Het paard (Equus ferus caballus) is een hoefdier uit de familie van de paardachtigen (Equidae). Het is een gedomesticeerde ondersoort van het wild paard (Equus ferus) en behoort samen met onder andere ezels en zebra's tot het geslacht Equus. Het gedomesticeerde paard wordt voornamelijk gehouden als rij-, last- en trekdier. Ook bestaan er uiteenlopende vormen van paardensport, zoals de dressuur.

De domesticatie van het paard vond vermoedelijk plaats op de Euraziatische steppe rond 4000 v. Chr. Sindsdien heeft het dier een belangrijke rol gespeeld in de menselijke geschiedenis. Paarden werden gebruikt voor vervoer, landbouw, handel en oorlogsvoering. Door eeuwenlange selectie en fokkerij zijn meer dan driehonderd paardenrassen ontstaan, die onder andere verschillen in schofthoogte, temperament, snelheid en uithoudingsvermogen.

Paarden zijn sociale grazers die van nature in kuddeverband leven. Ze zijn evolutionair aangepast aan het leven in open landschappen. Hun krachtige lichaamsbouw en lange ledematen stellen hen in staat hoge snelheden te bereiken, een belangrijke aanpassing om aan roofdieren te ontsnappen. Paarden beschikken over een sterk ontwikkeld evenwichtsgevoel en een sterk vluchtinstinct.

Rond het paard en de paardenhouderij is een uitgebreide vakterminologie ontstaan, die betrekking heeft op onder meer de anatomie, kleurslagen, voortbeweging (gangen), uitrusting en het gedrag van het dier.

Terminologie thumb|Donkerbruine ruin, 10 jaar oud thumb|Veulen en merrie in galop thumb|Paarden in verschillende situaties op een centsprent (ca. 1860), o.a.: als veulen, volgroeid, mee op jacht, uit rijden met een heer, op het ijs met een arreslee, voor een rijtuig, als trekpaard voor ploeg en eg, voor de hooiwagen, een huifkar, diligence en trekschuit

Hengst: een mannelijk paard Merrie: een vrouwelijk paard Veulen: een paard tot één jaar oud Jaarling of enter: een paard tussen de één en twee jaar oud Twenter: een paard tussen de twee en drie jaar oud Ruin: een gecastreerd mannelijk paard Dekhengst: een hengst die is goedgekeurd om mee te fokken Pony: kleinere paardenrassen die volwassen een schofthoogte van minder dan 148 cm hebben. Uitzonderingen zijn bijvoorbeeld de paardenrassen arabier, ijslander, haflinger en fjord. Deze blijven doorgaans onder de 147,3 cm maar worden wel tot de paardenrassen gerekend.

Synoniemen voor paard zijn onder meer knol en ros. Knol is een informele aanduiding voor een – meestal oud en slecht – paard. Ros wordt wel gebruikt in de combinatie edel ros. Naar de functie of context worden boerenpaard, harddraver, karrenpaard, pakpaard, renpaard, rijpaard, strijdros, trekpaard en werkpaard onderscheiden.

Omdat het paard als een edel dier wordt beschouwd, worden door paardenliefhebbers zoals ruiters en koetsiers gewoonlijk de termen hoofd, mond en benen gebruikt in plaats van kop, bek en poten. Deze gewoonte heeft zich inmiddels ook in het dagelijks spraakgebruik doorgezet.Paard: poten + kop / benen + hoofd, Onze Taal. Gearchiveerd op 4 maart 2016. Het was niet-moslims (dhimmi) in de islamitische rijken dan ook verboden om op paarden (of kamelen) te rijden; zij moesten zich behelpen met ezels.

