Dit artikel geeft een overzicht van de staatkundige geschiedenis van Duitsland, met name van de heersers en de gevoerde oorlogen en veldslagen.
Prehistorie De oudste gevonden menselijke resten in Duitsland zijn die van de Heidelbergmens, waarover betrekkelijk weinig bekend is. Dit betreft een uitgestorven mensensoort, die leefde tussen 500.000 en 200.000 jaar geleden.
Later in de prehistorie werd het gebied van het huidige Duitsland, tijdens de laatste tussenijstijd en de laatste ijstijd, bewoond door de neanderthalers, over wie veel meer bekend is. De neanderthalers vormen een zustersoort van de huidige, enige overgebleven mensensoort homo sapiens. Hun naam verwijst naar het Neanderthal in Noordrijn-Westfalen, de eerste vindplaats van resten van deze uitgestorven mensensoort. In het laatpaleolithicum vestigden zich op het huidige Duitse grondgebied de eerste vroege moderne mensen, en vervolgens, tijdens het neolithicum, de eerste landbouwers. 's Werelds oudste jachtwapens werden ontdekt in een kolenmijn in Schöningen, in de vorm van 380.000 jaar oude, houten speren.
In de duizend jaar voor het begin van de jaartelling vestigden zich vanuit Midden-Europa Keltische, en later vanuit Scandinavië, Germaanse stammen. Deze laatsten werden tijdens de Grote Volksverhuizing nog verder naar het zuiden en westen gedreven.
Romeinse tijd miniatuur|Germaanse bevolking in Europa van 750 v.Chr. tot 1 n.Chr. Julius Caesar veroverde Gallië in de eerste eeuw voor Christus en maakte van de Rijn de grens van het Romeinse Rijk. Een poging van keizer Augustus om het veroverde Germaanse woongebied uit te breiden tot aan de Elbe mislukte. In het jaar 9 werden drie Romeinse legioenen, onder het commando van Varus, verslagen door de Germaanse aanvoerder Arminius in de slag bij het Teutoburgerwoud. Nog enkele pogingen onder Tiberius volgden maar Claudius, die bezig was met de verovering van Brittania, trok de legioenen omstreeks het jaar 40 definitief terug tot op de linkeroever van de Rijn. Vanaf dat moment was enkel het gebied ten westen van de Rijn en ten zuiden van de Donau (een stukje van het huidige Beieren) Romeins territorium.
Daarbuiten waren de Germaanse stammen onafhankelijk. De Romeinen pleegden intensieve handel met volken die ten oosten van de Rijn woonden en die door de Romeinen als barbaren werden beschouwd. De Rijn was als grens makkelijker te verdedigen dan een grens over land. Tijdens de Romeinse overheersing, die duurde tot 406 n.Chr., werden als voornaamste steden Keulen en Trier gesticht.
Regelmatig probeerden Germaanse stammen door de limes heen te breken. In 166 probeerden de Marcomannen het Romeinse Rijk binnen te komen om zich daar te vestigen. In 213 en in 234 waren het de Alemannen, die werden tegengehouden door keizer Maximinus I Thrax. Vanaf 400 waren de Romeinen niet meer in staat de Germaanse stammen tegen te houden.
Middeleeuwen thumb|Evolutie van het Frankische Rijk
Vroege middeleeuwen Door de Grote Volksverhuizing kwam er een einde aan het West-Romeinse Rijk. Verschillende Germaanse stammen doorbraken de rijksgrenzen en vestigden zich binnen de grenzen van het rijk. Gedurende de derde en zevende eeuw bekeerden de meeste van deze Germaanse volkeren zich tot het christendom.
De Franken vormden het Frankische Rijk, dat gekerstend werd onder Clovis (481-511). De hoofdstad van het rijk was oorspronkelijk Doornik, later Soissons. Belangrijk was de overwinning van Clovis op de Romeinse generaal Syagrius, die het gebied rond Parijs beheerste, in 486.
Ook het zuidwestelijk deel van het huidige Duitsland maakte deel uit van het Frankische Rijk. Behalve Franken woonden hier verschillende andere Germaanse stammen zoals de Alemannen en de Beieren (Baiuvarii).
De opvolgers van Clovis, de Merovingen, breidden het rijk zowel in zuidelijke als in oostelijke richting uit.
