miniatuur|Een flamencodanseres Flamenco is een muziekgenre en een bijbehorende dans afkomstig uit de zuidelijke provincies van Spanje. Kenmerkend voor deze muziekvorm zijn de soms Arabisch aandoende klanken, de uitbundige muzikale versieringen rondom het thema en het sterke ritme binnen een twaalftelssysteem. De flamenco is een belangrijk onderdeel van de identiteit van tal van Zuid-Spaanse gemeenschappen en groepen, met name van de gitano (Spaanse Romani) gemeenschap, die een essentiële rol heeft gespeeld in het ontstaan en de ontwikkeling ervan.
De muziek van flamenco wordt doorgaans niet genoteerd, maar net als veel andere volksmuziek mondeling en via overlevering aan de volgende generatie doorgegeven. Kenmerkend is dat iedere generatie nieuwe elementen aan de muziek toevoegt. Daarnaast spelen flamencoclubs (peñas) een centrale rol in het behoud en de verspreiding van de traditie.
De basis van de flamenco vormt de cante flamenco, de flamencozang. In de meest basale uitvoering wordt de cante vaak met een ritmisch geklop (al golpe; golpear = kloppen, tikken) begeleid door te kloppen met de knokkels op tafels, te tikken met een stok op de grond (cano roto), door het knippen in de vingers (pitas) of met klappen in de handen (palmas).
De zang wordt meestal begeleid door de Spaanse gitaar en palmas, soms aangevuld door een slaginstrument zoals de udu of (sinds eind jaren 1970) de cajón. Ofschoon cante en baile uiteindelijk door veel klassieke instrumenten als fluit, piano, viool en cello kunnen worden begeleid, blijft dit in de praktijk meestal de flamencogitaar. Cante flamenco kan (ook ritmisch) worden ondersteund door de baile flamenco, de expressief-ingetogen flamenco-dansstijl die zich kenmerkt door krachtige gratie en vaak ingewikkelde handbewegingen en voetenwerk (taconeo).
De flamenco wordt beschouwd als deel van de algemene Spaanse cultuur en is gedurende de tweede helft van de 19e eeuw ontstaan in het gebied dat ongeveer overeenkomt met de regio Andalusië. Ook andere gebieden, in het bijzonder Extremadura, Murcia en Huelva, hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van verschillende muzikale subvormen (palos). In de loop van de tijd droegen alle Spaanse regio's uiteindelijk wel hun deel bij aan de ontwikkeling, doch hun aandeel is veel kleiner dan dat van genoemde provincies. Ook uit deze delen van Spanje komen bekende flamenco-artiesten. De flamenco is Spanjes belangrijkste culturele exportproduct.
Flamenco werd in 2010 door de UNESCO erkend als Werelderfgoed.Andalucia: Flamenco, World Heritage
De (nog jonge) cultuurwetenschappelijke tak die zich met onderzoek naar alles wat met flamenco te maken heeft bezighoudt is de flamencologie.
Geschiedenis De directe wortels van de flamenco zijn niet bekend: lange tijd werd deze cultuurvorm mondeling doorgegeven. Tot halverwege de 20e eeuw waren veel Spanjaarden analfabeet en flamenco-artiesten vormden daarop geen uitzondering.
Vanaf ongeveer 1980 werd er vanuit de musicologische, sociologische en de flamencohoek diepgaand onderzoek gepleegd. Over het ontstaan is nog veel onbekend, maar er komen meer en meer feiten boven water. Daardoor raken veel mythen ontkracht, wat voor sommigen enigszins afbreuk doet aan de geromantiseerde visie op flamenco. Een groot probleem is dat er weinig geschreven bronnen zijn. Hierdoor komen historici en geïnteresseerden nogal eens met verklaringen die in eerste instantie plausibel lijken, maar bij nader inzien nogal speculatief blijken. Ze verklaren in feite niets, maar projecteren romantische ideeën op de geschiedenis.
Historische invloeden In de ontwikkeling van de flamenco is de geschiedenis van het Iberisch Schiereiland een belangrijke factor. Flamenco werd door de eeuwen heen gevormd uit een diep inwerkend samenspel van Iberische, Fenicische, Keltische, Gotische, Byzantijnse, Islamitische (Moorse), Sefardische, katholiek christelijke en (sinds 1415) Romaniculturen die in Andalusië bestonden vóór, tijdens en na de Reconquista, de herovering van Spanje (door christenen) op de Moren (geïslamiseerde Noord-Afrikaanse (Berber)volken, vooral uit het huidige Marokko en Tunesië). In dit complexe geheel van elkaar beïnvloedende culturen bleek de autochtoon (Andalusisch-)Spaanse cultuur een belangrijke organisatorische en bindende factor.