Naamgeving De wetenschappelijke naam van het gedomesticeerde paard werd door Carl Linnaeus in 1758 gepubliceerd als Equus caballus. (1758): Systema naturae 10e druk, deel 1: 73. Gearchiveerd op 29 oktober 2023. De naam van het wilde paard, waarvan het gedomesticeerde paard afstamt, werd in 1785 door Pieter Boddaert gepubliceerd als Equus ferus. (1785). Elenchus animalium deel 1: 159 Van veruit de meeste dieren die gedomesticeerd zijn, is de wetenschappelijke naam afgeleid van de naam van de in het wild levende voorouders. In 2003 stelde de International Commission on Zoological Nomenclature in Opinion 2027 vast dat dit principe voor alle gedomesticeerde soorten gevolgd moest worden, en dat de naam van de wilde soort prioriteit heeft over die van de gedomesticeerde vorm, ook als die laatste eerder is gepubliceerd. Als het gedomesticeerde paard wordt beschouwd als een ondersoort van het wilde paard, dan is de correcte naam voor de soort Equus ferus, en het trinomen voor de ondersoort Equus ferus caballus. De naam Equus is Latijn voor paard. Het epitheton ferus betekent wild. Het epitheton caballus is vanuit het Keltisch doorgedrongen in het vulgair Latijn en de meeste Romaanse talen en betekent eveneens paard. In de term cavalerie is de deze naam ook terug te vinden.

Anatomie Het paard behoort tot de onevenhoevigen (Perissodactyla) en heeft per been slechts één teen. Van oorsprong heeft een paard vijf tenen, en de hoef is feitelijk de vergrote nagel van de middelvinger. Overblijfselen van de andere tenen zijn de griffelbeentjes (ring- en wijsvinger), de zwilwratZwilwratten, hebben ze een functie en moet je ze verzorgen?, geraadpleegd 12-01-2024. Gearchiveerd op 12 januari 2024.Betekenis van zwilwrat in de Nederlandse taal, geraadpleegd 12-01-2024 (In andere talen meestal een veriant van het lokale woord voor "kastanje".)The practice of removing chestnuts, geraadpleegd 12-01-2024. Gearchiveerd op 11 januari 2024. (duim) en het spoortje (pink).

Skelet thumb|Anatomie van het paard Het skelet van een paard heeft gemiddeld zo'n 205 botten. Een opmerkelijk verschil tussen het skelet van een paard en dat van een mens is het ontbreken van een sleutelbeen: de voorbenen van het paard zijn gekoppeld aan de wervelkolom door middel van een aantal sterke spieren, pezen, en ligamenten die het schouderblad koppelen aan de romp. De botten van hun benen zijn proportioneel verschillend van die van een mens. Bijvoorbeeld: het lichaamsdeel dat de knie van het paard wordt genoemd, bestaat eigenlijk uit de handwortelbeenderen die overeenkomen met de pols van de mens. Het spronggewricht komt overeen met de botten in de enkel en hiel van de mens. De lager gelegen botten in de benen van een paard komen overeen met de botten uit de hand of voet van een mens, en de koot is feitelijk het proximale sesambeen tussen het kanonbeen (equivalent van het middenhandsbeen of middenvoetsbeen) en de proximale falangen, die zich bevinden waar men bij de mens de knokkels vindt. Een paard heeft geen spieren in zijn benen onder de knie en het spronggewricht, alleen huid, haar, pezen, ligamenten, kraakbeen, en de hoornachtige weefsels waaruit de hoef bestaat.

Gebit Paarden zijn planteneters (herbivoren), maar geen herkauwers. De voortanden gebruiken ze om gras en dergelijke mee af te rukken, waarna dit door de kiezen vermalen kan worden. Paarden hebben in totaal zesendertig of veertig tanden. Een hengst heeft vier extra tanden tussen de snijtanden en voorkiezen: de haaktanden. In zowel de boven- en onderkaak hebben een hengst en een merrie verder zes snijtanden, zes voorkiezen en zes kiezen. Tussen de snijtanden (voortanden) en de voorkiezen zitten de tandeloze kaakranden (diasteem), de lagen. Hierop ligt tijdens het rijden het bit.

Grootte en meting De hoogte van een paard wordt stokmaat genoemd en wordt traditioneel gemeten bij de schoft, het punt waar de nek en de rug samenkomen. In de Angelsaksische landen wordt de hoogte van een paard gemeten in hands en inches: één hand is gelijk aan vier inches (101,6 mm). De hoogte wordt dan aangeduid als het aantal hands, gevolgd door een punt, dan het aantal inches en ten slotte de letter h van hands. In Nederland en België worden meters gebruikt. Een pony heeft een schofthoogte tot 1,47 m, bij een schofthoogte van 1,47 m tot 1,57 m is het een klein paard, ook wel E-pony of damespaard, en bij een schofthoogte van 1,57 m en hoger is het een paard.