Karolingische Rijk (751-843) thumb|De expansie van het rijk der Franken onder Karel de Grote In 751 werd de laatste Merovingische koning afgezet en werd Pepijn III tot koning gekozen. Deze greep naar de macht werd gelegitimeerd door een plechtige kerkelijke ceremonie, waarbij Pepijn gezalfd werd. Koning Pepijn en zijn opvolgers, de Karolingen, werkten nauw samen met de Kerk en de pausen. Het werk van Bonifatius is het vermelden waard.
De zoon en opvolger van Pepijn, Karel de Grote (768-814), was een uitgesproken oorlogszuchtig, maar ook bekwaam vorst. Hij breidde het Frankische Rijk aanzienlijk uit, zodat het, het huidige Frankrijk, de Lage Landen, Duitsland ten westen van de Elbe, Saksen, Beieren, de Oostmark, Zwitserland, Noord-Italië en het noorden van Spanje omvatte. In 800 werd Karel de Grote door de paus tot keizer gekroond. Aken was Karels belangrijkste residentie en de symbolische hoofdstad van het nieuwe keizerrijk.
Karels zoon, Lodewijk de Vrome (814-840), probeerde de eenheid van het Rijk te bewaren, daarom vaardigde hij tijdens zijn leven de Ordinatio Imperii uit, die zijn opvolging moest regelen. Er brak echter onenigheid uit tussen diens zonen. Na zijn dood brak er een opvolgingsstrijd uit, die werd beslecht door het Verdrag van Verdun.
Duitsland was in deze periode zeer dunbevolkt. Vermoedelijk werd ongeveer 2% van zijn oppervlakte als akkerland bewerkt. Het grootste deel van het land bestond uit uitgestrekte wouden en moerassen. Ten tijde van de Karolingen nam de bevolking licht toe; bossen werden gekapt of platgebrand om plaats te maken voor nieuwe nederzettingen.
De gebieden ten oosten van de Rijn en ten noorden van de Donau waren in veel opzichten minder ontwikkeld dan de landen die deel hadden uitgemaakt van het Romeinse Rijk. Er woonden minder mensen, steden waren er nauwelijks en ook het wegennet was er beduidend minder ontwikkeld. Belangrijke steden waren Metz, Regensburg, Keulen en Trier. Regensburg is de enige van die vier ten oosten van de Rijn. en schatten de bevolking van de laatste drie steden op 15.000. Metz en Parijs waren beduidend groter.Deze bevolkingsaantallen zijn slechts ruwe schattingen. Het is niet ongewoon dat vakhistorici wat dit betreft tot uiteenlopende conclusies komen. De gegevens zijn ontleend aan (1974): 3000 years of urban growth, Academic Press, New York enz., p.10.
Tijdens de hoge middeleeuwen ontstond er in de Duitse landen een monarchie die 'Duits' genoemd zou kunnen worden. Aan de eenheid van het Frankische Rijk kwam definitief een eind. Na een onzekere start ontwikkelde het koningschap zich onder drie opeenvolgende dynastieën, de Ottonen (919-1024), de Saliërs (1024-1125) en de Hohenstaufen (1132-1254), tot een factor van betekenis.
Dynastie Karolingen (843-911) Het Verdrag van Verdun splitste het Rijk in drie, West-Francië, Midden-Francië en Oost-Francië. Het Middenrijk van de oudste zoon, Lotharius I (840-855), kreeg ook de keizerskroon. Terwijl het westen zich tot het latere Frankrijk ontwikkelde, ontstond in het oosten uiteindelijk het Heilige Roomse Rijk. Het woord 'Rooms' verwijst naar de pretentie van dit rijk de opvolger te zijn van het Romeinse Rijk.
Lodewijk de Duitser, een zoon van Lodewijk de Vrome, was van 840 tot 876 de eerste heerser over het Oost-Frankische Rijk. Enkele gebieden in het westen van het huidige Duitsland hoorden tussen 843 en 870 bij Midden-Francië en worden dan, met het Verdrag van Meerssen, samen met andere delen van Midden-Francië zoals Friesland, Zwitserland en Noord-Italië, bij Oost-Francië gevoegd. Onder Karel III de Dikke werd het Karolingische Rijk voor de laatste maal herenigd. De Karolingen regeerden in het Oost-Frankische Rijk tot 911. Zij genoten slechts een beperkt gezag.
IJzeren eeuw Na de dood van Karel (888) spatte het Karolingische Rijk uit elkaar; het centraal gezag verdween. Lokale leenmannen, de zogenaamde gouwgraven, in feite ambtelijke bestuurders en officieel de vertegenwoordigers van de keizer, zagen hun kans schoon en gingen het gezag in eigen naam uitoefenen. Ze vormden hun graafschappen en hertogdommen om tot kleine privévorstendommen en waren nog slechts in naam afhankelijk van de keizer. De vele lokale leenmannen hielden zich ten slotte hoofdzakelijk bezig met het vergroten van hun persoonlijke macht ten koste van hun buren. Er was sprake van een bijna-permanente burgeroorlog. Ook werd het rijk voortdurend bedreigd door buitenlandse invallers: Vikingen in het noorden en de Magyaren in het oosten.
