thumb|Sint-Dominicus overziet een kettergericht (Pedro Berruguete, 1475). Artistieke voorstellingen uit die tijd tonen vaak martelingen en verbrandingen van ketters. De Spaanse Inquisitie was een in 1478 door de Reyes Católicos van Spanje opgericht instituut, om de katholieke orthodoxie te handhaven tijdens hun heerschappij. Zij stond onder directe leiding van de Spaanse monarchie en werd pas definitief afgeschaft in 1834 tijdens het bewind van Isabella II. Vanwege de geheimzinnigheid rondom de inquisitierechtbanken, spectaculaire verbranding van bekende personen en de protestantse propaganda uit de Nederlanden en Engeland is het aantal slachtoffers van de inquisitie zwaar overschat en vormde dit aantal een belangrijk deel van de zwarte legende.

De Inquisitie had in beginsel als rechtbank naar canoniek recht alleen zeggenschap over gedoopte christenen. Gedurende haar geschiedenis werd haar jurisdictie echter soms uitgebreid tot bijna alle onderdanen van de koning van Spanje.

Oorsprong Wat voorafging De onderzoekende Inquisitie is niet van Spaanse makelij. Ze werd gesticht op grond van een pauselijk decreet Ad Abolendam ("met het doel af te schaffen"), dat uitgevaardigd werd aan het einde van de twaalfde eeuw door Paus Lucius III ter bestrijding van de Albigense ketterij in het zuiden van Frankrijk. Er bestonden hoven van de pauselijke Inquisitie in diverse Europese koninkrijken gedurende de middeleeuwen. In het Koninkrijk Aragón stichtte men een pauselijke Inquisitie gebaseerd op het decreet Excommunicamus van Paus Gregorius IX in 1232 gedurende het tijdperk van de Albigense ketterij; de hoofdvertegenwoordiger van de pauselijke inquisitie in Arágon was Raymundus van Peñafort. Mettertijd nam het belang van de Inquisitie af; in het midden van de vijftiende eeuw was het instituut, alhoewel juridisch nog in werking, bijna vergeten.

In Castilië is de pauselijke Inquisitie nooit actief geweest. Het opsporen en bestraffen van ketterij waren daar taken van de bisschoppen; men kan hier dus beter spreken van bisschoppelijke inquisitie.

Context Een groot deel van het Iberisch Schiereiland werd gedomineerd door de Arabieren en delen in het zuiden, vooral Granada, hadden een grote moslimbevolking. Tot 1492 stond Granada nog onder Arabische heerschappij. De grote steden, in het bijzonder Sevilla, Valladolid, hoofdstad van Castilië, en Barcelona hadden grote populaties joden, geconcentreerd in zogenaamde 'juderías', joodse wijken.

Tijdens de middeleeuwen was er sprake van een redelijk vreedzame religieuze co-existentie in de koninkrijken van het schiereiland, alhoewel er onbedoelde incidenten tussen christenen, joden en moslims hadden plaatsgevonden. Er was een lange joodse traditie van sterrenkijken in Aragón. De vader van Ferdinand, Johan II van Aragón, benoemde de jood Abiathar Crescas tot beste sterrenkundige. De joden bezetten vele belangrijke posities, zowel religieus als politiek. Castilië had zelfs een officieuze rabbi, een joods meester in geneeskunde.

Aan het einde van de veertiende eeuw echter rees er in enkele plaatsen in Spanje een golf van antisemitisme op, aangemoedigd door de preken van Ferrant Martínez, aartsdeken van Écija. De pogroms van juni 1391 waren bijzonder bloedig: in Sevilla werden honderden joden omgebracht, de synagoge volledig verwoest en in andere steden zoals Córdoba, Valencia en Barcelona was het aantal slachtoffers erg hoog.

Een van de gevolgen van deze ongeregeldheden was de massale bekering van joden. Voor deze datum waren bekeringen zeldzaam geweest, maar toen kreeg de bekering ineens een sociale betekenis. Sinds de vijftiende eeuw kan men spreken van 'judeoconversos', ook wel "nieuwe christenen" genoemd, als een nieuwe sociale groep, die met wantrouwen bekeken werd door zowel joden als door christenen. Zodoende echter ontsnapten de joden niet alleen aan mogelijke vervolgingen, maar waren zij ook in staat talrijke banen en posities te bekleden die normaliter verboden voor hen zouden zijn door wetten die joden ernstig beperkten. Onder de bekeerlingen waren velen die opklommen tot een belangrijke positie in het Spanje van de vijftiende eeuw. Bekende bekeerlingen waren onder anderen: de doktoren Lagoon en Francisco Lopez Villalobos, meester-dokter van Ferdinand de Katholieke; de schrijvers Juan del Encina, Juan de Mena, Diego de Valera en Alfonso de Palencia en de bankiers Luis de Santángel en Gabriel de Sánchez, die de reis van Christoffel Columbus gefinancierd hadden.

