De moderne tijd – ook wel nieuwste tijd genoemdTraditioneel worden namen van historische perioden in het Nederlands met hoofdletters geschreven, maar daar wordt ook vaak van afgeweken. In de spelling volgens de Nederlandse Taalunie, die verplicht is voor overheidsdocumenten, is het sinds 2005 moderne tijd of nieuwste tijd (met kleine letters), maar is de spelling met hoofdletters nog toegestaan in gespecialiseerde teksten. – is de meest recente grote periode in de westerse geschiedenis.

De moderne tijd volgde in Europa op de vroegmoderne tijd. Volgens de traditionele indeling wordt de Europese geschiedenis in drie perioden onderverdeeld: oudheid, middeleeuwen en nieuwe tijd. In dat geval is de moderne tijd slechts een onderdeel van de nieuwe tijd. Andere aanduidingen voor de meest recente historische periode zijn contemporaine of hedendaagse geschiedenis. Deze kunnen als synoniem voor moderne tijd dienen maar ook wel een beperktere periode aanduiden. De term moderne tijd verwijst naar moderniteit, maar de 'modernisering' van samenleving, economie en cultuur valt niet precies samen met de historische periode.

Periodisering Lange tijd was het gebruikelijk om de moderne tijd rond 1800 te laten beginnen. Zoals vaker bij periodisering is er niet een algemeen geaccepteerd beginpunt. Jaartallen die dikwijls als zodanig gebruikt worden zijn 1776 (de Amerikaanse Revolutie), 1789 (de Franse Revolutie), 1815 (de nederlaag van Napoleon en het Congres van Wenen), 1848 (het Revolutiejaar) en 1870 (het begin van de Frans-Duitse Oorlog). Nederlandse universiteiten hanteren ofwel het eind van de achttiende eeuw, ofwel 1789 als begin van de moderne tijd. Baanbrekende ontwikkelingen zoals de industrialisatie deden zich in West-Europa veel eerder voor dan elders. In andere delen van de wereld, bijvoorbeeld Finland, Afrika en Siberië, drong modernisering pas in de twintigste eeuw door. Hoewel sommige historici ook nog de term postmodern hanteren, is het niet ongebruikelijk om ook het heden als 'modern' te beschouwen. De periode na 1945 wordt soms eigentijdse geschiedenis genoemd.

Soms wordt ook het begrip moderniteit gebruikt om een moderne samenleving aan te duiden. De samenlevingen die hieraan voorafgaan worden premodern, voormodern of traditioneel genoemd. In een dergelijke samenleving was de mens opgenomen in een gegeven orde waaraan hij zich moest aanpassen. Het individu had daarbij slechts een beperkte invloed op zijn eigen lot. Religie speelde in premoderne samenlevingen een grote rol.

Ontstaan en kenmerken De verlichting en de industrialisatie hebben de basis gelegd voor de moderne samenleving, onder andere doordat de rol van religie werd teruggedrongen en vervangen door de rede, de ratio. De ordening van het economisch leven onderging structurele veranderingen. De intellectuele elite geloofde in vooruitgang en rationaliteit, in een geconstrueerde en ordelijke maatschappij met een sturend centrum. Door toepassing van de ratio kwam een proces van modernisering op gang. Deze modernisering was en is zeer ingrijpend. De overgang van de premoderne naar de moderne samenleving is een revolutionair proces, een grote overgang.

De belangrijkste kenmerken van de moderne samenleving (moderniteit) en de Moderne Tijd zijn de volgende: moderne wetenschap rationalisme afnemende invloed van religie, secularisering gemechaniseerde industrie en een geïndustrialiseerde maatschappij grote invloed van de wetenschap grote invloed van technologie oorlogvoering met modern wapentuig snelle communicatiemiddelen beheersing van natuur en samenleving door wetenschap en techniek effectieve stelsels van belastingheffing en rechtshandhaving moderne geneeskunde en volksgezondheidszorg democratisering individualisering voortdurend streven naar vernieuwing, verandering en verbetering

Deze kenmerken hangen met elkaar samen en hebben invloed op elkaar.

