thumb|Yamaceratops Yamaceratops dorngobiensis is een herbivore dinosauriër behorend tot de groep van de Neoceratopia die in het Late Krijt leefde in het het huidige Mongolië.

Vondst en naamgeving In 1991 werd door een gezamenlijke expeditie van het American Museum of Natural History en de Mongoolse Academie van Wetenschappen bij Choegenetjavchlant (in het Engels gespeld als Khugenetjavkhlant of fout als ‘Khugenslavkhant’ of ‘Khugenetslavkant’) een klein ceratopisch schedeltje geborgen. Het was gevonden door Julia Clarke. In 2002 en 2003 werden op dezelfde locatie nog eens een skelet gevonden en veel losse botten. Het fossiel materiaal werd geprepareerd door Jane Shumsky en Lisa Herzog.

Yamaceratops werd in september 2006 benoemd en beschreven door Peter Makovicky en Mark Allen Norell. De geslachtsnaam verwijst naar Jama, een dharmapala uit het Tibetaans boeddhisme. Zijn rijdier heeft ook hoorns als de meeste ceratopiërs, en dit werd als reden voor de naamgeving opgegeven hoewel Yamaceratops die juist niet bezat. De soortaanduiding verwijst naar de Dorn Gobi, de Oostelijke Gobiwoestijn, waar het fossiel opgegraven is.

Het holotype, IGM 100/1315, is gevonden in een laag van de middelste Javchlantformatie die dateert uit het Santonien, ongeveer vijfentachtig miljoen jaar oud. Oorspronkelijk werd gedacht dat de ouderdom veel hoger lag en het fossiel stamde uit het Albien, dus het Onder-Krijt. Het bestaat uit een gedeeltelijke schedel met onderkaken waaraan de snuitpunt en het predentarium ontbreekt. Het vertegenwoordigt een jongvolwassen dier. Het skelet gevonden in 2002, specimen IGM 100/1303, is aan Yamaceratops toegewezen. Het omvat het rostrale, het linkerbovenkaaksbeen, het rechterjukbeen, het rechterquadratum, het linkersurangulare, beide articularia, een paar tanden, drie gedeeltelijke wervels, het linkerdarmbeen en delen van de ledematen. Uit het fragmentarische materiaal is specimen IGM 100/1867 toegewezen, een predentarium, ondanks dat het niet met het holotype overlapt; de gelijkenis met andere predentaria van Neoceratopia werd daarvoor voldoende geacht.

In 2020 werd een in 2014 gevonden drie jaar jong exemplaar gemeld, een vrij volledig skelet, specimen MPC-D 100/553. In 2022 werd dat in detail beschreven.

Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken De schedel is een vijfentwintig centimeter lang en het betreft dus een vrij klein dier. De lengte van MPC-D 100/553 is ongeveer twee derden van die van het holotype en het gewicht van dit kleine exemplaar is geschat op slechts 1,2 kilogram. Het holotype zou dan een zes kilogram hebben gewogen.

In 2006 werden enkele onderscheidende, of althans typerende, kenmerken vastgesteld. Het rostrale, de beenkern van de bovensnavel, is niet bovenop gekield, anders dan bij andere neoceratopiërs. Het oppervlak van het rostrale is bedekt met richels en groeven die splitsen en dan weer in elkaar vloeien, een afgeleid kenmerk. Het achterste deel van het jukbeen is lobvormig en hoger dan het voorste deel onder de oogkas, een basaal kenmerk. Een epijugale is aanwezig, een afgeleid kenmerk. Het angulare heeft twee bultjes aan de onderrand, een uniek kenmerk. Het surangulare vormt een verticale beenwal richting onderste kaakgewricht, een afgeleid kenmerk. Alle maxillaire en dentaire tanden hebben een uitstekende asymmetrisch gelegen hoofdrichel, een afgeleid kenmerk.

In 2020 werd een aanvullende autapomorfie aangegeven. De voorste onderrand van het bovenste paddestoelvormige uitsteeksel van het traanbeen is van de rand van de fenestra antorbitalis gedrongen. Behalve de vorm van het jukbeen werden de overige kenmerken in 2022 niet als autapomorfieën gezien. Als afgeleide kenmerken werden nu gezien: een haakvormige bovensnavel, een paddestoelvormig uitsteeksel aan de voorrand van het traanbeen, een hogere achterste dan voorste tak van het jukbeen, en doornuitsteeksels van de middelste staart die minstens viermaal de hoogte hebben van het wervellichaam.

