Stanley Michael Bailey "Mike" Hailwood (Thame, 2 april 1940 – Birmingham, 23 maart 1981), MBE, GM was een Brits auto- en motorcoureur. Hij wordt als een van de beste coureurs uit de geschiedenis beschouwd en werd in 1999 door zijn collega's en de internationale motorpers gekozen tot beste motorcoureur van de 20e eeuw. Hij baarde opzien door elf jaar nadat hij gestopt was met racen de Formula One TT van 1978 te winnen. Hailwood was drager van een hoge Britse onderscheiding voor dapperheid; de George Medaille, zijn bijnaam was "Mike the Bike". Privéleven Mike Hailwood was de zoon van Stan Hailwood, miljonair, voormalig autocoureur en grasbaanrenner en eigenaar/directeur van Kings of Oxford, een van de grootste motorzaken in het Verenigd Koninkrijk met vijftig filialen. Stan had zijn zoon al toen hij zeven jaar was een kleine motorfiets en een kleine auto geschonken, beiden voorzien van een 100cc-tweetaktmotortje. Mike reed toen nog rond het ouderlijk huis, maar toen hij dertien jaar was vond Stan hem oud genoeg om de Jaguar XK120 van zijn moeder van kostschool naar huis te rijden. Toen hij veertien was had hij een 200cc-James Trials. Stan bezorgde hem een baantje als loopjongen bij Kings of Oxford, waar hij ook motorfietsen naar het station moest rijden. Dat duurde een kwartier, maar de voorman meldde al snel aan Stan dat Mike er een uur over deed. Stan ontsloeg Mike en bezorgde hem een baantje bij Triumph. Mike dacht dat hij testrijder zou worden, maar vader Stan had gevraagd om "the dirtiest job in the factory". Mike kreeg echter binnen een jaar al een fabrieks-Triumph voor de Scottish Six Days Trial. Stan wist dat Bill Webster een paar MV Agusta-racers bezat en wilde er een kopen. Webster vertelde hem dat Domenico Agusta hem alleen toestemming had gegeven om er topcoureurs op te laten rijden. Ze besloten Mike na de Scottish Six Days te laten starten op Oulton Park, met een opzettelijk te lang gegearde en te ruim afgestelde 125 Bialbero. Bill wilde voor Mike blijven rijden om hem in de gaten te houden, maar Mike passeerde hem en werd elfde in de race. Bill vertelde dat Stan een MV Agusta kon kopen want "je hebt een wereldkampioen in huis". Stan geloofde hem niet. Hij kocht voor Mike een standaard 200cc-MV die tot 240cc werd opgeboord en Mike moest zelf 90 pond opbrengen voor een 50cc-Itom. Daar mocht Mike in nationale wedstrijden mee starten. Stan vroeg oud-coureur Bill Lacey, met wie hij nog op Brooklands geracet had en die Stan's MG's getuned had, om Mike's racemotoren voor het seizoen 1958 te prepareren.

Gedurende het begin van zijn carrière woonde Mike tot hij fotomodel Pauline ontmoette in een flat in Londen. Later woonden ze samen in de winterperiode op de boerderij van Paddy Driver in de buurt van Johannesburg (Zuid-Afrika). Nadat hij zijn autocarrière in 1974 had beëindigd vertrok het gezin Hailwood naar Nieuw-Zeeland, waar Mike een botenbedrijf begon. Hij verveelde zich daar al gauw en begon geleidelijk aan weer met motoren te racen. Het gezin verhuisde naar Tanworth-in-Arden, vlak bij Birmingham.

Mike en Pauline kregen twee kinderen: dochter Michelle in 1971 en zoon David in 1974, maar Mike en Pauline trouwden pas in 1975.

De vlag valt In maart 1981 kwam het bericht van Hailwoods overlijden. Toen hij op zaterdag 21 maart samen met zijn kinderen iets te eten ging halen botste hij tegen een vrachtauto die aan het keren was. Zijn dochtertje Michelle (9) was op slag dood, zoon David (6) werd ernstig gewond in het ziekenhuis opgenomen. Hailwood liep ernstig hoofdletsel op en overleed op maandag 23 maart in het ziekenhuis in Birmingham. Hij was niet meer bij bewustzijn geweest. Zijn kist werd gedragen door Richard Attwood, Giacomo Agostini, Geoff Duke, David Hobbs, James Hunt en John Surtees. Ook Luigi Taveri was bij de uitvaart in St. Mary Magdalene Church in Tanworth.

