Ideologie is het geheel van ideeën over de menselijke natuur, menselijke relaties, en de gewenste inrichting van een maatschappij, zoals dat leeft binnen een bepaalde maatschappelijke groep. Een dergelijke groep betreft bijvoorbeeld een politieke partij, een denkstroming of een sociale klasse.

Het begrip 'ideologie' is, binnen de sociale wetenschappen, een belangrijk concept om politiek gedrag en denken te analyseren.

Begripsgeschiedenis Destutt de Tracy en Napoleon De term ideologie werd in 1796 voor het eerst gebruikt door Antoine-Louis-Claude Destutt de Tracy, om te verwijzen naar de 'wetenschap van ideeën' (van het Oudgriekse 'idea' en 'logos'). Destutt de Tracy, beïnvloed door de ideeën van de Verlichting, was er van overtuigd dat er nood was aan een wetenschap die de aard, de evolutie en het ontstaan van ideeën in kaart zou brengen. Ideologie moest voor de Tracy de nieuwe koningin der moderne wetenschappen worden. In zijn visie zou een wetenschap, die zich niet bewust was van de "wetmatigheden van het denken", altijd blind blijven. miniatuur|Antoine-Louis-Claude Destutt de Tracy gebruikte voor het eerst de term 'ideologie.' Deze getrapte visie op de wetenschap lag aan de basis van zijn magnum opus: Eléments d’idéologie. In het eerste boekdeel wordt de wetenschap van de ideeën uiteengezet, de latere delen bevatten steeds de basis voor een andere vakwetenschap: logica, moraliteit, grammatica, politieke economie, sociale organisatie, fysica, geologie en calculus. Vooral zijn visie op sociale organisatie en politieke economie bleek echter zeer controversieel. Destutt de Tracy was een vurig bepleiter van de verklaring van de mensenrechten, vrijhandel, het beperken van de uitvoerende macht en een repressief beleid. Ideologie was meer dan een wetenschap. Het was een filosofische en een politieke beweging.

Aanvankelijk was Napoleon Bonaparte, de toenmalige leider van Frankrijk, een voorstander geweest van de ideologen, aangezien zij een wetenschappelijke legitimatie konden bieden voor zijn regime. Destutt de Tracy en de ideologen lieten zich over de jaren heen echter toenemend kritisch uit over het napoleontische regime. Na de Malet-samenzwering, een mislukte coup waarin ook enkele ideologen betrokken waren, begon Napoleon de term 'idéologue' steeds negatiever te gebruiken. Ideologen, aldus Napoleon, waren naïeve idealisten, die zich lieten leiden door abstracte theorieën, en die hun handen niet vuil wilden maken. Het is deze betekenis van het woord, die meestal gebruikt werd om revolutionairen zwart te maken, die later gepopulariseerd werd in de rest van Europa.

Marx Alhoewel Marx vertrouwd was met het werk van Destutt de Tracy, en kritieken heeft geschreven op diens visie op de economie, komt zijn gebruik van de term 'ideologie' waarschijnlijk van Napoleon. Ten tijde van Marx verwees de term ideologie naar een reeks intellectuelen en revolutionairen, die men vandaag de dag 'liberaal' zou noemen. In zijn Die Deutsche Ideologie, omschrijft Marx ideologie als een denksysteem waarin hoe een samenleving over zichzelf denkt, niet overeenkomt met de werkelijke verwerkelijking ervan. Een ideologie verhult dan de daadwerkelijke maatschappelijke-sociale verhoudingen, zoals de maatschappij daadwerkelijk in zijn werking gaat. Marx gebruikt de term zelf sporadisch, en werkt de term niet systematisch uit: Engels gebruikt de term vaker.