Skelet Schedel Hoewel de omvang van de kop in absolute zin beperkt is, maakt die toch een robuuste indruk. Achteraan is de schedel breed door enorme jukbeenderen. Naar voren loopt de snuit spits toe. Het hele achterhoofd steekt door de hoge jukbeenderen schuin omhoog, eindigend in een klein nekschild. De onderkaken zijn zeer krachtig en hoog.

In de schedel is de opening van de fenestra antorbitalis driehoekig. Dit venster loopt niet ver door onder de parallellogramvormige oogkas. De onderste voorrand van de oogkas wordt gevormd door een spoor van het jukbeen. De onderrand van het onderste slaapvenster ligt op hetzelfde niveau als de onderrand van de oogkas. Dit slaapvenster heeft bovenaan een scherpe inkeping in de voorrand, in het bovenste jukbeen. Zo'n inkeping is niet van andere basale Neoceratopia bekend.

Het voorste schedelbot, het rostrale dat de beenkern vormt van de bovensnavel, is dik met een ruw oppervlak gevormd door talrijke in elkaar overvloeiende richels. In onderaanzicht heeft het een U-vormige profiel. Dat is vrij smal maar er is geen scherpe kiel op de punt. Het rostrale heeft een dunne opgaande tak die tussen de gepaarde takken van de praemaxillae steekt, die samen een beenbalkje tussen de neusbeenderen vormen. Intern loopt die tak als een dunne middenkam naar beneden over de bovenste helft van de binnenkant het rostrale die bij de meeste fossielen niet zichtbaar is. De rand van het rostrale is vrij bot maar de hoornsnavel vormde vermoedelijk een scherpe snijrand. Anders dan Peter Dodson in 2003 nog dacht, hebben alle Neoceratopia, ook basale, zijwaartse achterste takken van het rostrale.

De bovenkaaksbeenderen hebben lange interne vleugels die het voorste deel van het verhemelte vormen, de praemaxillae daar vandaan dringend zoals bij alle Marginocephalia. Het bovenkaaksbeen heeft elf of twaalf tandposities. Achteraan steekt een tak in de voorste tak van het jukbeen. De binnenwand van het bovenkaaksbeen loopt nog eens extra uit in een vingervormig uitsteeksel dat in de binnenwand van het jukbeen steekt. Het jukbeen is opvallend asymmetrisch door een puntvormige voorste tak en een hoge lobvormige achterste tak. Een symmetrisch jukbeen is wel gezien als een synapomorfie van de Ceratopia maar is dus afwezig bij Yamaceratops, alsmede Liaoceratops. Boven de trog die het contact vormt voor het vingervormig uitsteeksel van het bovenkaaksbeen bevindt zich een lage piramide die weer het contact vormt met het verhemelte. De voorwaartse inkeping in de voorrand van het onderste slaapvenster is uniek voor de Ceratopia. De inkeping past goed bij de extreme verhoging van de achterste tak maar zou toch een pathologie kunnen zijn. Dit kon in 2006 niet gecontroleerd worden. In 2022 werd gemeld dat het juveniele exemplaar ook zo'n inkeping had. Een pathologie werd daarom onwaarschijnlijk geacht maar het zou toch geen authentiek kenmerk vertegenwoordigen: beide specimina zouden door compressie vervormd zijn. De opgaande tak steekt ver naar boven, het postorbitale van de voorrand van het onderste slaapvenster dringend en net zo ver naar achteren reikend als de achterste tak van het postorbitale. De brede achterkant is ruitvormig, zijwaarts uitstekend in een schuine richel met een iets bol profiel om het epijugale te dragen. De richel vormt dus geen wanghoorn. Het oppervlak van het jukbeen is bedekt met talloze foramina die soms het hele element overdwars doorboren. Het aparte epijugale is langwerpig en halvemaanvormig. Het is vrij hoog en naar buiten gericht. De buitenkant ervan is ruw, een teken dat het bij het levende dier bedekt was met een hoornschacht. Meer basale vormen missen zo'n aparte verbening.