Pauline beheerde sindsdien de nalatenschap van Mike tot ze in 2020 overleed, David vertegenwoordigt zijn vader soms nog bij racedemonstraties en onthullingen.

Motorcarrière Wereldkampioenschap wegrace

1958 In zijn eerste seizoen werd Mike Hailwood Brits kampioen in de 125cc-, 250cc- en de 350cc-klasse. Hij won de 250cc-race van de North West 200 in Noord-Ierland en scoorde zijn eerste WK-punten door met zijn NSU Sportmax derde te worden in de Lightweight TT. Hier presteerde hij iets dat in de 50-jarige geschiedenis van Man pas drie keer door ervaren coureurs was gedaan; hij won in alle vier klassen waarin hij uitkwam een "replica". Hierbij bleef het niet in dat jaar: Hailwood won op andere circuits tweemaal vier races en zevenmaal drie races op één dag. Hij nam bovendien deel aan de International Six Days Enduro. Hij scoorde ook nog twee podiumplaatsen in de GP van Zweden en sloot het seizoen af met de vierde plaats in het wereldkampioenschap wegrace 125 cc. 1959 Voor het seizoen 1959 kreeg hij een fabrieks-Ducati 125 Trialbero aangeboden. Voor de andere klassen moest vader Stan weer in de buidel tasten: voor de 350cc-klasse kocht hij een AJS 7R "Boy Racer" en voor de 250cc-klasse een Mondial 250 Bialbero. In de 500cc-klasse bleef Mike zijn Norton 30M gebruiken. Vooral met de Ducati was Hailwood succesvol. Hij scoorde derde plaatsen in de GP van Duitsland, de TT van Assen en in de Ultra-Lightweight TT, een race waarin zijn toekomstig werkgever Honda debuteerde en waarin Naomi Taniguchi de eerste Japanner werd die een WK-punt scoorde. Mike Hailwood scoorde zijn eerste overwinning in het WK door de 125cc-race van de Ulster Grand Prix te winnen. Hij was daarmee de jongste WK-winnaar op dat moment. Hij sloot het seizoen af als derde in de 125cc-eindstand. Voor de GP des Nations kreeg hij de beschikking over een MZ RE 250, waarschijnlijk de machine van de niet aanwezige Horst Fügner, maar hij scoorde er geen punten mee. 1960 Voor het seizoen 1960 kreeg hij weer een 125cc-fabrieks-Ducati, maar Stan Hailwood betaalde veel geld om Fabio Taglioni een unieke 250cc-racer te laten bouwen, de Ducati 250 Desmo racer, die feitelijk was opgebouwd uit twee gekoppelde 125 Trialbero-blokjes. Met beide Ducati's was Hailwood in het Brits kampioenschap niet te verslaan, maar in het wereldkampioenschap waren ze geen partij voor de MV Agusta 125 Bialbero en de MV Agusta 250 Bicilindrica. 1961, eerste wereldtitel miniatuur|links|Hailwood op de Norton 30M in 1961 Mike Hailwood begon het seizoen 1961 met een 125cc-EMC, zijn oude Mondial 250 Bialbero, de AJS 7R en de Norton Manx. Stan wist echter bij Honda twee fabrieksracers te huren: een 125cc-Honda 2RC 143 en een 250cc-Honda RC 162. Met die laatste machine werd hij al tweede in de Franse Grand Prix. Pas tijdens de TT van Man beschikte Mike ook over de 125cc-Honda en hij won drie races in één week: de Lightweight 250 cc TT, de Lightweight 125 cc TT en de Senior TT. Als hij geen machinepech had gekregen had hij ook de Junior TT met ruime voorsprong gewonnen. Met de Norton Manx scoorde hij tweede plaatsen in de Franse GP, de TT van Assen, de GP van België en de Ulster Grand Prix. Domenica Agusta bood hem daarom voor de GP des Nations een MV Agusta 500 4C aan (onder de merknaam MV Privat), waarmee Hailwood prompt wist te winnen. Met de MV werd hij ook nog tweede in de GP van Zweden. Hij sloot het 500cc-seizoen af als tweede achter MV-fabrieksrijder Gary Hocking. In de 250cc-klasse ging het nog veel