The dual revolution De twee meest ingrijpende ontwikkelingen in de menselijke geschiedenis zijn de 'neolithische revolutie' en de industriële revolutie geweest. In beide gevallen veranderde de wijze waarop de mens in zijn levensonderhoud voorzag ingrijpend. Ten gevolge van de industriële revolutie nam de productie van goederen, en daarmee de welvaart, sterk toe. Een groot aantal technische en andere ontdekkingen maakten deze ontwikkeling mogelijk. Feitelijk werd het hele economisch leven op andere wijze geordend. Hierbij moet opgemerkt worden dat bovengenoemde factoren en ontwikkelingen niet uitsluitend positieve effecten gehad hebben. 'Modernisering' kan tegelijkertijd zeer ontwrichtend werken. Oude beschavingen en tribale gemeenschappen geraakten erdoor in crisis. De aanleg van spoorwegen leidde tot massale werkloosheid onder sjouwers en rivierschippers. Katoenspinners en wevers in India konden niet langer concurreren met de industrie in Lancashire. Nomaden die van hun kudden leefden, raakten hun weidegronden kwijt aan blanke kolonisten die akkerbouw of mijnbouw bedreven. Fluctuaties in de prijs van exportproducten vergrootten de economische onzekerheid.

Groot-Brittannië, en Engeland in het bijzonder, was het eerste land dat op grote schaal industrialiseerde. Terwijl dit gebeurde, vond in Frankrijk de Franse Revolutie plaats. Dit was in de eerste plaats een politieke gebeurtenis, die de geschiedenis van het vasteland van Europa sterk beïnvloedde. Ironisch genoeg gingen de politieke veranderingen grotendeels aan het Verenigd Koninkrijk voorbij. Industriële revolutie en Franse Revolutie markeerden in West-Europa het begin van de Moderne Tijd. Het is niet mogelijk een beginpunt van de industriële revolutie aan te wijzen. Het is bij uitstek een geleidelijke ontwikkeling geweest, waarvan het einde nog niet bereikt is. Voor 1800 bestonden er ook al machines, maar deze werden aangedreven door de kracht van mens of dier, soms door energiebronnen als water of wind. Revolutionair was dus het gebruik van nieuwe energiedragers en -bronnen. Stoom opgewekt door steenkool was daarvan de eerste.

Gedurende de zeventiende eeuw begon in West-Europa een ontwikkeling met verstrekkende gevolgen: een geleidelijk steeds snellere toename van wetenschappelijke en technische kennis. Tegelijkertijd nam aan de kusten van de Atlantische Oceaan de welvaart toe. De combinatie van deze ontwikkelingen droeg er in belangrijke mate toe bij dat de intellectuele elite zich de toekomst steeds optimistischer voorstelde. Tot dan toe had men zich een '‘gouden eeuw’ (aurea aetas) altijd in een ver verleden voorgesteld. Het nieuwe vooruitgangsgeloof bevorderde kritisch onderzoek en ondermijnde traditionele autoriteiten. Vanaf het midden van de zeventiende eeuw werd de Europese elite meer en meer beïnvloed door een wetenschappelijke visie op de werkelijkheid. De wetenschap begon zich te organiseren. Communicatie en uitwisseling van gedachten speelden hierbij een sleutelrol.

Demografie Vanaf 1650 begon op alle continenten de bevolking in versneld tempo toe te nemen. Afrika bleef als enige achter; voor 1900 was daar nauwelijks sprake van bevolkingsgroei (Antarctica werd uiteraard niet door mensen bewoond). In Europa was de toename het grootst. Rond 1900 woonde bijna een kwart van de wereldbevolking in Europa. Welke factoren de bevolkingsaanwas hebben veroorzaakt is onvoldoende duidelijk.