Het traanbeen wordt diep uitgehold door de fossa van de fenestra antorbitalis. Het prefrontale is L-vormig. De gepaarde voorhoofdsbeenderen kepen vooraan de neusbeenderen in waardoor ze uitgebreid overlapt worden. Het bovenste slaapvenster snijdt het voorhoofdsbeen niet scherp in maar vormt slechts een geleidelijke uitholling. Het postorbitale is een driehoekige plaat met een licht holle onderrand. De voorste tak van het squamosum vormt een diepe vork. De binnenste tak vormt een beperkte beenlap. Het squamosum loopt geleidelijk in het nekschild over, afwijkend van de scherpe spleetvormige overgang bij de Coronosauria. De precieze omvang van de schedelkraag kan niet worden vestgesteld door beschadigingen van de wandbeenderen. Het quadrotojugale is overdwars breed, breder in achteraanzicht dan in zijaanzicht zoals bij alle meer afgeleide Neoceratopia. Het is halvemaanvormig met een holle voorzijde om de curve van het jukbeen te volgen. Bovenaan heeft het een korte spoor naar de zijkant van het quadratum. De schacht van het quadratum heeft op de buitenzijde een lange golvende richel die het contact met het quadratojugale aangeeft; bij meer afgeleide vormen wordt die richel korter. Een korte voorwaartse plaat steekt uit de zijkant van het quadratum onder het quadratojugale, net als bij Chaoyangsaurus. Dit basale kenmerk is een plesiomorfie.

De hersenpan is stevig met het buitenste schedeldak verbonden door een processus capitatis van het laterosfenoïde die een beenlap vormt de beennaad tussen voorhoofdbeen en postorbitale. Van het middenoor loopt een gehoorgang als een lange groeve langs de processus paroccipitalis. In de groeve moet een staafvormige stapes hebben gelegen als verbinding met een trommelvlies aan de achterste zijkant van de kop. Een middenrichel verdeelt over de hele hoogte het supraoccipitale dat een bijdrage levert aan de bovenrand van het achterhoofdsgat. De grote afhangende tubera basilaria worden gescheiden door een brede inkeping met vooraan een putje. In 2006 werd de hypothese verworpen dat hier om een centrale buis van Eustachius, zoals geopperd voor Bagaceratops, zou gaan daar er geen verbinding is met het middenoor. Krokodilachtigen hebben wel zo'n buis. De processus basipterygoidei zijn robuust en kort, schuin naar beneden en zijwaarts uitstekend, de basale toestand. Bij afgeleide vormen zijn ze langer en steken schuin naar voren uit.

Het verhemelte vormt een hoge welving. Het verhemeltebeen is een driehoekige plaat die de binnenrand van de interne vleugel van het bovenkaaksbeen overlapt in een schuine beennaad die van de achterrand van de choana, het interne neusgat, doorloopt tot het ectopterygoïde. Dwarsrichels van beide verhemeltebeenderen vormen een kruisvormige structuur die zijwaarts de onderzijden van de traanbeenderen raakt en bovenaan de scherpe punt van de welving, een afgeleid kenmerk bij de Neoceratopia. De binnenzijde van de achterkant van het verhemeltebeen vormt de voorrand van een venster tussen dit palatinum en het pterygoïde, het restant van de oude fenestra subtemporalis van de Sauropsida. Deze opening is relatief groot, een basaal kenmerk. De voorste takken van de pterygoïden zijn gescheiden door een smalle gaping zoals bij Prenoceratops. Achter het contact met de processus basipterygoideus van de hersenpan steekt een spoor omhoog die spits is in plaats van lobvormig als bij Liaoceratops. Het driestralige ectopterygoïde is groot, een basaal kenmerk. Dat geldt ook voor de trog op de onderzijde die contact maakt met het achtereind van het bovenkaaksbeen dat aldus het pterygoïde niet raakt. Het ectopterygoïde maakt ook deel uit van de rand van het venster zoals oorspronkelijk is voor de Dinosauria. Die bijdrage zou verminderen bij meer afgeleide Neoceratopia om geheel te verdwijnen bij de Ceratopidae waar het ectopterygoïde van onderen überhaupt niet zichtbaar is.

Het angulare dat de onderste achterhoek van de kaak vormt, overlapt met de voorste onderzijde het dentarium net als bij Liaoceratops. Bij sommige verwanten is de overlapping hoger of omgekeerd of wordt de verbinding gevormd door een penvormig uitsteeksel. Ook het angulare heeft geen beenplaat aan de onderzijde. Er staan twee bultjes op de achterkant, een op de onderrand en een kleinere bij de beennaad met het articulare. Liaoceratops heeft drie bultjes.

Onderkaken