De schofthoogte van volwassen paarden varieert per ras, maar wordt ook beïnvloed door voeding: de falabella, een miniatuurpaard, wordt slechts zo'n 60 cm hoog, terwijl andere rassen wel twee meter kunnen halen. Lichte rijpaarden variëren in hoogte van 142 tot 163 cm en wegen daarbij zo'n 380 tot 550 kilogram. Grotere rijpaarden beginnen vanaf ongeveer 157 cm, en worden tot 173 cm groot. Ze hebben daarbij een gewicht van 500 tot 600 kg. Zware of koudbloedpaarden zijn doorgaans ten minste 163 tot 183 cm hoog, waarbij ze 700 tot 1000 kg wegen.

Het grootste paardenras is de shire. Het grootst bekende paard was een 19e-eeuwse shire-ruin genaamd Mammoth, die werd geboren in 1846 en eerst Sampson werd genoemd. De schofthoogte was in 1850 ruim 219 cm, bij een gewicht van 1524 kilogram. De huidige recordhouder voor 's werelds kleinste paard is Thumbelina, een volwassen miniatuurpaard dat lijdt aan dwerggroei. Het is 43 cm hoog en weegt 26 kg.

Bloed Paarden hebben zeven verschillende bloedgroepen: A, C, D, K, P, Q en U.

Vacht De vacht kan zowel effen gekleurd zijn als bont. Veelvoorkomende kleuren zijn bruin (met zwarte manen en staart), zwart, voskleurig (bruinrood), geel en vaal (geel-grijs, soms neigend naar bruin of blauw). De manen, het lange haar op de bovenzijde van de hals, zijn vermoedelijk ontstaan als bescherming tegen roofdieren zoals katachtigen, die het paard op de rug springen en in de nek bijten. Door dan de aanvaller met bokkende bewegingen van zich af te schudden, verliest het paard enkel wat van zijn manen. De staart wordt gebruikt om insecten te verjagen.

Een paard vermijdt oververhitting door te zweten. Het zweet bevat veel olie, waardoor bij een grote langdurige inspanning bij warm weer schuim ontstaat. Een paard kan in het algemeen slecht tegen de hitte en leeft niet lang in de tropen.

Vachtkleur

thumb|Een cremello beleeft zijn oude dag in een Belgische boomgaard; aan de doorzichtige huid van de oren is te zien dat dit geen schimmel is De kleur van paarden wordt bepaald door hun vacht, maar bij lichtere kleuren mede door hun huid. Van beide is de kleur genetisch bepaald. Paardenrassen die dicht bij hun wilde voorouders staan vertonen vaak nog een zogenaamde aalstreep vanaf de schoft over de rug naar de staart en zebrastrepen aan de achterkant van de voorbenen. Przewalski's hebben ook wel voor op de voorbenen strepen.

De schimmel is een donkerhuidig paard met een dominant gen dat ervoor zorgt dat de haarkleur in de loop der tijd steeds lichter wordt.

De vos is roodbruin zonder zwarte aftekeningen. De manen en staart zijn een beetje lichter of donkerder dan de lichaamskleur. De vos kan witte aftekeningen hebben op voeten, benen en hoofd. Er zijn verschillende soorten vos, zoals leemvos, koffievos of koolvos. De verschillen worden bepaald door meer of minder aanleg voor roodgouden tinten. De leemvos heeft een lichte, leverkleurige vacht.

Een palomino is egaal goudkleurig met lichte manen en staart. Dit wordt veroorzaakt door een specifiek gen, maar omdat dit gen niet volledig dominant is, geldt dit kleurslag niet als een ras. Een kruising van twee palomino's levert voor de helft palomino's, en een kruising van een cremello met een vos levert gewoonlijk een palomino op. Ook paarden die door een andere gencombinatie toevallig de gouden kleur hebben, worden gewoonlijk als palomino beschouwd.

Een wit paard heeft blauwe ogen en een lichte vacht waar de roze huid soms doorheen schijnt. Dit heeft niets te maken met een schimmel die immers een zwarte huid heeft. Sommige cremello's hebben last van de zon, maar zeker niet alle.

Dominant-witte paarden, in de regel albino's genoemd, verschillen van schimmels door het nagenoeg ontbreken van huidpigment en het gewoonlijk verminderde gezichtsvermogen. Deze paarden zijn overgevoelig voor zonlicht.

Zintuigen miniatuur|Het oog van een paard miniatuur|links|Een close-up van het oor van een paard