thumb|Fragment uit de tekst, hoofdstuk 11:32 (enkele eeuwen voor Christus) thumb|Bhagavad Gita (19e-eeuws manuscript) De Bhagavad Gītā (letterlijk Lied van de Heer) vormt een onderdeel (Bhishma Parva 23-40) van het zeer omvangrijke epische gedicht de Mahābhārata (letterlijk Groot India), een boek toegeschreven aan de wijze Vyasa.
Omdat het boek God als een persoon (de alomtegenwoordige Krishna) vooropstelt, is de belangrijkste invloed van het boek terug te vinden in de bhakti-beweging zoals die te vinden is bij de Vaishnava's in India en in het Westen. Krishna treedt hierbij naar voren als de belangrijkste manifestatie van God op aarde: als Bhagavān, de Hoogste Persoonlijkheid van Gods, de Heer van de Yoga (Yogīśvara). Het boek behoort tot de smriti, de verhalen aan de hand waarvan god (īśvara, Paramātmā of Brahma) herinnerd wordt. Niettemin wordt het boek ook wel omschreven als de Gītopaniṣad of Yogupaniṣad.
Upanishad betekent essentiële vedische filosofie en hiermee wordt aangegeven dat de status van het boek vergelijkbaar is met die van de Veda's (de śruti). De Gita noemt zichzelf dan soms ook de vijfde Veda.Veel teksten noemen zichzelf de vijfde Veda, waaronder de Mahabharata, verschillende Purana's en de Tiruvaymoli
Inhoud Datering Bij de datering van de Gita speelt mee of het beschouwd wordt als werkelijk onderdeel van de Mahabharata of als latere toevoeging. De samenstelling van de enorme Mahabharata moet eeuwen hebben geduurd, waarschijnlijk tussen ongeveer 400 v.Chr. en de tweede eeuw n.Chr., mogelijk later. Op basis van het gegeven dat Krishna wordt neergezet als een incarnatie zou de Gita tegen het einde van de tweede eeuw v.Chr. toegevoegd kunnen zijn. Het moet in ieder geval na de vijfde eeuw v.Chr. zijn geweest, na de belangrijkste Upanishad's.
Structuur
De Bhagavad Gita is onderverdeeld in achttien hoofdstukken. Hoofdstuk 1: De Yoga van de neerslachtigheid van Arjuna Hoofdstuk 2: De Yoga volgens de Sankhya Hoofdstuk 3: De Yoga van Handeling Hoofdstuk 4: De Yoga van Wijsheid Hoofdstuk 5: De Yoga van Verzaking van handeling Hoofdstuk 6: De Yoga van het Schouwen van het Zelf Hoofdstuk 7: De Yoga van Wijsheid en Kennis Hoofdstuk 8: De Yoga van het Onvergankelijke, oneindige Brahman Hoofdstuk 9: De Yoga van de Koninklijke Kennis en het Koninklijk Geheim Hoofdstuk 10: De Yoga van Majesteit Hoofdstuk 11: De Yoga van het Visioen van de Vorm van het Al Hoofdstuk 12: De Yoga van Toewijding Hoofdstuk 13: De Yoga van het Onderscheid tussen het Veld en de Kenner van het Veld Hoofdstuk 14: De Yoga van de Non-identificatie met de drie Guna's Hoofdstuk 15: De Yoga van eenwording met Purushottama Hoofdstuk 16: De Yoga van het Onderscheid tussen het Goddelijke en het Demonische Hoofdstuk 17: De Yoga van de drie soorten van Geloof en Vertrouwen Hoofdstuk 18: De Yoga van Bevrijding door Zelfverzaking
Samenvatting thumb|Krishna spreekt tegen Arjuna op het slagveld van Kurukshetra thumb|Krishna toont zijn Vishwarupa (universele vorm) aan Arjuna De Bhagavad Gita is een dialoog tussen God in de gedaante van Krishna en Zijn vriend en toegewijde in de gedaante van de vedische prins Arjuna vlak vóór de aanvang van de Bharata-oorlog om Kurukshetra in India (Bharatavarsha) zo een vijfduizend jaar terug. In de Bhagavad Gita gaat het erom God en de eeuwige ziel (ātma) te vinden met inbegrip van het daarbij behorende juiste handelen.