Tegelijkertijd groeide de macht van de vier zogenaamde stamhertogdommen: Saksen in het noorden, Franken in het gebied rond de Main, Zwaben en Beieren in het zuiden.
Gedurende de middeleeuwen - en ook nog in de eeuwen daarna - werden de Duitse landen gedomineerd door een militaire aristocratie. Tijdens de Karolingen had het politieke bestel zich volgens feodale patronen ontwikkeld.
Koenraad I (911-918) Koenraad I, hertog van Franken, is de eerst verkozen koning van Duitsland (911) door de andere stamhertogen. Hij probeerde zoals zijn voorgangers het gezag te centraliseren. Hij was echter niet tegen de andere hertogen opgewassen. Enkele veldtochten tegen buitenlandse vijanden liepen op een mislukking uit; deze mislukkingen ondermijnden het algeheel aanzien van de monarchie.
Aan de eenheid van het Frankische Rijk kwam definitief een eind. Na een onzekere start ontwikkelde het koningschap zich onder drie opeenvolgende dynastieën, de Ottonen (919-1024), de Saliërs (1024-1125) en de Hohenstaufen (1132-1254), tot een factor van betekenis.
Dynastie Ottonen (919-1024) 300px|miniatuur|Otto I de Grote verslaat Berengarius II van Italië. Na de dood van Koenraad I van Franken werd Hendrik de Vogelaar, de hertog van Saksen, in 919 tot koning gekozen. Hij bleek een energiek heerser. Voor het eerst werd de naam 'koninkrijk der Duitsers', regnum Teutonicorum, gebruikt om het oostelijke Frankische rijk aan te duiden. Zwaben en Beieren erkenden Hendrik aanvankelijk niet als koning; in 919 hadden Beierse en Oost-Frankische edelen Arnulf, hertog van Beieren, tot koning gekozen. Na enkele veldtochten dwong Hendrik de hertog van Zwaben trouw aan hem te zweren; in 921 gaf Arnulf zijn claim op het Duitse koningschap op. In 925 werd Giselbert, hertog van Lotharingen, verslagen; het hertogdom zou voortaan deel uitmaken van het Duitse Rijk.
In 924 vielen de Magyaren vanuit Hongarije het rijk binnen en zag Hendrik zich gedwongen een negenjarig bestand (924-933) af te kopen in ruil voor zware oorlogsschattingen en de vrijlating van een Magyaars stamhoofd. Hij onderwierp ook enkele West-Slavische stammen.
Hendrik de Vogelaar verdeelde zijn rijk niet onder zijn kinderen, zoals het bij de Franken de gewoonte was, maar stelde zijn oudste zoon Otto I de Grote (936-973) aan als enige opvolger. Otto werd te Aken, in de paltskerk van Karel de Grote, tot koning gekroond. Hij probeerde het koninklijk gezag te versterken door nauw samen te werken met de Kerk. Hij schonk vele bezittingen en de daaruit voortvloeiende inkomsten aan bisschoppen en abten. In deze vorstendommen oefenden de geestelijken zowel het wereldlijk als het geestelijk gezag uit. Van de bisschoppen en abten werd als tegenprestatie militaire bijstand verwacht. Geestelijken mochten niet trouwen; na hun dood kwamen de goederen opnieuw aan de kroon. Bovendien had de koning grote invloed op de benoeming van bisschoppen en andere geestelijken. Aldus ontstond in zekere zin een nationale kerk.
In 955 behaalde Otto I een grote overwinning op de Magyaren in de slag op het Lechveld bij Augsburg. De overwinning had verstrekkende gevolgen: er kwam een einde aan de plundertochten van de Magyaren. Zij gingen over tot een sedentaire levenswijze en bekeerden zich tot het christendom. De Oostmark werd een deel van Beieren. Ook versloeg Otto de Slaven bij de Elbe en de Oder.
In de nieuwe marken werden de Polaben en andere West-Slavische stammen onderworpen; door een vestigingspolitiek van Duitsers, Vlamingen en Fransen werden deze dunbevolkte gebieden gekerstend en de Slaven (vaak Wenden genoemd) geassimileerd.