke structuren echter.

Onderscheid met andere groepen Pijlgifkikkers kunnen door hun felle kleuren en kleine lichaam slechts met enkele andere groepen van kikkers worden verward. Een van deze groepen zijn de soorten uit het geslacht Mantella en de familie Mantellidae. Dit zijn eveneens kleine, felgekleurde kikkers die echter niet direct verwant zijn. Net als pijlgifkikkers vergaren zij gif (alkaloïden) uit mieren. Mantella's komen echter alleen voor op het Afrikaanse eiland Madagaskar. De grote gelijkenis met de pijlgifkikkers wordt als een vorm van convergente evolutie beschouwd, zowel (eerst) van de gifdragende mieren als daarna van de kikkers. (2005) "Convergent evolution of chemical defense in poison frogs and arthropod prey between Madagascar and the Neotropics". PNAS 102(33):11617–11622.

Ook sommige boomkikkers (Hylidae) en rietkikkers (Hyperoliidae) hebben felle kleuren, zoals Afrixalus paradorsalis. Deze soorten zijn echter gemakkelijk te onderscheiden aan de op zuignapjes gelijkende hechtschijfjes die bij de pijlgifkikkers altijd ontbreken.

Voedsel thumb|260px|Pijlgifkikkers zijn goede springers, afgebeeld is Silverstoneia flotator. Pijlgifkikkers eten in de natuur verschillende insecten en andere zeer kleine geleedpotigen zoals kevertjes, mijten, mieren en termieten. Met name de mieren die op het menu staan bevatten gifstoffen die door de kikkers worden gebruikt om vijanden te vergiftigen. Ook bepaalde giftige kevers uit de familie Melyridae worden waarschijnlijk gegeten. De pijlgifkikkers zijn bestand tegen het gif in de gegeten prooidieren en zijn in staat het gif op te slaan in het lichaam en meer specifiek in de klieren van de huid. Oorspronkelijk komt het gif uit planten die door de mieren en kevers werden gegeten. Planten maken het gif aan om zich te verdedigen tegen insecten. Plantenetende insecten nemen het gif dan op en worden later door de pijlgifkikkers gegeten die het vergif als het ware recyclen.

In gevangenschap opgegroeide pijlgifkikkers zijn niet giftig. Er wordt aangenomen dat wildvangdieren die in gevangenschap worden gebracht na enige tijd hun giftigheid verliezen, omdat het gif niet meer uit het dieet wordt aangevuld.

Dit principe van 'geleend' gif komt ook voor bij andere kikkers zoals de gelijkende soorten uit het geslacht Mantella en bij veel Zuid-Amerikaanse hoornkikkers (Ceratophrys), maar ook bij geheel andere dieren, zoals kreeften en inktvissen.

Voortplanting en ontwikkeling thumb|260px|Kwakend mannetje van de gestreepte pijlgifkikker. thumb|260px|Mannetje Colostethus panamensis met larven op de rug. Een aantal soorten pijlgifkikkers heeft bromelia-achtige planten nodig waar water in blijft staan. Hierdoor hebben ze een eigen waterreservoir (phytotelma), dat insecten aantrekt welke vervolgens door de larven worden gegeten. Ook zorgt het watertje voor een voldoende vochtige omgeving en biedt een goede schuilplaats tegen vijanden. Ten slotte worden vaak de eitjes afgezet in dergelijke poeltjes, zodat de planten een belangrijke schakel vormen in de voortplantingscyclus van de pijlgifkikkers.