Arjuna komt in dit boek op het slagveld van Kurukshetra tegenover zijn familie en vrienden te staan. Hij moet met de ene helft tegen de andere helft van hen ten strijde trekken om de heerschappij over zijn land terug te krijgen. Hij verloor die macht toen hij met zijn broers bedrogen werd in een dobbelspel. Als hij (in hoofdstuk 1) ziet dat hij hiervoor tegen zijn dierbaren moet strijden, legt hij zijn wapens af en roept hij in wanhoop tot zijn goede vriend en wagenmenner Krishna dat hij deze strijd hoe dan ook niet van zins is te voeren. Hij wil en kan niet winnen. Als hij wint verliest hij zijn dierbaren en kleeft er "bloed" aan het veroverde koninkrijk, en als zijn dierbaren het overleven, verliest hij de strijd. Arjuna onthult aan Krishna dat hij maar liever naar het woud gaat en alle beslommeringen achter zich laat.
Maar Krishna door Arjuna aangesproken als de Allerhoogste leraar op het gebied van de vedische kennis weet Arjuna te overtuigen dat dit ingaat tegen zijn svadharma, zijn plicht als krijger. Als Arjuna zich in zijn wanhoop aan Hem overgeeft als zijn leerling vraagt hij, na een eerste instructie te hebben ontvangen over Zijn wezen en de noodzaak van de plicht, erom Krishna's ware gedaante te zien. Krishna toont daarop Zijn universele gedaante (in hoofdstuk 11). Deze manifestatie vormt een permanente en radicale omslag in Arjuna's denken. Daarmee heeft hij de Absolute Waarheid van de alomtegenwoordige god gezien die Krishna is en die in het geheel niet zo onpersoonlijk is als een onverlichte ziel wel kan denken die god nog niet echt gezien heeft. De Gita eindigt met een vastberaden, gekalmeerde Arjuna die beheerst de strijd aangaat. In de rest van de Mahabharata is te lezen hoe hij met Krishna en zijn broers als enigen de slachting en de nasleep ervan overleven en dat daarmee een nieuwe tijdperk, het Kali Yuga tijdperk wordt ingeluid.
Filosofie Twee hoofdwegen In de Bhagavad Gita verschaft Krishna uitleg over de aard van de yoga in achttien hoofdstukken die volgens vele commentatoren vanaf Madhusudana Sarasvati (geb. circa 1490) daarin wordt ingedeeld in drie opeenvolgende gedeelten die ieder een eigen vorm van yoga aan de orde stellen: karma-, bhakti- en jñāna-yoga; het zich verenigen in het bewustzijn vanuit respectievelijk de arbeid, de toewijding en de spirituele kennis. Anderen, met name de yogi's van het bhakti-pad, zijn het met deze indeling niet helemaal eens omdat daarmee bedoeld zou zijn dat jñãna het einddoel van de yoga zou zijn terwijl de bevrijding (mukti) juist wordt gevonden in de toegewijde dienst van de bhakti. In het achttiende hoofdstuk benadrukt Krishna ook dat men alle vormen van dharma moet laten varen en dat men zich geheel aan Hem over moet geven (18:60B.G. 18: 60). De dualistische dvaita- en aanverwante vedantische commentaren interpreteren dat als een bewijs dat de bhakti het doel is, terwijl de advaita-commentaren van het nondualisme dat meer als een motief van de jñāna zien. Afhankelijk van de methode van overgave zijn er dus verschillende interpretaties van de Gita. De weg van de jñãna zoals die door de advaita-georiënteerde Gita-interpretatie van Adi Śankara wordt voorgesteld zou voor het doel van de bhakti te onpersoonlijk werken. Anderzijds zou de bhakti, in de ogen van de leer der verlichting, te veel gehechtheid aan uiterlijke vormen met zich meebrengen waardoor men de verlichting nooit kan bereiken. Bhakti zou zo bezien dan een angst voor de verlichting kunnen inhouden. De staat van verlichting (kaivalya), het van binnen doorbreken van de geestelijke wereld dat de onafhankelijkheid brengt die Krishna ook verdedigt (in 3:18B.G. 3: 18) en die Hij zelfs laat zien met de universele gedaante (de virāta rūpa, virāta purusha, of vishvarūpa), wordt door de bhakta niet echt als een doel of een voorwaarde gezien, want wat is de verlichting nu waard als het leidt tot een liefdeloze afzijdigheid en vervreemding van de medemens en de wereld die immers ook (deel uitmaakt van) Zijn werkelijkheid? Krishna spoort behalve de weg inwaarts (sādhana, geestelijke discipline) ook aan tot concrete rechtschapen en toegewijde actie (resp. dharma & bhakti) in de buitenwereld. Niettemin acht de vaishnava het begrip ãtma-nivedanam, de communicatie met de ziel, de zelf-communicatie van het geïnternaliseerd hebben van de leraar van buiten, wél als het einddoel van de emancipatie in bhãgavata dharma, de weg van de toegewijde dienst. Arjuna stelt Krishna zelfs vragen over dit strijdpunt van verzaking dan wel actie (5:1B.G. 5:1). Krishna kiest dan voor het pad van het handelen als het belangrijkste. Het andere pad is haalbaar, maar moeilijk naar Zijn zeggen. Men zou ter verzoening van de twee vedantische posities aan de driedeling nog een vierde vorm van yoga die in de Gita wordt besproken toe kunnen voegen: dhyāna yoga, de yoga van het zich verenigen in het bewustzijn door meditatie. In de regelmatige (mantra-)meditatie op deze stellingen van de verschillende vedantische commentaren moet de lezer dan zijn eigen weg vinden.