De bekeerlingen konden zonder tegenstand uitstekende posities bekleden in de kerkelijke hiërarchie, waardoor zij ernstige tegenstanders van het jodendom werden. Sommige van hen werden zelfs edelen.In de zestiende eeuw hebben genealogen geprobeerd aan te tonen dat bijna alle edelen van Spanje joodse voorouders hadden.

Oorzaken Er bestaat geen overeenstemming over de redenen waarom de Spaanse Reyes Católicos besloten de inquisitoriale machinerie in Spanje in te voeren. Onderzoekers hebben verscheidene mogelijke redenen naar voren gebracht: De stichting van de religieuze eenheid. Daar het doel van de katholieke koningen het scheppen van een efficiënte staatsmachinerie was, was het een prioriteit om de religieuze eenheid te verkrijgen. Bijkomstig maakte de Inquisitie het de monarchie mogelijk om actief in te grijpen in religieuze aangelegenheden, zonder tussenkomst van de paus. Het verzwakken van de politieke oppositie tegen de katholieke koningen. Het beëindigen van de machtige minderheid van judeoconversos. In het Koninkrijk Aragón hebben zij invloedrijke families door de molen verwerkt zoals Santa Fe, Santángel, Caballería en Sánchez. Dit wordt niettemin tegengesproken door het feit dat Fernando zelf in zijn administratie rekening bleef houden met talrijke conversos. Financiering van de economie. Aangezien een van de maatregelen inbeslagname van goederen inhield, kan deze mogelijkheid niet buiten beschouwing blijven.

De activiteiten van de Inquisitie De inquisitie en de verdrijving van Joden Het aantal Joden dat Spanje verliet na de instelling van de Inquisitie is niet bekend. Historici uit die tijd spreken van grote aantallen: Juan de Mariana (1536 - 1624) meent dat zo'n 800.000 Joden Spanje ontvluchtten en Isaac Abrabanel (1437 - 1508) noemt het getal 300.000. Schattingen van moderne historici zijn een stuk lager: volgens Henry Kamen zijn ongeveer 40.000 van de in totaal 80.000 in Spanje levende Joden geëmigreerd.Kamen, pagina. 29-31

De schattingen van "The Jewish History Atlas" van Martin Gilbert liggen weer hoger dan die van Henry Kamen. Volgens deze atlas woonden er eind vijftiende eeuw (of misschien ook in de zestiende eeuw) 230.000 Joden op het Iberische Schiereiland. De grootste groep, 90.000 personen, emigreerde volgens deze atlas naar het Osmaanse Rijk, in deze atlas Turkije genoemd. 50.000 Spaanse Joden lieten zich dopen en bleven in Spanje of Portugal wonen, 25.000 emigreerden naar Holland, 20.000 naar Marokko, 10.000 naar Frankrijk, 10.000 naar Italië en 5.000 naar Amerika. 20.000 stierven onderweg op zoek naar een nieuwe woonplaats.Martin Gilbert, Jewish History Atlas, Londen, 1969, 1976 (revised edition), , p.45 Deze atlas rekent behalve de emigraties van 1492 ook de emigraties na 1497 (uit Portugal) mee en latere emigraties in de zestiende eeuw. Het Edict van Verbanning van 1492 gold ook voor de eilanden Mallorca, Sardinië en Sicilië, die bij de Kroon van Aragón hoorden.Martin Gilbert, Jewish History Atlas, Londen, 1969, 1976 (revised edition), , p.46David Conforte (ca. 1618-1685), Koree haDorot, Venetië, 1746, in 1848 herdrukt in Berlijn door David Cassel, p. 29 B