beter. Nadat hij de Lightweight TT had gewonnen, won hij ook de TT van Assen, voor Bob McIntyre en Jim Redman. Dat was Honda waarschijnlijk een doorn in het oog: zowel Hailwood als McIntyre reden met gehuurde motorfietsen en Redman was Honda's beoogde wereldkampioen. In België won Redman voor Honda's andere fabrieksrijder Tom Phillis en Hailwood werd derde. Deze drie stonden nu samen aan de leiding van het wereldkampioenschap. Hailwood won echter ook de GP van de DDR en werd tweede in de Ulster Grand Prix, die werd gewonnen door McIntyre, die geen bedreiging in het WK vormde. Hailwood breidde zijn voorsprong op Redman en Phillis dus nog uit. In de GP des Nations kwamen Redman en Hailwood samen over de finish, maar Redman won met 0,2 seconde verschil. In Zweden won Hailwood overtuigend: Redman werd vierde met een ronde achterstand en Phillis werd zesde met twee ronden achterstand. Daardoor was Mike Hailwood nu al zeker van zijn eerste wereldtitel. Vader Stan hield het geld voor de dure reis naar de GP van Argentinië dan ook in zijn zak. Dat kon hij ook goed gebruiken, want ondanks de wereldtitel stuurde Honda gewoon de rekening voor de huur van de motorfietsen. De wereldtitel was niet voldoende om Honda over te halen Hailwood een contract aan te bieden. Er was ook nog het probleem van de subsponsoring: Hailwood had een contract met Shell en Honda betrok zijn smeermiddelen van Castrol. Het duurde allemaal zo lang dat graaf Domenico Agusta Hailwood op zijn MV Agusta-viercilinders kon zetten. 1962, tweede wereldtitel miniatuur|links|Mike Hailwood jaagt op František Šťastný tijdens de 350cc-race in Assen Zo begon hij aan het seizoen 1962 als fabrieksrijder bij MV Agusta, naast vriend en stalgenoot Gary Hocking in de 350- en de 500cc-klasse. Voor zijn eigen plezier (omdat hij niets liever deed dan racen) kocht hij ook nog een125cc-EMC en een Benelli 250 Bialbero. Gary Hocking won de Senior TT, waar Hailwood na een langdurige koppelingsreparatie slechts twaalfde werd. Hailwood won de Junior TT, waarin Hocking tweede werd. Tijdens deze race verongelukte Tom Phillis, een persoonlijke vriend van Hailwood en Hocking. Gary Hocking werd hierdoor zodanig geraakt dat hij onmiddellijk stopte met racen. Mike Hailwood werd op dat moment de enige fabrieksrijder voor MV Agusta. Hij won alle 500cc-races waarin hij startte en werd tijdens de GP des Nations, met nog twee races te gaan, al wereldkampioen. Hij ging naar de GP van Finland, zonder steun van MV Agusta, dat geen geld meer uitgaf nu de wereldtitel binnen was. Mike kreeg van MZ een MZ RE 125 en nam zijn eigen, oude Norton Manx mee, maar raakte tijdens de trainingen geblesseerd en kon niet starten. MV gaf in de 350cc-klasse na de GP van de DDR de strijd op. Hoewel Hailwood slechts vier punten achterstand had op Jim Redman (Honda) liet men hem niet meer in de GP des Nations starten en Redman kreeg de wereldtitel in de schoot geworpen.

Op persoonlijk vlak was 1962 geen fijn jaar voor Hailwood. Net als Gary Hocking voelde hij zich niet thuis bij MV Agusta. Hij stond op gespannen voet met de autocratische graaf Agusta en kon niet wennen aan het leven in Italië. Dat deed hij dan ook niet: hij betrok een flat in Londen en nam het niet al te serieus met zijn nachtrust. Het overlijden van Tom Phillis en Bob McIntyre raakte hem hard en hij dacht erover te stoppen met racen. De derde klap kwam toen Gary Hocking in december verongelukte tijdens de training met een racewagen. 1963, derde wereldtitel