Het Internationaal Gerechtshof (ook wel Internationaal Hof van Justitie genoemd; Frans: Cour internationale de justice; Engels: International Court of Justice, ICJ) is het belangrijkste gerechtelijke orgaan binnen de Verenigde Naties. Het houdt zich bezig met rechtsgeschillen tussen staten. Het ICJ bestaat uit 15 rechters die worden gekozen door de Algemene Vergadering en de Veiligheidsraad. Het Hof behandelt een geschil op verzoek van een of meer staten, voor zover de betrokken staten zijn jurisdictie in de betreffende zaak hebben geaccepteerd. De uitspraken zijn op grond van artikel 94 van het Handvest van de Verenigde Naties bindend voor iedere staat die partij is in de zaak.Frequently Asked Questions (geraadpleegd januari 2024). Het Hof geeft op verzoek van bepaalde internationale organisaties ook niet-bindende opinies over rechtszaken.Internationaal Gerechtshof, Niet-bindende adviserende bevoegdheid In tegenstelling tot het Internationaal Strafhof (ICC) behandelt het ICJ geen zaken over individuele personen.

Het Internationaal Gerechtshof is gevestigd in Den Haag in het Vredespaleis. Naast het Internationaal Gerechtshof zijn in Den Haag nog enkele internationale hoven gevestigd: het Internationaal Strafhof, het Joegoslavië-tribunaal, het Iran-VS Claims Tribunaal en het Permanent Hof van Arbitrage.

Geschiedenis thumb|Film van de eerste zitting van het Internationaal Gerechtshof Het Permanent Hof van Internationale Justitie werd in 1922 geïnstalleerd en stopte in 1940 met zijn activiteiten. In 1945 werd deze instelling ontbonden. Het Internationaal Gerechtshof, dat in 1945 werd opgericht door de Verenigde Naties, kwam ervoor in de plaats.

Het hof werd opgericht door middel van Resolutie 9 van de Veiligheidsraad. In Resolutie 11 en Resolutie 58 werden verder de voorwaarden gesteld aan Zwitserland en werd besloten dat ook Zwitserland als niet VN-lid partij werd van het Hof.

Rechtsbereik Het Internationaal Gerechtshof spreekt uitsluitend recht in juridische geschillen tussen staten. Ook geeft het op verzoek adviezen aan de Algemene Vergadering en de Veiligheidsraad. Daarnaast kunnen internationale organisaties die aan de VN gelieerd zijn ook juridisch advies aanvragen op het gebied waarop zij opereren.

In de praktijk is het niet altijd eenvoudig te definiëren wanneer een geschil een rechtsgeschil is, en wanneer het een politiek geschil of een belangengeschil is. Over het algemeen gaat men ervan uit dat bij een rechtsgeschil de toepassing van een rechtsregel in het geding is. Dat heeft als gevolg dat het Internationaal Gerechtshof alleen bevoegd is bij conflicten tussen staten als de toepassing van een rechtsregel bij het conflict een rol speelt.

Erkenning door staten De aanvaarding van de rechtsmacht van het Internationaal Gerechtshof kan op verschillende wijze plaatsvinden: Op grond van artikel 36 lid 2 van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof kan een staat verklaren zich aan het Internationaal Gerechtshof te onderwerpen, in het geval zich een geschil voordoet met een andere staat, die eenzelfde verklaring heeft afgelegd. Zo'n verklaring wordt genoemd een Declaration Recognizing the Jurisdiction of the Court as Compulsory. Nederland legde deze verklaring af in 1956.Verklaring van onderwerping aan het IGH door Nederland, 1956. Staten nemen in een verdrag een zogeheten compromissoire clausule op waarin zij zich verplichten geschillen die opkomen in verband met het verdrag voor te zullen leggen aan het Internationaal Gerechtshof. Staten sluiten een compromis waarbij zij besluiten een reeds gerezen geschil voor te leggen aan het Internationaal Gerechtshof. Wanneer een gedaagde staat voor het Hof verschijnt en geen verweer voert met betrekking tot de bevoegdheid, maar wel op de hoofdzaak, mag worden afgeleid dat de rechtsmacht van het Hof wordt erkend. Dit heet forum prorogatum.