Feniciërs Cádiz als Gadir rond 1100 v.Chr. door de Feniciërs gesticht, was en is een belangrijk centrum voor de ontwikkeling van flamencomuziek en andere Spaanse muziekgenres. De kringdansen die nog overal in Spanje worden uitgevoerd, lijken sterk op de dansen van de Feniciërs.
Grieken Vanaf 550 v.Chr. heersten de Grieken over Zuid-Spanje. Potten uit deze tijd werden versierd met beelden van dansers met arm- en lichaamshoudingen gelijkend op die van tegenwoordige Spaanse dansers. Men ziet castañuelas-(castagnetten)-achtige instrumenten en handgeklap ter begeleiding van de dans. Veel Spaanse volksdansen zijn tot de Grieken te herleiden. Waarschijnlijk hebben zij de zogenaamde Frygische modus – ook wel zigeunertoonladder genoemd – in Spanje geïntroduceerd.
Romeinen Tussen 201 v. Chr. en 406 n. Chr. maakte Spanje deel uit van het Romeinse Rijk. Romeinen noemden Cádiz Gades, haar inwoners Gaditani (nog steeds hun naam). De Romeinen roemden de liederen van Gades, de cantica gaditanae. De liederen en danseressen uit Cádiz, de puella Gaditana, dansend op ritmes van crotales (bronzen slag-castanuelas) en handgeklap, waren zeer populair in het oude Rome. Bijvoorbeeld de dichter Martialis noemde ze vaak in zijn verzen.
In de Villa Item (de Villa van de Mysteriën) in Pompeï vindt men een afbeelding van een naakte, dansende puella Gaditana met opgeheven armen, castagnetten in de handen, een houding die duidelijk gelijkenis vertoont met de houding van een moderne flamenco-danseres.Zuid Spanje, Insight Guides, pag. 28, Uitg. Cambium, Zeewolde (1998),
De Romeinen namen de kithera, verwant aan de citer, naar Spanje. De kithera ontwikkelde zich tot de guitarra latina (klein gitaarachtig instrument met vier paar dubbele snaren (koren)).
Verondersteld wordt dat de liederen uit Gades voorgangers van de Arabische jarchas en de zambras zijn, die in de Arabische cultuur werden opgenomen nadat Spanje werd bezet.
Visigoten Aan het einde van hun heerschappij werden de Romeinen in Spanje belaagd door invallende barbaren, waaronder Vandalen. Ze sloten daarom een bondgenootschap met de Visigoten. Deze kregen steeds meer invloed en na 537 n.Chr. was het overgrote deel van het Iberisch Schiereiland in hun handen. De Visigoten waren eeuwenlang arianist, maar bekeerden zich uiteindelijk tot het katholicisme. Dit zou bepalend blijken voor de machtige positie die deze godsdienst in Spanje ging innemen. Op muzikaal-cultureel gebied was de invloed van de Visigoten niet groot.
Moren Van alle oude culturen had de Moorse veruit de grootste invloed. De Moren (Amazigh) vielen in 711 het Iberisch schiereiland binnen en veroverden binnen een jaar vrijwel het hele gebied (op een klein gedeelte in het noorden na,) met een relatief klein leger. Dit gebeurde deels met de medewerking van de autochtone inwoners, die hoopten dat de Moren een eind zouden maken aan de bestuurlijke willekeur en aan de anarchie die er al eeuwenlang heerste.
De Moorse cultuur heeft bijna 800 jaar standgehouden; officieel eindigde deze cultuur met de val van Granada (1492). Gedurende deze periode heeft de Moorse cultuur letterlijk op alle gebieden van Spanje een enorme invloed uitgeoefend. Hierbij lag de nadruk op het zuiden, in Al-Andalus (het land der Vandalen).
De Moren bleven altijd een relatief kleine minderheid in Spanje: al gauw vermengden zij zich met de lokale bevolking. Over een periode van drie eeuwen werd de overgrote meerderheid van de autochtone bevolking diepgaand geïslamiseerd en gearabiseerd: zogenaamde mozaraben of neo-moslims (muwalladûn). In het dagelijkse leven heerste er tweetaligheid: Moors (alleen hogere kringen) en Romaans.