Vijf hoofdonderwerpen thumb|beeldhouwwerk voorstellende het gesprek tussen Krishna en Arjuna. Het bevindt zich in Tirumala. In Krishna's betoog komen de volgende vijf verschillende hoofdonderwerpen aan de orde: Īśvara: de Allerhoogste Heer. Krishna bespreekt Zijn identiteit; Zijn integriteit in relatie tot al de levende wezens, autoriteiten, goden en toegewijden die allemaal tot Zijn vorm en gedaante behoren. Jīva: de individuele ziel. Krishna maakt een duidelijk onderscheid tussen het vergankelijke lichaam en de onvergankelijke ziel (ātma, jivātma) in relatie tot de Opperziel (paramātmā) waar iedere ziel mee verbonden is. Prakriti: de materie. Krishna beschrijft de guna's, de geaardheden der natuur, en in hoeverre Hij er is als het licht van de zon en de maan en de orde van de sterrenhemel; in feite is de hele materiële wereld zijn gedaante (virāth rūpa). Karma: handelen. Krishna verschaft uitleg over de verschillende soorten van arbeid en wat dat inhoudt in relatie tot Hem, het idee van de intelligentie, het van de verlichting (sura, een 'god') of bezeten (asura, een 'demon') zijn, en de zelfverwerkelijking. Kāla: de tijd. Krishna maakt in hoofdstuk 13:4-713: 4-7 duidelijk dat Hij de kenner van het veld in al de velden van handelen, de bereiken van binnen en van buiten is die allemaal in de tijd onderscheiden zijn van elkaar en met de z.g. burgerdeugden (de z.g. purushārtha's) in evenwicht moeten worden gebracht (besproken onder andere in S.B. 1.5:9,S.B. 1.5: 9 4.22:34S.B. 4.22:34 en 3.4:153.4: 15). Daarbij identificeert Hij zich in B.G. 7:8B.G. 7:8 met de orde van de maan in de hemel, het licht van de zon en de Tijd (van de natuur) zelf. Hij herhaalt op drie plaatsen dat Hijzelf de Tijd is (B.G. 10:30,10: 30 10:33,10: 33 11:3211: 32). Dat is het grote geheim dat Hij in hoofdstuk 11 aan Arjuna onthult als die helemaal van zijn stuk is met het zien van Zijn gigantische bovenzinnelijke gedaante.
Geaardheden Krishna benadrukt de drievoudige aard van de werkelijkheid van de persoon en de materie (B.G. 14,17 & 18B.G. 14,17 & 18). Hij doet dit door te wijzen op de aard van de materiële werkelijkheid zoals die van invloed is op de manier waarop men eet, offers brengt en zijn werk doet. De goden Brahmā, Śiva en Vishnu zijn z.g. guna-avatāra's, de goddelijke vertegenwoordigers van de drie geaardheden die samen Zijn werkelijkheid uitmaken. Daarmee stelt Krishna zich in feite als de bron der halfgoden boven hen. In de bhakti geldt Krishna dan ook als de oorsprong aller dingen, als de oorspronkelijke persoonlijkheid van god (ādi purusha). De drie fundamentele geaardheden waar alles op terug te voeren is, de guna's, zijn: Sattva-guna – de goedheid, Rajas-guna – de hartstocht, Tamas-guna – de onwetendheid. De twee filosofieën in de yoga van het dualisme en nondualisme laten zich ook wel omschrijven als zijnde saguna en nirguna. Als zijnde resp. begaan met de geaardheden en als zijnde vrij van de geaardheden. Uiteindelijk verklaart Krishna zich daarin de eenheid in de verscheidenheid (B.G. 9:15B.G. 9:15). Een stelling die in de bhakti geldt als de siddhãnta, de eindconclusie van de vedantische overweging (acinthya bheda-abheda tãttva).
De guna's der verscheidenheid hebben ieder hun eigen kenmerken: de goedheid kenmerkt zich door kennis, de hartstocht door beweging (onrust), en de onwetenheid kenmerkt zich door traagheid en waanzin.