Werkwijze De samenstelling en de werkwijze van het Internationaal Gerechtshof zijn geregeld in het Statuut van het Internationaal Gerechtshof, dat onderdeel is van het Handvest van de Verenigde Naties. Het hof kent twee officiële talen: Engels en Frans. Voor de vertalingen wordt gezorgd door een permanente staf van beëdigd vertalers, en wanneer er veel werk is wordt de hulp van tijdelijke krachten ingeroepen. De staf van het gerechtshof is internationaal. Veel van de werknemers zijn van geboorte Engels- of Franstalig.

Rechters

De 15 rechters van het gerechtshof zijn altijd van 15 verschillende nationaliteiten. De vijftien rechters worden benoemd voor een periode van 9 jaar; elke 3 jaar worden 5 nieuwe rechters benoemd. De president en vicepresident worden voor een periode van drie jaar benoemd.

Tot nu toe hebben de vijf permanente leden van de Veiligheidsraad altijd een rechter gehad, behalve de Volksrepubliek China tot 1971; wel leverde Taiwan (Republiek China) een groot deel van deze jaren tweemaal een rechter. België en Nederland leverden tot nu toe elk een rechter. Uit België was dat Charles De Visscher van 1946 tot 1952 en uit Nederland was dat Pieter Kooijmans van 1997 tot 2006.

Griffier Een belangrijke functie bij het Internationaal Gerechtshof is die van de Griffier (Registrar). Sinds mei 2019 wordt deze functie vervuld door Philippe Gautier uit België, voorheen onder meer griffier van het Internationaal Zeerechttribunaal (ITLOS). In februari 2020 werd Jean-Pelé Fomété uit Kameroen herkozen als zijn plaatsvervanger.

Eigen postzegels Sinds 1934 geeft het Gerechtshof eigen postzegels uit, die worden gebruikt voor de correspondentie van het Hof. Oorspronkelijk waren dat Nederlandse postzegels met een opdruk ‘Cour permanente de justice internationale’, later ‘Cour internationale de justice’. Vanaf 1950 geeft het Hof zegels uit met een eigen ontwerp, vaak met een afbeelding van het Vredespaleis. De zegels staan in de NVPH-catalogus vermeld onder de rubriek ‘Dienstzegels’.

Belangwekkende rechtszaken Opinie Rechtspersoonlijkheid In het advies Reparations for injuries case gaf het Hof op een vraag van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties te kennen, dat deze organisatie rechtspersoonlijkheid bezit. Dit wordt sindsdien algemeen aanvaard.

Nicaragua v. Verenigde Staten (1984)

In 1984 klaagde Nicaragua de Verenigde Staten (VS) aan, hetgeen in 1986 resulteerde in een uitspraak tegen de VS, die werden opgeroepen om te stoppen met en af te zien van onrechtmatig gebruik van geweld tegen Nicaragua door middel van directe aanvallen door Amerikaanse soldaten en door training, financiering en steun aan de Contra's. De VS waren "in overtreding van het verbod geweld te gebruiken tegen een andere staat onder internationaal gewoonterecht" en werden gemaand om herstelbetalingen te doen. Internationaal Gerechtshof Case concerning (para)militairy activities in and against Nacaragua, 27 juni 1986, geraadpleegd op 1 mei 2018 Het antwoord van de VS hierop was de afwijzing van de jurisdictie van het hof en de verdere escalatie van de oorlog.

Opinie Israëlische afscheidingsmuur (2003-2004) De Algemene Vergadering van de VN verzocht het Hof in 2003 om op basis van het internationaal recht te beoordelen of Israël het recht had de door haar begonnen Afscheidingsmuur grotendeels in bezet Palestijns gebied te bouwen. Het Gerechtshof adviseerde in 2004 dat Israël de bouw van deze muur, beter "barrière", in Palestijns gebied moet staken, het daar al gebouwde deel moet afbreken en gedupeerden moet schadeloos stellen. Het Hof herinnerde nadrukkelijk aan de verplichting van de andere staten om Israël tot het respecteren van het recht te bewegen. De Algemene Vergadering nam het advies integraal over in een resolutie die werd aangenomen met 150 stemmen voor (onder andere van Nederland), zes tegen en tien onthoudingen. Israël heeft dit niet-bindende advies van het ICJ en de niet-bindende resolutie van de VN Algemene vergadering naast zich neergelegd.Ontwikkeling. The Rights Forum (apr 2024 bekeken) Gearchiveerd

Genocide-zaak Bosnië (-2007) Op 26 februari 2007 oordeelde het Hof dat Servië geen genocide had gepleegd in Bosnië en Herzegovina. Wel stelde het Hof vast dat er in juli 1995 genocide was gepleegd in Srebrenica en oordeelde het Hof dat Servië zijn verplichtingen onder het Genocideverdrag had geschonden door deze genocide niet te voorkomen en de schuldigen niet te bestraffen.