Kort na de verovering werd al-Andalus het culturele centrum van de westerse wereld. De moslims brachten wetenschap en kunst: poëzie, liederen en muziekinstrumenten zoals fluiten, drums en een luit-achtig instrument met drie, gedubbelde snaren, de guitarra morisca genoemd. Deze werd "plukkend" bespeeld en mogelijk is dit instrument de inspiratie geweest voor de omzetting van de dubbelsnarige (4 maal 2 snaren) guitarra ladina naar een enkelsnarig bespannen (vier enkele snaren) instrument in de 13e eeuw.
Ziryâb De begaafde dichter-zanger-muzikant Ziryâb stichtte in Córdoba tijdens het bewind van Abd ar-Rahman II het eerste conservatorium ter wereld (± 800 n.Chr.), waar de Spaanse muziek nog generaties later door werd beïnvloed. Ook introduceerde Ziryâb de Perzische luit met 4 snaren in Spanje, die uiteindelijk zou evolueren tot de Spaanse gitaar. Men beschouwt hem als degene die de vijfde snaar aan dit instrument toevoegde.
Arabieren droegen bij aan emotionaliteit en gevoeligheidsbeleving van de Spaanse muziek. Geschriften uit deze periode beschrijven hoe zangers de mensen in het publiek dermate in vervoering brachten, dat zij onder de invloed van 'tarab' (het Arabisch equivalent van duende) kruiken op het hoofd stuksloegen, kleding verscheurden en over de grond rolden.
Veel liederen in Spaanse muziek en de flamenco dragen Arabische namen: zambra, zorongo, zarabanda en fandango. De term zambra werd gebruikt voor zowel de groepen musici als de samenkomsten waar zij speelden. In Granada noemen de Roma hun feesten nog steeds zambras, terwijl deze elders juergas worden genoemd.
Van de Arabische muziek uit deze lange periode ontbreekt een muziekschrift of muzikale notatie, zodat we niet precies weten hoe deze klonk. Men neemt aan dat er een gelijkenis bestaat met de muziek die nu in delen van Noord-Afrika en het Midden-Oosten gespeeld wordt. Ook flamenco vertoont overeenkomsten met deze muziek.
Noord-Afrikaanse muziek: Tarab Gharnati In de zogenaamde Maghreb-landen (Marokko, Algerije, Tunesië en Libië) bestaat een traditie van Arabo-Andalusische muziek, die hier grond vond na de uitwijzing van de Moren na 1492. Een belangrijke stijl hiervan is de Tarab Gharnati, volgens orale traditie afkomstig uit Granada (Arabische Gharnata betekent "stijl van Granada"). Men vindt de Tarab Gharnati in Marokkaanse steden Oujda en de hoofdstad Rabat. Een andere naam voor deze stijl is felahikum, waarmee de cirkel rond is.De Ley, Herman, Van Al/Andaluz tot Katholiek Spanje; uitgegeven Collegedictaat Universiteit Gent. Uit: noot 51 Hoofdstuk 3
Moren verdreven Christenen in Noord-Spanje ontwikkelden intussen eigen vormen van muziek. Reizende troubadours in de 12e en 13e eeuw zongen balladen, cantigas genoemd, die in volgende eeuwen evolueerden tot romances en villancicos (religieuze liederen worden nog als kerstliedjes gezongen).
De christenen bleven voortdurend de strijd met de Moren zoeken. Langzaamaan werden deze naar het zuiden verdrongen. In de 15e eeuw waren de Moren nagenoeg overal verdreven met uitzondering van Granada, dat uiteindelijk in 1492 viel. Spanje stond weer onder christelijke heerschappij.
Gitanos - Roma Volgens de oudste bronnen kwamen in 1447 de eerste gitanos (aanvankelijk egyptanos genoemd), vermoedelijk via Egypte en Noord-Afrika, in Spanje aan. Ze maakten deel uit van de Roma, een nomadisch volk van Indiase oorsprong.
In 1514 bereikten andere groepen Roma, de cingaros via de Noord-Europese route, Barcelona. Zij werden ook wel flamencos (Vlamingen) genoemd. In de paar honderd jaar erna zouden er nog meer in Spanje arriveren. Tegenwoordig worden al deze Romanigroepen in het Spaans gitanos genoemd.