Economie en politieke theorie Gedurende de eerste decennia van de negentiende eeuw ontstonden er in Europa een groot aantal nieuwe politieke ideologieën. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een groot aantal nieuwe termen om deze bewegingen te beschrijven. waaronder 'liberalisme' en 'socialisme'. Andere invloedrijke ideologieën waren het radicalisme, het conservatisme, constitutionalisme en feminisme. Liberalisme en nationalisme waren de dominante ideologieën gedurende de eeuw voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

Hoewel antisemitisme een alledaags verschijnsel bleef, was de negentiende eeuw ook de tijd van de grote joodse emancipatie. De sociale wetgeving die in de loop van de negentiende eeuw werd geïntroduceerd was mede een onderdeel van de liberale ideologie. In de regel waren ook de sociaaldemocraten en de arbeidersbeweging loyaal aan de nationale staat en het parlementair stelsel. Vrijhandel was de norm. Alle grote mogendheden probeerden een grootschalig militair conflict te vermijden. Een optimistisch vooruitgangsgeloof was dan ook gemeengoed.

Liberalisme en nationalisme; revolutie Terwijl Europa de wereld domineerde, domineerden binnen Europa eeuwenlang de staten in het westen van het continent: Frankrijk, Spanje en Engeland. De Duitse landen waren politiek verdeeld. Er was eerder sprake van rivaliteit dan van samenwerking. De Duitse staten waren nauwelijks in staat gebleken effectief weerstand te bieden aan de expansiedrang van Napoleon I. De Duitse zwakheid was een belangrijke oorzaak van de opkomst van een Duits nationalisme. Italië bestond sinds eeuwen uit een tiental staten. Het Congres van Wenen had de oude situatie min of meer hersteld. De bevolking van Italië voelde echter weinig binding met de oude structuren en dynastieën. Tegelijkertijd hoopten velen dat een politiek verenigd Italië als nationale staat een belangrijke rol in de Europese politiek zou spelen. Men droomde van een risorgimento, een nieuwe gouden eeuw of Renaissance. Dit verlangen naar nationale eenheid werd op bevlogen wijze vertolkt in de geschriften van Mazzini.

In 1848 braken er in een groot aantal Europese landen revoluties uit. De Franse Revolutie leek zich te herhalen. In diverse landen, waaronder Frankrijk, werd de regering ten val gebracht. Voortbestaan van monarchie en aristocratie leek op het spel te staan. De uiteindelijke resultaten van de revoluties van 1848 bleven echter beperkt. In een aantal kleinere staten, waaronder Nederland, België en Denemarken, ontstond een liberaler politiek bestel, veelal met een grondwet. Nationalisten in Duitsland, Italië en Hongarije zagen hun grootse plannen gedwarsboomd. In Frankrijk werd in 1848 de republiek uitgeroepen en het algemeen mannenkiesrecht ingevoerd. Een neef van Napoleon werd als president gekozen. In feite vestigde deze nieuwe Napoleon er een milde dictatuur. In 1852 nam Napoleon III de titel van zijn oom, keizer der Fransen, aan. Een belangrijk resultaat van de gebeurtenissen van 1848 was de emancipatie van de boeren in de Duitse landen en het Habsburgse Rijk. Horigheid en heerlijke rechten werden er afgeschaft. Boeren waren voortaan vrij om zich te verplaatsen en te verhuizen; dat kon naar naburige steden of naar de Nieuwe Wereld zijn. Over het algemeen waren boeren - zoals de meeste mensen - behoudend van aard. Tegenover de idealen van de burgerij stonden zij onverschillig.

Mede als gevolg van de teleurstellende resultaten van de revoluties veranderde het politieke en culturele klimaat. De romantiek verloor sterk aan invloed. Daarentegen kwam het realisme op, zowel in het denken als in de kunsten.

Politieke structuren; de 'lange vrede' Na 1815 werden er in Europa weinig oorlogen gevoerd. En de meeste Europese oorlogen waren van betrekkelijk korte duur. Er had zich ogenschijnlijk een stabiel politiek systeem gevormd. Tussen 1859 en 1871 onderging de politieke kaart van Europa echter enkele ingrijpende veranderingen, die in hoge mate samenhingen met het opkomend nationalisme. Duitsland en Italië werden allebei een nationale staat. Het Oostenrijkse keizerrijk werd omgevormd tot de dubbelmonarchie. Technologieën zoals de spoorwegen en de telegraaf versterkten de macht van het centraal gezag.