Russische inval in Georgië (2008) Op 1 april 2011 oordeelde het Hof dat het niet bevoegd was om een verzoek van Georgië te behandelen betreffende de internationale verantwoordelijkheid van Rusland voor "acties op en rond het grondgebied van Georgië" in strijd met het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie van 1965 (IVUR/ICERD). De zaak werd met tien tegen zes stemmen in het voordeel van Russische bezwaren afgedaan dat Georgië niet had voldaan aan de procedurele voorwaarde om het geschil eerst onderling proberen te beslechten. Georgië had op 12 augustus 2008, vlak voor een wapenstilstand werd overeengekomen in de Russisch-Georgische Oorlog, de zaak ingediend bij het Hof.

Onafhankelijkheidsverklaring Kosovo (-2010) Op 22 juli 2010 oordeelde het Internationaal Gerechtshof dat de eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo niet in strijd was met het volkenrecht. De vraag was aan het Hof voorgelegd door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op verzoek van Servië. Internationaal Gerechtshof, Accordance with international law of the unilateral declaration of independence in respect of Kosovo.Summary of the Advisory Opinion, 22 juli 2010. Balkaninsight, ICJ: Kosovo Independence Declaration Does Not Violate International Law Or Resolution 1244, 22 juli 2010. Bolivia vs. Chili 2013 In april 2013 stapte Bolivia naar het Hof inzake een oud conflict met het buurland Chili. Dat veroverde in 1884 in de Salpeteroorlog de Boliviaanse provincie Litoral, waardoor Bolivia haar uitgang naar de Oceaan verloor. Het Hof vond geen gronden om Chili te verplichten tot onderhandelen, maar deed wel een beroep op beide landen om er samen uit te komen.Obligation to Negotiate Access to the Pacific Ocean (Bolivia v. Chile), ICJ.

Genocide-zaak Myanmar (2018-) Namens de islamitische wereld spande Gambia (land) in 2018 een zaak aan tegen het boeddhistische Myanmar, dat sinds 2017 genocide zou plegen op de Rohingyaminderheid van moslims. In 2018 kwam de Birmese leider Aung San Suu Kyi naar Den Haag om in een zitting van het Hof de aanklacht te bestrijden. Door dit te doen, erkende ze impliciet de rechtsmacht ter zake van het IG. Ook gaf ze toe dat in sommige gevallen extreem geweld was gebruikt door de Birmese strijdkrachten, waarbij mogelijk de mensenrechten waren geschonden. Maar ze bestreed een vooropgezet plan om de bevolkingsgroep uit te roeien.

In een tussenvonnis droeg het Hof op 23 januari 2020 Myanmar op, alles te doen om de Rohingyaminderheid te beschermen tegen een mogelijke genocide. Ook moet het land alles doen om te voorkomen, dat de sporen van een eventuele volkenmoord worden uitgewist.Het Parool van 24 januari 2020.

Verplaatsing ambassade VS naar Jeruzalem (2018-) Op 28 september 2018 spande de staat Palestina een zaak tegen de VS aan vanwege de beslissing van president Donald Trump om de ambassade te verplaatsen van Tel Aviv naar Jeruzalem. Palestina voerde aan dat dit een schending is van de Weense Conventie Diplomatieke Relaties van 18 april 1961. Volgens die conventie dient de diplomatieke missie van een land te worden gevestigd op het territorium van het land van bestemming. De vestiging in het bezette Oost-Jeruzalem geldt dus als een implicite erkenning hiervan als Israëlisch grondgebied. Trump had dit ook expliciet gedaan. Relocation of the United States Embassy to Jerusalem (Palestine v. United States of America), ICJ, 28 september 2018.