Marx werkt een theorie van kritiek uit in De Duitsche Ideologie en Das Kapital. Kritiek moet de maatschappij toetsen aan de principes die zijzelf poneert. Elke maatschappij heeft een bepaald zelfbeeld van zichzelf. Deze principes worden als waar geacht, denk aan een "vrije, gelijke maatschappij." Deze principes komen enkel niet overeen met de daadwerkelijke werking van die maatschappij. Zo zijn arbeiders in de cirkel van de productie onderworpen aan hun werkgever, en niet economisch gelijk en vrij. De principes van 'vrijheid en gelijkheid' waarmee de samenleving zichzelf denkt, verhullen dan de daadwerkelijke onderliggende sociale-verhoudingen. Marx pleit vervolgens dat die maatschappelijke verhoudingen moeten worden ontmaskert aan de hand van haar eigen principes. Zo kunnen de principes veranderen, en de maatschappij zichzelf veranderen en emancipatorisch verbeteren.

Marx, die vooral bekend is om zijn kritiek op het kapitalisme, geloofde dat er in de maatschappij verschillende economische groepen - sociale klassen - voorkomen: groepen mensen met een gelijkaardige rol in het economisch productieproces, en daardoor met vergelijkbare belangen en zorgen. De twee grootste klassen zijn de burgerij (bourgeoisie) en de werkende klasse (proletariaat). De bourgeoisie bezit de productiemiddelen, en moet arbeiders inhuren om met deze middelen producten te vervaardigen. Het proletariaat bestaat uit mensen die, om te overleven, hun arbeid aan anderen verkopen, in de vorm van loonarbeid. Volgens Marx wordt het proletariaat duidelijk benadeeld in deze relatie. De reden dat zij niet in opstand komt, is dat de bourgeoisie theorieën verspreidt die de ongelijke en uitbuitende relaties tussen de verschillende klassen goedpraten. Deze denksystemen noemt Marx 'ideologieën'.

Dit is nauw verbonden met zijn term van "verdinglijking", dat later overgenomen en verfijnd wordt door de kritische theorie in de term 'reïficatie". Verdinglijking is een ideologie: sociaal-maatschappelijke relaties worden tot object gemaakt, dat zelf lijkt te handelen. Zo wordt 'de markt' beschreven als iets dat onderdrukt, alsof het een subject is dat zelf kan handelen. De markt wordt zo tot boosdoener gemaakt: "de markt laat dat niet toe, de arbeidsmarkt is verzadigd,' etc. In werkelijkheid verhult de term de sociaal-maatschappelijke relaties die daaraan ten grondslag liggen: de kapitalistische samenleving wordt zo voor Marx troebel, en later opaak.

Marxisme Het denken van Marx lag aan de basis van een van de invloedrijkste politieke tradities van de twintigste eeuw: het marxisme. Binnen het marxisme behield het concept ideologie ook een centrale rol, om te verklaren waarom de armen niet in opstand komen tegen hun economische achterstelling. Vladimir Lenin, de eerste leider van de Sovjetunie, definieerde ideologie als het denksysteem dat vormgeeft aan het revolutionair handelen van een sociaal-economische groep. Lenin was ervan overtuigd dat eerdere pogingen tot revolutie mislukt waren doordat het proletariaat geen duidelijke ideologie had. Daarom was er volgens hem nood aan een voorhoedepartij, geleid door intellectuelen, die een coherente ideologie zouden opleggen aan het proletariaat.

Louis Althusser Een andere belangrijke naam in de ontwikkelingsgeschiedenis van ideologie als term is de Franse filosoof Louis Althusser. Althusser was vooral geïnteresseerd in de vraag hoe systemen van dominantie, zoals het kapitalisme, zichzelf in stand houden. Hij geloofde dat dit gebeurt op basis van een repressief en een ideologisch gedreven, 'staatsapparaat'. Het repressief staatsapparaat is het geheel van maatschappelijke instituties dat door repressie en dwang mensen in het gareel kan houden. Voorbeelden zijn het leger en de politie. Het ideologisch staatsapparaat verwijst naar de instituties die via overtuiging en het verspreiden van ideeën de macht in handen houden. Voorbeelden zijn scholen, kerken en de media. Bij Althusser verwijst ideologie dus naar een denksysteem dat mensen in het gareel houdt.