Na de val van Granada werd op 31 maart 1492 door de Reyes Católicos met het Edict van Verbanning de gedwongen bekering (of resp. emigratie) van alle Joden in Spanje afgekondigd. Echter niet vanuit puur antisemitisch sentiment.Voorheen hadden de koningen van Spanje en de adel veel Joodse bestuurders aangesteld en verzette de adel zich aanvankelijk tegen het edict, zie Chris van der Heijden, Zwarte Renaissance, Hoofdstuk 4, Het verschrikkelijke edict Door de verovering van het laatste Moorse vorstendom op Spaanse bodem was voor de machtige Spaanse geestelijkheid bewezen dat de Spanjaarden door God uitverkoren waren om de geschiedenis te vernieuwen.Chris van der Heijden, Zwarte Renaissance: Spanje en de wereld 1492-1536, pag. 79-80, Uitg. Contact, Amsterdam, 1998, Joden die deze messianistische visie niet inzagen waren verloren en moesten verdwijnen. Deze kregen een half jaar de tijd om te emigreren, weliswaar onder ongunstige voorwaardenZo werd er een belasting geheven van 10% op de uitgevoerde bezittingen en mochten de emigranten geen goud en zilver meenemen. / Zie Chris van der Heijden, Zwarte Renaissance, Hoofdstuk 4, Het verschrikkelijke edict en er werd op grote schaal misbruik gemaakt van hun gedwongen situatie. Geëmigreerde Joden die zich later alsnog bekeerden mochten terugkomen en hadden het recht hun bezittingen tegen dezelfde (te lage) prijs terug te kopen als waarvoor ze die destijds gedwongen waren te verkopen. Door deze laatste maatregel werd het antisemitisme tegen de zogenaamde Conversos (Joodse bekeerlingen) aangewakkerd.

De Joden die in het Koninkrijk Castilië woonden, emigreerden voornamelijk naar koninkrijk Portugal en Marokko. Volgens Kamen emigreerden de Joden uit het Koninkrijk Aragón vooral naar christelijke buurlanden, voornamelijk Italië.

Veel Joden lieten zich dopen. Waarschijnlijk deed men dit vaker om uitzetting te voorkomen dan vanuit een oprechte bekering naar het christendom. Deze 'bekeerde' Joden werden conversos (bekeerlingen) genoemd. Zij werden door de Inquisitie voortdurend in de gaten gehouden. Als ze ervan werden verdacht na hun bekering toch nog de Joodse religie te praktiseren, werden ze alsnog door de Inquisitie berecht.

De vervolging van conversos was het intensiefst in de periode van 1478 tot 1530. Na 1530 werd dit minder en daalde het aantal processen tegen conversos tot 3% van het totale aantal door de Inquisitie gevoerde processen. In 1588 vond een opleving plaats in de vervolging van conversos toen in Quintanar de la Orden een groep cryptojoden (Joden die zich onder druk christelijk hadden laten dopen maar in het geheim nog de regels van het jodendom naleefden) werd ontdekt. In het laatste decennium van de 16e eeuw vonden veel gedwongen bekeringen van Joden plaats.

In het begin van de 17e eeuw kwamen sommige conversos die naar Portugal gevlucht waren weer terug naar Spanje, om aan de Portugese Inquisitie te ontkomen die in 1532 opgericht was. Dit leidde tot een toename van het aantal processen tegen cryptojoden.

In de 18e eeuw verminderde het aantal processen van de Inquisitie tegen conversos sterk. Een zekere Manuel Santiago Vivar was in Córdoba in 1818 de laatste persoon die door de Inquisitie berecht werd wegens cryptojodendom.

Onderdrukking van het protestantisme In de 16e eeuw begon de Inquisitie minder aandacht te besteden aan de conversos. Haar taak werd nu het bestrijden van het protestantisme, dat in Spanje enige aanhangers had.

Het is een misverstand dat de Spaanse Inquisitie een grote rol heeft gespeeld in het onderdrukken van het protestantisme. Er zijn slechts weinig protestanten door de Inquisitie berecht, waarschijnlijk slechts enkele honderden. Er waren ook maar weinig protestanten in Spanje. Vaak werden mensen die verdacht werden van antikerkelijke gevoelens beschuldigd van protestantisme, zonder dat zij ook daadwerkelijk protestants waren.Kamen, pagina 98

De eerste processen van de Inquisitie tegen protestanten waren die tegen de leden van een mystieke sekte in Guadalajara en Valladolid. Geen van de beschuldigden werd ter dood veroordeeld, maar gedurende deze processen kwam de Inquisitie wel een aantal intellectuelen en geestelijken op het spoor die de ideeën van Erasmus aanhingen.