Antonio Gramsci Een laatste belangrijke naam is die van Antonio Gramsci, een Italiaanse marxist en politieke actor ten tijde van het bewind van Mussolini. Net als Althusser was ook Gramsci geïnteresseerd in de wijze waarop het kapitalisme en andere systemen zichzelf kunnen reproduceren, en ook hij dacht dat ideologie hier een centrale rol in speelde. Eerder dan te spreken over een Ideologisch Staatsapparaat sprak Gramsci echter over hegemonie. Hegemonie is een theorie of een set waarden die cultureel door vrijwel iedereen als waar of vanzelfsprekend wordt aangenomen. Een hegemonie wordt niet bewust ontworpen, maar ontstaat op een natuurlijke wijze, wanneer mensen lange tijd onder een bepaalde machtsstructuur leven. Een ideologie verwijst in de filosofie van Gramsci naar een denksysteem dat streeft naar dominantie en deel wil uitmaken van de hegemonie.

Opvallend aan al deze denkers is dat zij de term ideologie niet meer louter in een negatieve betekenis gebruiken. Waar Napoleon en Marx ideologie gebruikten als een verwijt, zien we bij deze denkers dat zij ideologie zien als een neutraal begrip dat naar politieke tradities en groepen verwijst.

Politieke wetenschappen na de Tweede Wereldoorlog In de politicologie of politieke wetenschappen werd voor de tweede wereldoorlog zelden naar de term 'ideologie' verwezen. De term werd toen nog sterk geassocieerd met revolutionairen en radicalen (de betekenis van Napoleon) of met de filosofie van Marx. Na 1945 kreeg de term op korte tijd een meer centrale plaats in de jonge politieke wetenschap. Hiervoor bestaan meerdere verklaringen.

Allereerst waren er in Europa twee belangrijke politieke ontwikkelingen, die het jonge domein van de politieke wetenschappen zouden domineren: het ontstaan van de Sovjet-Unie na de Russische revolutie en de opkomst van het fascisme in een hoop Europese landen. Tot dan toe hadden veel politieke wetenschappers geloofd dat een democratisering van een land per definitie hand in hand ging met burgerrechten, een vrije markteconomie en parlementarisme. De opkomst van het fascisme en het communisme ging gepaard met een verdere polarisatie binnen de meeste liberale democratieën. Politieke partijen die tot dan toe vooral gezien werden als belangengroepen, begonnen zichzelf steeds meer te definiëren op basis van een partijprogramma. Parallel met fascisme en communisme wonnen dan ook termen als socialisme, liberalisme, conservatisme, nationalisme en christendemocratie aan belang. 'Ideologie' verwees in deze context naar manieren om een samenleving te organiseren.

Na 1945 verloor het fascisme, maar won het communisme aan politicologisch belang, binnen de context van de Koude Oorlog. Het is op dit moment dat veel mensen de term ‘ideologie’ beginnen te gebruiken om te verwijzen naar politieke doctrines. Er ontstond ook een nieuw -isme om te verwijzen naar alle politieke tradities die de ideeën van het liberalisme afwezen: het totalitarisme. Twee werken over totalitarisme hebben een zeer grote impact gehad op het moderne begrip van ideologie: On the Origins of Totalitarianism van Hannah Arendt en The End of Ideology van Daniel Bell.

In haar baanbrekende analyse van fascisme en communisme, poneerde Arendt de hypothese, dat ideologieën bouwplannen voor de samenleving zijn, die politieke actoren motiveren om te handelen. Wanneer ze deze bouwplannen te strikt toepassen zal dit echter ten koste gaan van de vrijheid van de bevolking. Iedere ideologie draagt dus een kiempje van totalitarisme in zich. Deze analyse sluit nauw aan bij die van Daniel Bell, die stelde dat de Holocaust en de Koude Oorlog hadden aangetoond dat de grote ideologieën, hier in de zin van politieke filosofieën, van de negentiende eeuw gefaald waren. De aanhangers van een ideologie bekeken de wereld steeds vanuit het perspectief van hun theorieën, ten koste van wat waar en goed is. Bell werd hierin gesteund door filosofen als Albert Camus en Karl Popper.